• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x
Als wij de lange reeks van smartelijke rampen, die ongelukkige nasleep van de zonde, waardoor de weg van den gevallen mens in dit sterfelijk leven als 't ware regelmatig wordt gekenmerkt, aan ons geestesoog laten voorbijgaan, zullen wij sedert de zondvloed nauwelijks een zo diepe, zo algemene, geestelijke en materiële nood aantreffen, als waarvan wij heden getuige zijn. Zelfs de ergste rampspoeden en onheilen, wier spoor ten eeuwigen dage getrokken staat in de historie en het leven der naties hebben nu eens dit dan weer dat volk getroffen.

Doch in deze tijd wordt het gehele mensdom zo zeer gedrukt én door geldnood en door de benauwenis van de economische toestand, dat het er des te meer in verward raakt, naar gelang het er zich met grotere inspanning uit tracht te bevrijden. Daardoor is er geen natie, geen stad, geen gemeenschap en geen familie meer, die niet in meerdere of mindere mate ofwel zelf onder rampspoed gebukt gaat ofwel in de ondergang van anderen dreigt te worden meegesleurd. Zelfs zij, alhoewel weinigen, die, vanwege hun onmetelijke rijkdom, het lot der wereld schijnen te beheersen; zij, alhoewel weinigen, die in dienst van mateloze winzucht voor een groot deel de oorzaak waren en zijn van zo groot onheil, zelfs zij gaan niet zelden in deze rampen smaadvol te gronde, goederen en fortuin van talloos velen in hun ondergang meesleurend, zodat wij op de vreselijkste wijze aan de hele wereld bewaarheid zien, hetgeen de H. Geest over elke zondaar in 't bijzonder heeft gezegd: „Waarin iemand zondigt, daarin wordt hij ook gestraft" (Wijsh. 11, 17).

Hoofdschuld is de begeerlijkheid.
Allerinnigst met deze betreurenswaardige toestand begaan, gevoelen Wij Ons noodzakelijk gedrongen, in de mate van Onze zwakheid, uiting te geven aan de liefdegevoelens van Jezus' H. Hart, terwijl ook wij uitroepen: „Ik heb medelijden met de schare" (Mc. 8, 2-3).

Bovenal is echter te betreuren de wortel zelf, waaruit deze aller-ellendigste toestand voortspruit! Indien immers ooit het woord van den H. Geest, door den Apostel Paulus verkondigd, dat nl. „de begeerlijkheid de wortel is van alle kwaad" (Tim. 6, 10) ten volle op de werkelijkheid slaat, dan zeker heden.

Is niet de drift naar vergankelijke goederen, zelfs door een heidens dichter terecht als „gevloekte gouddorst", "auri sacra fames" gebrandmerkt; is niet het verderfelijke eigenbelang maar al te vaak de enige drijfveer bij het behartigen van de noodwendigheden zowel van de individuen als van de staten onderling; is niet de begeerlijkheid, onder welke naam of vorm dan ook, de voornaamste oorzaak, waardoor wij met deernis het mensdom aan de hand van de ondergang gebracht zien? Vandaar dat onderling wantrouwen, dat alle menselijke samenwerking tot onvruchtbaarheid doemt; vandaar die naijver, die het voordeel van een ander als eigen nadeel aanziet; vandaar dat verderfelijke, mateloze eigenbelang, dat alles uitsluitend ordent en ondergeschikt maakt aan eigen voordeel, terwijl het belang van anderen verwaarloosd en vertreden wordt; vandaar ten slotte die onrechtvaardige wanverhouding in de verdeling van goederen, waardoor de rijkdommen van de samenleving zich opeenhopen in de handen van enkele privé-personen, die, — Wij wezen hier het vorig jaar op in onze encycliek „Paus Pius XI - Encycliek
Quadragesimo Anno
Over de aanpassing van de sociale orde
(15 mei 1931)
" —, tot onmetelijk nadeel der volken de gehele wereldeconomie naar willekeur beheersen.

