• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x
De vragen die nu bij de inculturatie van de Romeinse ritus gesteld worden, kunnen vanuit de heilsgeschiedenis zelf verhelderd worden. Het proces van inculturatie is daarin onder verschillende vormen tot stand gekomen.

Het volk van Israël heeft in heel zijn geschiedenis de overtuiging gehad het uitverkoren volk van God te zijn en de getuige van Gods handelen en liefde te midden van de volken. Aan de omringende volken heeft het bepaalde vormen van de eredienst ontleend, maar om het geloof in de God van Abraham, Isaak en Jakob heeft Israël deze ontleningen diepgaand gewijzigd, allereerst naar de betekenis maar dikwijls ook naar de vorm, om zo de gedachtenis van Gods wonderdaden in zijn geschiedenis te vieren, terwijl het deze elementen opnam in de eigen religieuze praktijk.

De ontmoeting van de joodse wereld met de Griekse wijsheid was aanleiding tot een nieuwe vorm van inculturatie: de vertaling van de heilige boeken in het Grieks bracht het woord van God binnen in een voor Hem gesloten wereld en onder Gods inspiratie heeft zij geleid tot een verrijking van de Schrift zelf.

De wet van Mozes, de profeten en de psalmen Vgl. Lc. 24, 27.44 hadden de bedoeling de komst van Gods Zoon voor te bereiden. Zo is het Oude Testament, dat het leven en de cultuur van het volk Israël omvat, heilsgeschiedenis.

Toen Gods Zoon op aarde was gekomen, ”geboren uit een vrouw, geboren onder de wet” (Gal. 4, 4), heeft Hij zich verbonden met de sociale en culturele omstandigheden van het volk van het Oude Verbond; met dat volk is Hij omgegaan en heeft Hij gebeden. Vgl. 2e Vaticaans Concilie, Decreet, Over de missie-activiteit van de Kerk, Ad Gentes Divinitus (7 dec 1965), 10

Hij is namelijk mens geworden, heeft een volk, een land en een bepaalde tijd aanvaard, maar krachtens de gemeenschappelijke menselijke natuur ”heeft Hij zich in zekere zin met iedere mens verenigd”. 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk in de wereld van deze tijd, Gaudium et Spes (7 dec 1965), 22 “Wij allen zijn immers in Christus, en de gemeenschappelijke natuur van ons menszijn is in Hem opnieuw tot leven gekomen. Daarom wordt Hij ook de nieuwe Adam genoemd.” H. Cyrillus van Alexandrië, Commentaar op het Evangelie volgens Johannes, Commentarium in Joannis Evangelium. I, 14: PG 73, 162C

