• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x

Bij deze gelegenheid willen Wij enkele vaderlijke woorden richten tot iedere afzonderlijke groep in de katholieke Kerk.

Tot de bisschoppen

En op de eerste plaats "ontsluit onze mond zich voor u" (2 Kor. 6, 11), Eerbiedwaardige Broeders in het Episcopaat zowel van de Oosterse als Westerse Kerk, die als leiders van het christelijke volk samen met Ons de last en de hitte van de dag draagt Vgl. Mt. 20, 12 . Wij kennen uw ijver; Wij kennen de apostolische geest waarmede gij, ieder in zijn eigen diocees, het rijk Gods tracht te bevorderen, te bevestigen en uit te breiden.

Wij kennen eveneens uw zorgen, Wij kennen uw bezorgdheid om de jammerlijke afval van zovele zonen die door het bedrog van dwalingen worden misleid, om het tekort aan financiële middelen, waardoor soms een grotere bloei van de Kerk in uw gebied wordt belemmerd, en vooral om het aantal priesters, dat op vele plaatsen niet beantwoordt aan de steeds stijgende behoeften.

Heb echter vertrouwen in Hem van wie "iedere goede gift en iedere volmaakte gave" (Jak. 1, 17) voortkomt; ga in een vertrouwvol en vurig gebed tot Jezus Christus, zonder wie "gij niets kunt doen" (Joh. 15, 5), maar door wiens genade ieder van u de woorden van de Apostel der heidenen mag herhalen: "Ik kan alles in Hem die mij versterkt" (Fil. 4, 13).

God zal in Christus Jezus in al uw behoeften voorzien naar Zijn rijkdom en door Zijn heerlijkheid" (Fil. 4, 19); zo zult gij van de akker die gij met hard werken en door uw zweet productief hebt gemaakt een overvloedige oogst en rijke vruchten verzamelen.

Tot de priesters

Met vaderlijke liefde richten Wij Ons ook tot hen die strijden in de rangen der geestelijkheid, zowel seculiere als reguliere: tot hen, Eerbiedwaardige Broeders, die in de curie uw naaste medewerkers zijn, tot hen die in de seminaries de zo gewichtige taak voor u vervullen van het onderricht en de opvoeding van die uitverkoren schare jonge mensen, geroepen tot de dienst van God, tot hen tenslotte die hetzij in grote steden, hetzij in kleinere plaatsen, hetzij in verafgelegen en eenzame dorpen het ambt van pastoor vervullen, dat tegenwoordig zo moeilijk en zwaar, maar tevens zo belangrijk is.

Het zij Ons vergund hen te herinneren aan een plicht, al vertrouwen Wij dat dit niet nodig is, - maar laten zij altijd gehoorzaam en onderdanig zijn aan hun bisschop, volgens het woord van de H. Ignatius van Antiochië: "Gehoorzaam aan uw bisschop als aan Jezus Christus ... Het is daarom noodzakelijk dat wat gij ook doet, het niet onderneemt zonder de bisschop" Funk, Patres Apostolici I, 243-245; cfr. Migne, P.G. V, 675; "want allen die van God en Jezus Christus zijn, zijn met hun bisschop" ibid. I, 267; cfr. Migne, P.G. V, 699.

Zij moeten er eveneens aan denken dat zij niet alleen publieke ambtsdragers zijn, maar voor alles bedienaren van het heilige; daarom mogen zij geen werk, geen offer van tijd of goed, geen onkosten en tenslotte geen eigen ongemak te groot achten, wanneer het er om gaat de geesten te verlichten met het goddelijk licht, hen met Gods hulp en broederlijke liefde te bekeren en het vreedzaam rijk van Jezus Christus te bevorderen en uit te breiden. Meer dan op hun eigen inspanningen en werk dienen zij te vertrouwen op de goddelijke genade, die zij dagelijks in een vurig en nederig gebed moeten afsmeken.