Overdreven vaderlandsliefde
Als men de gewettigde liefde voor zijn vaderland misbruikt en de aan zijn natie verschuldigde gevoelens van genegenheid overdrijft (een genegenheid, welke een goed-geordende christelijke liefde niet alleen niet afkeurt, maar zelfs door haar voorschriften heiligt en verstevigt) en een zodanige liefde tot zichzelf en de zijnen al te zeer laat indringen in de onderlinge verhoudingen en belangen der volken, bestaat er geen buitensporigheid meer die niet van schuld is vrij te pleiten. Het gaat zelfs zover, dat iets, door privé-personen bedreven, naar aller overtuiging voor een laakbare misdaad wordt gehouden, als eerzaam en lofwaardig wordt beschouwd, indien de vaderlandsliefde in het geding wordt gebracht. Aldus komt noodzakelijk in plaats van de goddelijke wet der broederlijke liefde, die alle geslachten en volken tot één familie samenbindt onder één Vader in de hemel, een voor allen verderfelijke haat; aldus worden ten slotte de traditionele normen ontwricht en vernietigd, die de grondslagen vormden voor de dienst van God en de trouwe naleving van Zijn wet tot levenskrachtige bloei en allerveiligste steun van de Staat.

Nu streven, — hetgeen wij de gevaarlijkste van alle rampen zouden willen noemen —, de omverwerpers van elke orde, of dezen nu communisten genoemd worden of een andere naam dragen, die bij de huidige zedelijke ontwrichting de geweldige benardheden van het economisch leven op de spits drijven, er met de hoogste vermetelheid naar om, na alle remmen over het verstand te hebben uitgeschakeld en alle banden zowel van de menselijke als van de goddelijke wet te hebben verbroken, de afschuwelijkste strijd tegen alle godsdienst, ja tegen God zelf te voeren. Zij stellen zich ten doel om elke godsdienstige kennis en elk godsdienstig gevoel uit de geest der mensen, reeds vanaf hun prille jeugd te doen verdwijnen. Zij weten immers veel te goed, zich alles te kunnen aanmatigen als de goddelijke wet en de goddelijke leer eenmaal uit de harten der mensen zijn weggenomen. Zo zien wij 'dan ook voor onze ogen gebeuren, hetgeen de geschiedenis nog nooit heeft waargenomen, dat rampzalige mensen, door een afschuwelijke woede bezeten, onbeschaamd de strijdvaan tegen God en tegen elke godsdienst heffen, waar ter wereld en tegen welk volk dan ook.