Christus, die ons menselijk bestaan heeft willen delen, Vgl. Hebr. 2, 14 is voor allen gestorven om de verstrooide kinderen van God samen te brengen. Vgl. Joh.11, 52 Door Zijn dood heeft Hij de scheidsmuur onder de mensen willen neerhalen en Israël en de volken tot één volk willen maken. Door de kracht van Zijn verrijzenis trekt Hij allen tot zich en scherpt Hij in zichzelf één nieuwe mens. Vgl. Ef. 2, 14-16 In Hem is een nieuwe schepping reeds aangebroken Vgl. 2 Kor. 5, 16-17 en kan elke mens een nieuwe schepping worden. In Hem wijkt de schaduw voor het licht, de belofte wordt vervuld en alle religieuze aspiraties van heel de mensheid krijgen hun vervulling. Door het offer van Zijn lichaam, eens en voorgoed, Vgl. Hebr. 10, 10 heeft Jezus Christus de volheid van de eredienst gebracht in geest en waarheid met de nieuwheid die Hij voor Zijn leerlingen wenste. Vgl. Joh. 4, 23-24
In Christus ”… is ons de volheid van de eredienst geschonken”. 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de heilige liturgie, Sacrosanctum Concilium (4 dec 1963), 5 Hij is de grote priester bij uitstek, genomen uit de mensen (Hebr. 5, 1-5)(Hebr. 10, 19-21), gedood naar het vlees, maar ten leven gewekt naar de Geest. Vgl. 1 Pt. 3, 18 Hij, Christus en Heer, heeft het nieuwe volk ”gemaakt tot een koninklijk geslacht van priesters voor Zijn God en Vader”. Vgl. Openb. 1, 6 Vgl. Openb. 5, 9-10 Vgl. 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk, Lumen Gentium (21 nov 1964), 10 Voordat Hij echter door Zijn bloed het paasmysterie zou voltrekken, Vgl. H. Paus Paulus VI, Apostolische Constitutie, ex Decr. Sacr. Oec. Conc. Vat. II instauratum, auctoritate Pauli PP. VI promulgatum, ed. typica, Missale Romanum (3 apr 1969). Goede Vrijdag, 5, eerste gebed:”…met Zijn Bloed het Paasfeest heeft ingewijd.” dat het wezen van de christelijke eredienst uitmaakt, Vgl. H. Paus Paulus VI, Motu Proprio, Ter goedkeuring van de algemene normen voor het liturgisch jaar en van de nieuwe algemene Romeinse kalender, Mysterii Paschalis (14 feb 1969) wilde Hij de eucharistie instellen als gedachtenis van Zijn dood en verrijzenis, totdat Hij wederkomt. Hier vinden wij het uitgangspunt van de christelijke liturgie alsook de kern van haar rituele vorm.
Bij Zijn terugkeer naar Zijn Vader, zendt de verrezen Christus Zijn leerlingen – die Hij de zekerheid geeft dat Hij altijd bij hen zal blijven – om het evangelie te verkondigen aan heel de schepping, alle volken tot Zijn leerlingen te maken en hen te dopen. Vgl. Mt. 18, 19 Vgl. Mc. 16, 15 Vgl. Hand. 1, 8 Op de dag van Pinksteren vormt de Heilige Geest door Zijn komst een nieuwe gemeenschap onder de mensen, die Hij allen verenigde ondanks het teken van hun verdeeldheid, namelijk de talen. Vgl. Hand. 2, 1-11 Voortaan werden de wondere daden van God aan alle mensen van welke taal of cultuur ook verkondigd. Vgl. Hand. 10, 44-48 En de mensen die bevrijd door het bloed van het Lam in een broederlijke gemeenschap verenigd zijn, Vgl. Hand. 2, 42 worden geroepen uit elke stam en taal en volk en natie. Vgl. Openb. 5, 3
Het geloof in Christus biedt aan alle naties de mogelijkheid deelgenoot te zijn aan Gods belofte en mede-erfgenaam te zijn van het volk van het verbond, Vgl. Ef. 3, 6 zonder hun eigen cultuur te verloochenen. Gedreven door de Heilige Geest verruimde de heilige Paulus in het voetspoor van de heilige Petrus Vgl. Hand. 10 de weg van de Kerk Vgl. Gal. 4, 2-10 zonder het evangelie binnen de grenzen van de wet van Mozes te houden, trouw bewarend wat hij ook zelf had ontvangen door de overlevering die kwam van de Heer. Vgl. 1 Kor. 11, 23 Zo heeft de Kerk vanaf haar eerste tijd aan de niet-besneden leerlingen geen zwaardere last opgelegd dan ”het onvermijdelijke” overeenkomstig de beraadslaging van de apostolische vergadering te Jeruzalem. Vgl. Hand. 15, 28
Wanneer zij op de eerste dag van de week – die de dag des Heren werd Vgl. Hand. 20, 7 Vgl. Openb. 1, 10 – bijeenkwamen om het brood te breken, hebben de eerste christelijke gemeenschappen het gebod onderhouden van de Heer, Die in het kader van de gedachtenis van het joodse paasfeest de gedachtenis van Zijn lijden en dood heeft ingesteld. In de voortzetting van de ene heilsgeschiedenis hebben de christenen spontaan enige vormen en enkele teksten van de joodse eredienst overgenomen en aangepast om de radicale nieuwheid van de christelijke eredienst uit te drukken. Vgl. Catechismus-Compendium, Catechismus van de Katholieke Kerk (15 aug 1997), 1096 Onder leiding van de Heilige Geest is er beslist over datgene wat zij wel of niet konden of moesten behouden uit het erfgoed van de joodse eredienst.
Toen het evangelie in de wereld werd verspreid, zijn er onder invloed van andere culturele tradities enige rituele vormen ontstaan in de kerken die voortkwamen uit het heidendom. Telkens is er onder leiding van de Heilige Geest betreffende de elementen die van de ’heidense’ culturen afkomstig zijn, een onderscheid gemaakt tussen die welke met het christendom niet konden samengaan en die in overeenstemming met de apostolische traditie wel overgenomen konden worden in trouw aan het evangelie van het heil.