Tot de mannelijke religieuzen

Ook tot de religieuzen, die in de verschillende staten van evangelische volmaaktheid, volgens de eigen wetten van hun instituut, in gehoorzaamheid aan hun oversten leven, richten Wij Onze vaderlijke groet en Wij sporen hen aan om zich onvermoeid en met al hun krachten te wijden aan het werk dat hun Stichters voor ogen stond, toen zij hun bijzondere regels gaven; om zich met vurige toewijding toe te leggen op het gebed, op de versterving en om de opvoeding en het onderwijs van de jeugd ter harte te nemen en naar vermogen allen te helpen die hoe dan ook onder nood of zorgen gebukt gaan.

Wij weten, vanzelfsprekend, dat ten gevolge van de tegenwoordige tijdsomstandigheden op velen van deze beminde zonen dikwijls een beroep wordt gedaan om ook de zielzorg onder de gelovigen waar te nemen, en dit tot groot voordeel van de godsdienst en van het christelijk leven. Wij sporen hen daarom dringend aan - ofschoon zij, naar Wij vertrouwen, Onze vermaning niet nodig hebben - om ook deze taak aan het verdienstelijk werk toe te voegen waardoor hun orden of religieuze congregaties zich in het verleden hebben onderscheiden, nl. om spontaan en naar vermogen tegemoet te komen aan de actuele behoeften van het volk, in nauwe en ijverige samenwerking met de seculiere geestelijkheid.

Tot de missionarissen

En dan gaan Onze gedachten uit naar hen die hun familie en vaderland hebben verlaten en ten koste van zware offers en na grote moeilijkheden naar vreemde landen zijn vertrokken; op het ogenblik zwoegen zij in die verafgelegen gebieden om aan de heidenvolken de waarheid van het Evangelie te brengen en hen te vormen tot christelijke deugd, opdat zo overal "het woord Gods voort mag snellen en verheerlijkt mag worden" (2 Tess. 3, 1)

Hun is inderdaad een grootse taak toevertrouwd, die echter alleen kan worden volbracht en uitgevoerd, als allen die Zich werkelijk christen noemen en groot gaan op die naam hen naar vermogen helpen door hun gebeden of door geldelijke steun. Geen werk is misschien zo aangenaam aan God als dit, want het houdt onmiddellijk verband met de plicht die wij allen hebben, nl. het rijk Gods uit te breiden.
Ambassadeurs van Christus

Deze herauten van het Evangelie wijden immers hun leven geheel aan God om het licht van Jezus Christus te doen schijnen voor iedere mens die in deze wereld komt Vgl. Joh. 1, 9 , om Zijn goddelijke genade aan alle mensen mee te delen en om hen allen op een heilzame wijze te brengen tot een goed en degelijk christelijk leven. Zij zoeken niet hun eigen belang, maar dat van Jezus Christus Vgl. Fil. 2, 21 , en edelmoedig de roepstem van de goddelijke Verlosser beantwoordend, kunnen zij op zichzelf de woorden van de Apostel der heidenen toepassen: „In Christus' naam treden wij...... als gezanten op" (2 Kor. 5, 20), en „wij leven wel in het vlees, maar kampen niet naar het vlees" (2 Kor. 10, 3). Het land waar zij het licht van de waarheid van het Evangelie zijn komen brengen beschouwen zij als hun tweede vaderland en beminnen zij met daadwerkelijke liefde; en al blijven zij hun eigen dierbaar vaderland en hun eigen Diocees of hun eigen religieus instituut een warm hart toedragen, toch zijn zij vast overtuigd dat het heil van heel de Kerk voor alles gaat en dat zij zich daarvoor op de eerste plaats totaal dienen in te zetten. 