Ofschoon er in de loop der tijden altijd slechte mensen geweest zijn en slechte individuen, die Gods bestaan ontkenden, waren zij toch maar klein in getal en op zichzelf staande, bang om hun bedorven geest meer in het openbaar te tonen of menend, dat het niet opportuun was hun ideeën openlijk te verkondigen. Dit heeft de Psalmist blijkbaar reeds willen vastleggen, toen hij, onder goddelijke inspiratie schreef: „Er is geen God, zegt de dwaas in zijn hart" (Ps. 13, 1), alsof hij den goddeloze als een eenling onder de menigte wilde voorstellen, die wel ontkent, dat zijn Schepper God is, maar die deze misdaad toch in het diepst van zijn hart wil verbergen. In onze tijd echter wordt deze funeste dwaling, die onder het volk reeds breed om zich heen grijpt, zelfs op de scholen ongemerkt geleerd en in de theaters openlijk uitgesproken. En om haar nog verder te kunnen verspreiden benutten haar propagandisten de meest moderne uitvindingen: de film, het gezongen en gesproken woord op grammofoonplaat, de radio. In eigen drukkerijen vervaardigen zij vlugschriften in alle talen. Zij houden feestelijke optochten en spreiden de bewijzen van hun schandelijk geloof openlijk ten toon. En dit is nog niet alles! Verdeeld over en stevig georganiseerd in politieke, economische en militaire bonden, wijden zij zich geheel aan dit misdadig werk toe, met name hun propagandisten, zowel in vergaderingen als door het verspreiden van plaatwerk, brochures en alle andere middelen om hun ideeën openlijk en in alle rangen en standen te kunnen doen doordringen. Om hierin nog beter te slagen, zetten zij hun actie, gesteund door het gezag en de arbeid van hun universiteiten, met zulk een zenuwslopende ijver door, dat zij, die zich argeloos bij hen komen aansluiten, geheel in hun netten gevangen raken. Als Wij deze vernuftige vindingrijkheid, geheel in dienst gesteld van een zo goddeloos iets, overdenken, komt Ons in de geest en op de lippen het diep weemoedige woord van Christus, onze Heer: „De kinderen dezer wereld zijn voorzichtiger in hun geslacht dan de kinderen des lichts" (Lc. 16, 8).
Ziet, hoe de leiders en ontwerpers van deze atheïstische campagne, van de huidige algemene ellende gebruik makend, door misdadige redeneringen, God en de godsdienst als de oorzaak van alle rampen voorstellen. Hoe zij zelfs het geheiligde Kruis van Christus, dit teken van nederigheid en armoede, op één lijn stellen met de symbolen van het moderne imperialisme, alsof de godsdienst met die duistere machten instemde, die zoveel ellende in de wereld gebracht hebben. Daarom pogen zij, — en wel met een verderfelijk succes —, deze lage strijd tegen God met de strijd voor het dagelijks brood te verbinden, met het verlangen naar particulier bezit, naar een billijk loon, een passende woning, naar een, in één woord gezegd, menswaardige levenspositie. Bedenkt hierbij nog, dat zij met overschrijding van alle grenzen, de wettige begeerten der natuur gelijk willen stellen met de ongebreidelde hartstochten, hetgeen zo geheel en al met hun leer en princiepen overeenstemt. Alsof de door God vastgelegde eeuwige wetten de mensen van hun geluk zouden afhouden, terwijl zij er toch juist de zekerste bewerkers en waarborgen van zijn. Alsof de menselijke krachten met de middelen van de moderne techniek tegen de almachtige Wil van den algoeden Opperheer een nieuwe en betere orde van zaken tot stand zouden kunnen brengen!
Het is diep betreurenswaardig, dat zo onnoemelijk veel mensen, menend, voor hun levensbestaan en voor de beschaving te strijden, — hetgeen geenszins het geval is —, zich bij dergelijke dwalingen aansluiten en lasterend tegen God en godsdienst optreden. En dit niet alleen tegen het katholicisme, maar tegen elke religie, die God als Schepper van de zichtbare wereld en als Opperste Bestuurder van alles erkennen. De geheime sekten, die krachtens hun aard natuurlijk steeds de vijanden van God en de Kerk, wie die ook zijn mogen, steunen, aarzelen niet, de gloed van deze dolzinnige haat steeds weer aan te wakkeren, waaruit voor geen enkele burgerlijke samenleving rust of geluk kan voortkomen, doch die onvermijdelijk tot ondergang der staten moet leiden.
Terwijl deze nieuwe vorm van atheïsme aldus de sterkste menselijke hartstochten ontketent, heeft het de onbeschaamdheid te verklaren, dat er geen vrede of geluk op aarde zullen heersen, vooraleer het laatste spoor van de godsdienst radicaal is uitgeroeid en de laatste bedienaar van de godsdienst verjaagd. Als konden zij de heerlijke lofzang, waarmede al het geschapene „de lof van den Schepper bezingt" (Ps. 18, 2), het stilzwijgen opleggen!

Document

Naam: CARITATE CHRISTI COMPULSI
Over het gebed en het eerherstel aan het Heilig Hart van Jezus te brengen in de tegenwoordige beproevingen der mensheid
Soort: Paus Pius XI - Encycliek
Auteur: Paus Pius XI
Datum: 23 mei 1932
Copyrights: © Ecclesia Docens uitg. Gooi & Sticht, Hilversum
Bewerkt: 7 november 2019

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Inhoudsopgave van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2021, Stg. InterKerk, Schiedam