De vormgeving van de christelijke eredienst is volgens de plaatselijke omstandigheden ontstaan en stapsgewijs ontwikkeld binnen de grote culturele gebieden waar de blijde boodschap verspreid was. Zo zijn er verschillende liturgische families ontstaan in het Westen en het christelijk Oosten. Het rijke erfgoed van deze families bewaart getrouw de volheid van de christelijke traditie. Vgl. Catechismus-Compendium, Catechismus van de Katholieke Kerk (15 aug 1997), 1200-1203 De Kerk van het Westen heeft soms elementen van haar liturgie aan het erfgoed van de liturgische families van het Oosten ontleend. Vgl. 2e Vaticaans Concilie, Decreet, Over de oecumene, Unitatis Redintegratio (21 nov 1964), 14-15 De Romeinse Kerk heeft in haar liturgie de levende taal van het volk aangenomen, allereerst het Grieks, vervolgens het Latijn en, evenals de overige Latijnse kerken, heeft zij belangrijke elementen uit het sociale leven in het Westen in haar eigen eredienst opgenomen, waarbij zij daaraan een christelijke betekenis gaf. In de loop van de eeuwen heeft de Romeinse ritus herhaaldelijk haar kracht getoond om teksten, gezangen, gebaren en riten van uiteenlopende oorsprong in zich op te nemen Teksten: vgl. de bronnen van de gebeden, prefaties en eucharistische gebeden van het Romeins missaal. Gezangen: bijvoorbeeld enkele antifonen van 1 januari, het feest Doop van de Heer, 8 september, beklag van God in de liturgische viering van Goede Vrijdag, hymnen van het getijdengebed. Gebaren: bijvoorbeeld besprenkeling, bewieroking, knielen, vouwen van de handen. Riten: bijvoorbeeld de processie met palmen, de aanbidding van het kruis in de liturgische viering van Goede Vrijdag, de kruisdagen. en ook zich aan te passen aan de plaatselijke culturen in de missiegebieden, Vgl. H. Paus Gregorius de Grote, Herderlijke Regel, Regula pastoralis. XI, 59: CCL 140A, 961-962 Vgl. Paus Johannes VIII, Bul, Goedkeuring van het gebruik van de Slavische taal in de liturgie ontwikkeld door de HH. Cyrillus en Methodius, Industriae tuae (26 juni 880). PL 126, 904 Vgl. Congregatie Propaganda Fide, Instructie over de oprichting van apostolische viacriaten in China en Indochina, Vicariis apostolicis in Sinis et Indosinis degentibus (1 jan 1654). Collectanea S.C. de Propaganda Fidea, I, 1, Rome 1907, 135 Vgl. Congregatie Propaganda Fide, Instructie over het niet-religieuze karakter van de cultus van Confucius en deelname van Katholieken daaraan, Plane Compertum Est (8 dec 1939) zelfs als in een bepaalde periode van de geschiedenis de zorg voor de uniformiteit in de liturgie de overhand had.

In onze tijd heeft het Tweede Vaticaans Concilie eraan herinnerd dat ”de Kerk … de rijkdommen, hulpbronnen en levensgewoonten van de volken bevordert in alles wat er aan goeds in vervat ligt; zij neemt dit alles in zich op en door het aan te nemen, zuivert en versterkt en verheft zij dat alles. … Door haar toewijding bewerkt zij dat al het deugdelijke zaad dat in het hart en de geest van de mensen, in de eigen riten en culturen van de volken te vinden is, niet alleen niet verloren zou gaan, maar geheeld, verheven en tot voltooiing gebracht zou worden tot eer van God, tot beschaming van de duivel en tot geluk van de mens.” Vgl. 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk, Lumen Gentium (21 nov 1964), 13.17 Daarom mag de liturgie van de Kerk voor geen enkel land, voor geen enkel volk, voor geen enkele persoon vreemd zijn; tegelijkertijd ziet zij af van elke vorm van particularisme van ras of volk. Derhalve is het haar eigen zich, met behoud van haar identiteit, in elke menselijke cultuur te uiten, zodat zij trouw kan blijven aan de traditie die zij van de Heer heeft ontvangen. Vgl. H. Paus Johannes Paulus II, Postsynodale Apostolische Exhortatie, Catechese geven in onze tijd, Catechesi Tradendae (16 okt 1979), 52-53 Vgl. H. Paus Johannes Paulus II, Encycliek, Over de blijvende geldigheid van de missie-opdracht, Redemptoris Missio (7 dec 1990), 53-54 Vgl. Catechismus-Compendium, Catechismus van de Katholieke Kerk (15 aug 1997), 1204-1206

Zoals het evangelie moet de liturgie de culturen hoogachten, ofschoon zij tegelijkertijd hen uitnodigt om zich te zuiveren en te heiligen.