Wij willen daarom dat deze beminde zonen en allen die als catechisten of op andere wijze de missionarissen in die landen edelmoedig ter zijde staan ervan overtuigd zijn, dat zij een bijzondere plaats in Ons hart innemen en dat Wij God dagelijks bidden voor hen en hun werk; en dat Wij ook met Ons gezag en met dezelfde liefde alles bevestigen wat Onze Voorgangers, zaliger gedachtenis, voornamelijk Pius XI Paus Pius XI, Encycliek, Over de Katholieke Missie, Rerum Ecclesiae (28 feb 1926)  en Pius XII Paus Pius XII, Encycliek, Over de bevordering van de Christelijke missie, Evangelii Praecones (2 juni 1951) Paus Pius XII, Encycliek, Over de toestand van de Afrikaanse missie, Fidei Donum (21 apr 1957) in hun missie-encyclieken zo terecht hebben bepaald.

Vrouwelijke religieuzen

Tot de kloosterzusters Wij willen hier ook de kloosterzusters niet stilzwijgend voorbijgaan, die zich door geloften aan God hebben toegewijd om Hem alleen te dienen en door een mystiek huwelijk allerinnigst met de goddelijke Bruidegom te verenigen.

Hetzij zij binnen het slot een verborgen leven leiden in gebed en boete, hetzij zij zich wijden aan het uitwendig apostolaat, zij zijn niet alleen in staat om gemakkelijker en beter hun eigen heil te behartigen, maar zij vormen ook een krachtige steun voor de Kerk, zowel onder de christelijke volkeren als in de verre gebieden waar het licht van het Evangelie nog niet is doorgedrongen.

Hoeveel goed doen deze kloosterzusters niet! Wat een groot en prachtig werk verrichten zij niet, dat niemand anders met dezelfde maagdelijke en tevens moederlijke zorg kan verrichten! En zij doen dit niet juist op een enkel maar op velerlei gebied: het onderwijs en de opvoeding van de jeugd; het catechismusonderricht aan de kinderen in de parochies; in ziekenhuizen, waar zij de zieken kunnen verplegen en hen brengen tot hogere gedachten; in tehuizen voor ouden van dagen die zij met geduldige, blijmoedige en medelijdende liefde verzorgen en die zij op een zachte manier richten op de verlangens van het eeuwig leven; in tehuizen voor verweesde of onwettige kinderen, waar zij de taak van een moeder vervullen en met moederlijke liefde hen verzorgen die hun ouders hebben verloren of door hen in de steek zijn gelaten en zodoende geen vader en moeder hebben om hen op te voeden, hen te koesteren en met liefde te omringen.

Zij maken zich niet alleen in hoge mate verdienstelijk voor de katholieke Kerk, voor de christelijke opvoeding en de werken der charitas, maar ook voor de burgerlijke maatschappij en zij bereiden zich een onvergankelijke kroon, die zij eens in de hemel zullen ontvangen.

Katholieke Actie

Gij weet echter maar al te goed, Eerbiedwaardige Broeders en geliefde zonen, dat de huidige nood van de mensen, ook op godsdienstig gebied, zo ontzettend groot en gevarieerd is, dat de priesters, religieuzen en kloosterzusters op het ogenblik niet in staat schijnen te zijn om hem te lenigen. Bovendien kunnen de priesters, de mannelijke religieuzen en de maagden die zich aan God hebben toegewijd niet alle maatschappelijke groepen benaderen; niet alle wegen staan voor hen open; want velen negeren hen of gaan hen uit de weg en er zijn er helaas zelfs die jegens hen antipathie koesteren en hen verachten.

Om deze zelfde, belangrijke en diepbedroevende reden hebben reeds Onze Voorgangers de leken verenigd in de rangen van een vreedzaam leger, de Katholieke Actie, met de wijze bedoeling aan de kerkelijke hiërarchie de steun te geven van hun apostolaat; op een dergelijke manier, dat deze katholieke mannen en vrouwen edelmoedig zouden trachten te verwezenlijken wat de hiërarchie in de gegeven omstandigheden niet tot stand kon brengen, en wel in voortdurende samenwerking met de bisschoppen en altijd in volledige gehoorzaamheid aan hen.

Het is inderdaad voor Ons een grote troost te zien hoeveel inspanning deze ijverige en edelmoedige medehelpers van bisschoppen en priesters, mensen van iedere leeftijd, rang en stand, zich in het verleden hebben getroost en hoeveel zij tot stand hebben gebracht, ook in de gebieden die nog niet door de herauten van het Evangelie waren bezocht, om zo de waarheid van het Christendom aan alle mensen kenbaar te maken en om allen op te wekken en te brengen tot de beoefening van de christelijke deugden.

De noden van onze tijd

Toch ligt er voor hen nog een uitgestrekt arbeidsveld open; er zijn nog teveel mensen die hun lichtend voorbeeld en de invloed van hun apostolaat van node hebben. Op dit onderwerp, dat Wij zeer belangrijk en van het hoogste gewicht achten, willen Wij in de toekomst nog eens uitvoeriger en meer diepgaand terugkomen. 

Intussen hebben Wij echter het vaste vertrouwen dat zij die een actieve rol vervullen in de rangen van de Katholieke Actie of in de vele andere godsdienstige verenigingen die in de Kerk bloeien zich met de grootste toewijding zullen blijven geven aan dit zo noodzakelijke werk: hoe groter de noden zijn van onze tijd, des te groter moet hun toewijding, hun zorg, hun ijver en hun ondernemingslust zijn.

Laten zij eensgezind zijn, want eendracht maakt macht, zoals gij zeer wel weet; laten zij hun persoonlijke opvattingen prijsgeven, wanneer het gaat om de katholieke zaak, want niets dient belangrijker te zijn dan dat; en dit niet alleen op het gebied van de leer, maar ook op dat van de kerkelijke tucht en het christelijk leven, die van iedereen een voortdurende onderwerping vragen.

In gesloten front, in blijvend contact met de katholieke hiërarchie en in constante gehoorzaamheid aan hen, moeten zij uittrekken om steeds grotere veroveringen tot stand te brengen; geen moeite moeten zij sparen, geen offers schuwen, opdat de zaak van de Kerk zou zegevieren.

Om dit op de juiste wijze te kunnen verwezenlijken moeten zij en hier zijn zij ongetwijfeld van overtuigd er op de eerste plaats voor zorgen dat zij zich op degelijke wijze de christelijke leer en christelijke deugden eigen maken. Want dan alleen zullen zij in staat zijn om aan anderen mee te delen wat zijzelf reeds met de hulp van Gods genade hebben verworven.

Hiervoor vragen Wij de bijzondere aandacht van de opgroeiende jeugd en de jongere mensen, wier vurig enthousiasme gemakkelijk vlam vat voor hoge idealen, maar voor wie in de eerste plaats vooral verstandig oordeel, gematigdheid en gehoorzaamheid aan het gezag een eerste vereiste zijn. Aan deze beminde zonen, die de groeiende hoop zijn van de Kerk en in wier heilzaam en ondernemend werk Wij zulk een groot vertrouwen stellen, wensen Wij Onze diepe erkentelijkheid en liefde kenbaar te maken.

Tot de zieken en lijdenden

Wij menen op dit ogenblik de klachten te horen van hen die, ziek naar lichaam of geest, bittere smarten lijden of die zozeer getroffen worden door materiële moeilijkheden dat zij geen menswaardig onderdak hebben en voor zichzelf en hun gezin door hun arbeid niet het noodzakelijk levensonderhoud kunnen verdienen. Wij voelen Ons diep ontroerd, wanneer Wij deze klachten horen.