De joden die zich in geloof tot Christus wenden, blijven zoveel mogelijk trouw aan het Oude Testament, dat leidt tot Jezus, de Messias van Israël; zij weten dat Jezus het verbond van Mozes heeft vervuld als middelaar van het nieuwe en eeuwige Verbond, bezegeld door Zijn bloed op het kruis. En eveneens weten zij dat Hij door het ene en volmaakte offer de waarachtige grote priester is en de definitieve tempel. Vgl. Hebr. 6-10 Tegelijkertijd zijn sommige voorschriften, zoals de besnijdenis, Vgl. Gal. 5, 1-6 de sabbat Vgl. Mt. 12, 8. en parallelplaatsen Vgl. H. Ignatius van Antiochië, Brief aan de Magnesiërs, Epistula ad Magnesios. 9: Funk 1, 199: “zij die volgens de oude ordening geleefd hebben en tot de nieuwe hoop zijn gekomen, vieren niet meer de sabbat, maar richten hun leven naar de dag des Heren.” en de offers in de tempel Vgl. Hebr. 10 voor hen betrekkelijk geworden.

Op een meer radicale wijze hebben de Christenen die zich uit het heidendom hebben bekeerd, moeten verzaken aan hun afgodsbeelden, mythologieën en bijgelovige praktijken.

Maar wat ook hun etnische en culturele oorsprong is, de Christenen moeten in de geschiedenis van Israël de belofte erkennen, de profetie en de geschiedenis van hun heil. Zij beschouwen de boeken van het Oude Testament evenzeer als die van het Nieuwe als het woord van God Vgl. 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Goddelijke openbaring, Dei Verbum (18 nov 1965), 14-16 Vgl. Congregatie voor de Eredienst en de Sacramenten, Ordening voor de lezingen van de Mis - Editio typica altera, Ordo Lectionum Missae (21 jan 1981), 5 Vgl. Catechismus-Compendium, Catechismus van de Katholieke Kerk (15 aug 1997), 120-123.128-130.1093-1095 en eveneens aanvaarden zij de sacramentele tekenen die zij slechts ten volle kunnen verstaan door de heilige Schrift en in het leven van de Kerk. Vgl. Catechismus-Compendium, Catechismus van de Katholieke Kerk (15 aug 1997), 1093-1096

De afwijzingen die het geloof aan Christus vereist, verzoenen met trouw aan de cultuur en de tradities van het eigen volk, dat was de grote uitdaging voor de eerste christenen in een geest en volgens een zienswijze die verschillend was voorzover zij afkomstig waren uit het uitverkoren volk of hun oorsprong vonden in het heidendom. Vgl. 1 Kor. 7, 18-20 Die opgave zal altijd dezelfde blijven voor de christenen van alle tijden, zoals de woorden van de heilige Paulus getuigen: ”Wij verkondigen een gekruisigde Christus, voor de joden een aanstoot, voor de heidenen een dwaasheid” (1 Kor. 1, 23).

Het onderscheidingsvermogen dat in de loop van de geschiedenis van de Kerk is gebleken, blijft noodzakelijk om door de liturgie het heilswerk, dat door Christus is volbracht, in de Kerk door de kracht van de Heilige Geest getrouw voort te zetten overal in tijd en ruimte en binnen de verschillende menselijke culturen.

Document

Naam: VARIETATES LEGITIMAE
De Romeinse liturgie en de inculturatie
Vierde instructie voor de juiste toepassing van de Constitutie over de Liturgie van het Tweede Vaticaans Concilie (nrs. 37-40)
Soort: Congregatie voor de Eredienst en de Sacramenten
Auteur: Antonius M. Kard. Javierre Ortas
Datum: 25 maart 1994
Copyrights: © 1995, Kerkelijke Documentatie / SRKK
Vert.: Nationale Raad voor de Liturgie, Zeist
Bewerkt: 4 mei 2020

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Inhoudsopgave van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2020, Stg. InterKerk, Schiedam