Wij zouden vooral aan de zieken, zwakken en ouden van dagen die troost willen schenken die van de hemel komt. Laten zij niet vergeten dat wij hier geen blijvende woonstede hebben, maar uitzien naar de toekomstige Vgl. Hebr. 13, 14 ; dat het lijden van dit sterfelijk leven, dat ons zuivert, opheft en veredelt, ons de eeuwige vreugde van de hemel kan verwerven; dat onze goddelijke Verlosser zelf de kruisdood heeft ondergaan en gewillig beledigingen, kwellingen en vreselijke pijnen heeft verduurd om ons te bevrijden en te reinigen van onze zonden. Zoals Hij worden ook wij allen van het kruis naar het licht geroepen, volgens het woord: "Zo iemand Mijn volgeling wil zijn, dan moet hij zichzelf verloochenen, zijn kruis opnemen iedere dag en Mij volgen" (Lc. 9, 23); en hij zal een onuitputtelijke schat in de hemel bezitten. Vgl. Lc. 12, 33

Bovendien zouden Wij graag zien - en Wij vertrouwen vast, dat men deze aansporing gaarne zal aanvaarden - dat het geestelijk en lichamelijk lijden niet alleen voor de betrokken personen als het ware de weg zal banen naar hun eeuwig heil, maar dat het ook in hoge mate zal bijdragen om de zonden van anderen uit te boeten, om hen die op ongelukkige wijze van de Kerk Zijn afgescheiden weer tot haar schoot terug te brengen en om het christelijk geloof te doen zegevieren.

Tot hen die in behoeftige omstandigheden verkeren

De minder gefortuneerde burgers, die zich beklagen over hun al te miserabele levensomstandigheden, moeten eerst en vooral weten, dat ook Wij door eenzelfde droefheid om hun lot worden vervuld. En niet alleen, omdat het Onze vaderlijke wens is dat de christelijke deugd van rechtvaardigheid ook op sociaal gebied de onderlinge verhoudingen tussen de maatschappelijke klassen zou beheersen, regelen en bepalen, maar vooral ook, omdat het Ons met bittere smart vervult te zien dat de vijanden van de Kerk zonder moeite de onrechtvaardige toestand onder de lagere klassen uitbuiten om hen door bedrieglijke beloften en valse theorieën voor hun partij te winnen.

Wij vragen deze beminde zonen er aan te denken dat de Kerk niet vijandig staat tegenover hen en hun rechten, maar hen als een liefdevolle moeder onder haar bescherming neemt en dat zij op sociaal gebied een dergelijke leer en dergelijke normen voorhoudt en inscherpt, dat, als deze volledig in praktijk werden gebracht, iedere vorm van onrechtvaardigheid zou verdwijnen en een beter en billijker verdeling van goederen tot stand zou komen Vgl. Paus Leo XIII, Encycliek, Over kapitaal en arbeid, Rerum Novarum (15 mei 1891), 55-58; dan zal er eveneens tussen de verschillende maatschappelijke klassen een vriendschappelijke en hulpvaardige saamhorigheid en samenwerking ontstaan, zodat allen niet alleen vrije burgers van eenzelfde maatschappij genoemd kunnen worden en ook werkelijk zijn, maar ook broeders van eenzelfde gezin.

Overigens zal men bij een eerlijke beschouwing van de voordelen, die de dagloners in de laatste tijd hebben verkregen, moeten toegeven, dat deze voornamelijk te danken zijn aan de intense en krachtdadige actie die door katholieken, volgens de wijze richtlijnen en herhaalde aansporingen van Onze Voorgangers, op sociaal gebied is gevoerd. Zij dus die zich opwerpen als verdedigers van de rechten van de lagere klassen, vinden reeds in de christelijke sociale leer de veilige en zekere normen, die, als zij op de juiste wijze worden uitgevoerd, deze rechten voldoende waarborgen.

Valse leer

Zij behoeven dus nooit hulp te zoeken bij de aanhangers van een leer die door de Kerk is veroordeeld; want al trachten deze laatsten hen met valse beloften aan te lokken, toch schrikken zij er in feite niet voor terug, als zij eenmaal de macht in handen hebben, om aan de burgers de hoogste geestelijke goederen - het christelijk geloof, de christelijke hoop en de christelijke geboden - te ontnemen, en eveneens datgene wat door de moderne mens en de moderne beschaving boven al het andere wordt gesteld, nl. de rechtmatige vrijheid en de echte waardigheid van de menselijke persoon, wordt door hen aangetast of zelfs geheel vernietigd; op die manier pogen zij de grondslagen zelf van beschaving en christendom te ondermijnen.

Zij dus, die de naam van christen werkelijk willen bewaren, zijn daarom in geweten ernstig verplicht zich verre te houden van deze valse leerstellingen, die reeds door Onze Voorgangers en met name door Pius XI en Pius XII zijn veroordeeld en die ook Wij opnieuw veroordelen.

Wij zijn ervan op de hoogte dat velen van Onze zonen die minder gefortuneerd zijn of in zeer armoedige omstandigheden leven er zich dikwijls over beklagen dat de christelijke, sociale leer nog niet volledig in praktijk is gebracht. Daarom moeten alle mogelijke krachten worden ingespannen - niet alleen door particulieren, maar vooral door leidende instanties in de Staat - om de christelijke sociale leer, die door Onze Voorgangers herhaaldelijk, duidelijk en met zoveel wijsheid is uiteengezet en vastgelegd en die ook Wij bekrachtigen, zo spoedig mogelijk, alhoewel geleidelijk, werkelijk en op degelijke wijze door te voeren. Vgl. Paus Pius XII, Toespraak, Over o.a. St. Jozef en arbeiders en werklieden - Tot de leden van de christelijke werkliedenverenigingen van Italië tijdens hun congres in Rome, Il Nostro Predecessore (11 mrt 1945)

Tot de ontheemden en emigranten

Niet minder zijn Wij bezorgd voor het lot van hen die vanwege de noodzakelijkheid om een bestaan te vinden of vanwege de droevige situatie in hun vaderland en de godsdienstvervolgingen aldaar hun land hebben moeten verlaten. Want hoeveel moeilijkheden moeten zij ondervinden en hoeveel gebrek moeten zij lijden door het feit, dat zij uit hun vaderland naar verre landen zijn overgebracht.

Dikwijls moeten zij in grote steden en in het lawaai van de fabrieken een leven leiden dat zozeer afwijkt van hun traditionele levensgewoonten en dat soms, wat nog erger is, een zeer schadelijke en nadelige invloed heeft op de christelijke deugd. Deze omstandigheden hebben niet zelden tot gevolg dat velen in ernstig gevaar komen en langzamerhand hun gezonde traditionele godsdienstpraktijk laten varen. Bovendien komt het vaak voor dat man en vrouw, ouders en kinderen van elkaar gescheiden worden en dat zo de hechte band van het gezinsleven verzwakt tot nadeel van de gezinseenheid.

Wij volgen daarom met vaderlijke belangstelling het verdienstelijk en vruchtbaar werk van die priesters die, uit liefde tot Jezus Christus en overeenkomstig de richtlijnen en verlangens van de Apostolische Stoel, vrijwillig in ballingschap gaan en geen moeite teveel achten om het geestelijk en maatschappelijk welzijn van deze zonen zo goed mogelijk te behartigen; en zij doen dit, opdat deze ballingen overal de liefde van de Kerk zouden voelen, die des te groter en meer daadwerkelijk is, naarmate zij haar zorg en hulp meer nodig hebben.

Eveneens zien en begroeten Wij met grote vreugde de edelmoedige pogingen die met betrekking tot dit belangrijke probleem door verschillende naties zijn ondernomen en ook de recente plannen en initiatieven die in internationaal verband naar voren zijn gebracht, om deze zeer ernstige kwestie zo spoedig mogelijk tot de gewenste oplossing te brengen. Dit alles zal, naar Wij vast vertrouwen, niet alleen de mogelijkheid tot emigratie verruimen en vergemakkelijken, maar ook bijdragen tot een gelukkig herstel van de gezinseenheid; en als het gezinsleven goed geregeld is, kan het een krachtige bescherming bieden voor het godsdienstig, zedelijk en economisch welzijn van de emigranten, terwijl tevens de landen die hen gastvrij opnemen ermee gebaat zullen zijn.

Tot de vervolgde Kerk

Terwijl Wij zo al Onze zonen in Christus aansporen om de verderfelijke dwalingen te vermijden, die de ondergang kunnen betekenen niet alleen voor de godsdienst maar ook voor de menselijke samenleving, komen Ons de vele Eerbiedwaardige Broeders in het Episcopaat en al die dierbare priesters en gelovigen voor de geest die ofwel als ballingen zijn verdreven ofwel in concentratiekampen en gevangenissen worden vastgehouden, alleen omdat zij hun bisschoppelijk of priesterlijk ambt niet hebben willen prijsgeven en van het katholiek geloof geen afstand hebben willen doen.

Wij wensen niemand te kwetsen, Wij willen zelfs van harte aan allen vergeven en God voor hen om vergiffenis bidden.

Maar de plicht van Ons heilig ambt eist van Ons, dat Wij de rechten van deze broeders en zonen met alle middelen beschermen; dat Wij erop blijven aandringen, dat de wettige vrijheid, die aan alle mensen en daarom ook aan de Kerk Gods toekomt, ook in feite aan allen wordt gegeven. Zij die de waarheid, de rechtvaardigheid en het welzijn van individuen en volkeren nastreven, ontkennen de vrijheid niet, beperken de vrijheid niet en onderdrukken de vrijheid niet; want zij behoeven een dergelijk middel niet te gebruiken. En daarom kan de rechtmatige welvaart van de burgers nooit worden verwezenlijkt door geweld of door geestelijke dwang.

En Wij menen dat vooral dit voor iedereen moet vaststaan: als men de heilige rechten van God en godsdienst negeert of geweld aandoet, dan raken, vroeg of laat, de grondslagen zelf van de menselijke samenleving aan het wankelen en storten volledig ineen, volgens het wijze woord van Onze Voorganger Leo XIII, onsterfelijker gedachtenis: "Uit de aard der zaak volgt, dat, als de hoogste en eeuwige idee van een gebiedende en verbiedende God wordt verworpen, de kracht van de wetten gebroken en alle gezag verzwakt wordt". Paus Leo XIII, Encycliek, Naar aanleiding van het jubeljaar bij zijn 50e verjaardag van de priesterwijding, Exeunte iam anno (25 dec 1888). A.L., vol. VIII, 1888, p. 398 En hiermede stemt overeen wat Cicero heeft gezegd: "Gij, priesters beschermt de stad met meer zorg door de godsdienst dan door de muren". Cicero, De Natura Deorum. III,40

Bij het overdenken van dit alles worden Wij met diep medelijden vervuld jegens ieder van hen die in de beleving van hun godsdienstige overtuiging worden belemmerd en tegengewerkt en die eveneens vaak "vervolging lijden om de gerechtigheid" (Mt. 5, 10) en om het rijk Gods; Wij delen in hun smarten, angsten en noden en Wij smeken God dat voor hen uiteindelijk de dageraad van een betere tijd mag aanbreken. En het is bovendien Ons vurig verlangen, dat, tezamen met Ons, ook al Onze broeders en zonen in Christus over de gehele wereld ditzelfde zullen doen, zodat vanuit alle naties als het ware een koor van smekingen zal opstijgen tot de allerbarmhartigste God om voor deze ongelukkige ledematen van het Mystieke Lichaam van Jezus Christus een overvloed van genaden te verkrijgen.

Tot de gehele Kerk

Niet alleen gebeden vragen Wij van Onze beminde zonen, maar ook een vernieuwing van het christelijk leven, die meer nog dan het gebed God gunstig kan stemmen voor onszelf en voor onze broeders.

Wij willen tot u allen opnieuw de verheven en heerlijke woorden van de Apostel der heidenen herhalen: "Houd uw aandacht gevestigd op al wat waar, op al wat rechtvaardig, op al wat heilig, op al wat aantrekkelijk en welgevallig is, op al wat deugd heet en lof verdient" (Fil. 4, 8). "Bekleed u met de Heer Jezus Christus" (Rom. 13, 14), dat is: "Bekleed u dus als Gods uitverkoren heiligen en geliefden met innige barmhartigheid, met goedheid, met ootmoed, zachtheid en lankmoedigheid trek over dit alles de liefde aan, die de band van de volmaaktheid is. In uw harten heerse ook de vrede van Christus, want daartoe zijt gij tot één Lichaam geroepen" (Kol. 3, 12-15).

Als dus iemand door zijn misdaden en zonden zich ver van de goddelijke Verlosser heeft verwijderd, laat hij dan - zo smeken Wij - tot Hem terugkeren, die "de weg, de waarheid en het leven" is (Joh. 14, 6); als iemand in de beleving van de godsdienst lauw, zwak, traag en zorgeloos is, laat hij dan zijn geloof verlevendigen en met Gods genade zijn deugd voeden, tot nieuw leven brengen en versterken; als iemand tenslotte, door de goedheid van God, "rechtvaardig is, laat hij dan steeds gerechter worden, en laat hij die heilig is nog heiliger worden" (Openb. 22, 11).

En omdat er tegenwoordig zovelen zijn die in hun nood en ellende behoefte hebben aan onze goede raad, aan ons lichtend voorbeeld en aan onze daadwerkelijke steun, moet gij allen, ieder naar vermogen en krachten, u wijden aan de werken der charitas, die God zo bijzonder aangenaam zijn.

Als ieder van u dit alles in praktijk tracht te brengen, dan zal men in de Kerk opnieuw zien schitteren, wat in de brief aan Diognetus zo prachtig van de Christenen staat geschreven: "Zij zijn in het vlees, maar leven niet naar het vlees. Zij verblijven op aarde, maar hebben hun vaderland in de hemel. Zij gehoorzamen aan de bestaande wetten, maar staan door hun leven boven de wetten Zij worden genegeerd en veroordeeld; zij worden ter dood gebracht en herleven. Zij zijn arm en maken velen rijk; zij hebben aan alles gebrek en hebben alles in overvloed. Zij worden versmaad en in hun versmading geëerd; zij worden beroofd van hun goede naam en men legt getuigenis af van hun gerechtigheid. Zij worden berispt en zij zegenen; zij worden met verachting behandeld en zij bewijzen eer. Wanneer zij goed doen, worden zij gestraft als misdadigers; wanneer zij gestraft worden, verheugen zij zich, als werd hun het leven geschonken. In één woord: wat de ziel is in het lichaam, zijn de Christenen in de wereld" Apostolische Vader, Brief aan Diognetus. Funk, Patres Apostolici I, 399-401; cfr. Migne, P.G., II, 1174 -1175)

Veel van wat hier in zo verheven woorden wordt gezegd is speciaal van toepassing op hen die behoren tot de "zwijgende" Kerk en voor wie wij allen heel bijzonder verplicht zijn te bidden, zoals Wij nog kort geleden in de toespraken, die Wij op Pinksteren en op het feest van het H. Hart van Jezus in de St.Pieter hebben gehouden, aan alle gelovigen dringend op het hart hebben gedrukt cfr. Osservatore Romano 18-19 mei 1959; (7 juni 1959).

Deze vernieuwing van christelijk leven, deze deugd en heiligheid wensen Wij u allen toe en smeken Wij voor u van God in voortdurend gebed af: niet alleen voor hen die standvastig in eenheid met de Kerk verbonden blijven, maar ook voor hen die, in liefde voor de waarheid en met een eerlijke wil, deze eenheid trachten te bereiken.

Document

Naam: AD PETRI CATHEDRAM
Over waarheid, eenheid en vrede in de geest van liefde
Soort: H. Paus Johannes XXIII - Encycliek
Auteur: H. Paus Johannes XXIII
Datum: 29 juni 1959
Copyrights: © 1959, Katholiek Archief jrg. 14, nr. 35, pag. 829-848
Bewerkt: 12 maart 2021

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Inhoudsopgave van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2021, Stg. InterKerk, Schiedam