• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x

Met het thema God zijn twee thema's verbonden die een stempel hebben gedrukt op de dagen van het bezoek aan Beieren: het thema van het priesterschap en dat van de dialoog. Paulus noemt Timotheüs - en in hem de bisschop en in het algemeen de priester - "man Gods" (1 Tim. 6, 11). Dit is de centrale opdracht van de priester: God naar de mensen brengen. Uiteraard kan hij dat alleen maar als hij zelf van God komt, als hij met God en van God leeft. Dat is prachtig uitgedrukt in een vers van een priesterlijke Psalm dat wij - de oude generatie - hebben uitgesproken bij de toelating tot de clericale staat: "De Heer is mijn erfdeel, mijn dronk uit de beker, Hij heeft mijn lot in zijn hand" (Ps. 16, 5).

De bidderpriester van deze Psalm interpreteert zijn bestaan vanuit de vorm van landverdeling zoals deze in Deuteronomium is vastgelegd Vgl. Deut. 10, 9 . Na de inbezitname van het Land kreeg elke stam door het lot zijn deel van het heilig Land en heeft daarmee deel aan de gave die aan het Stamhoofd Abraham is beloofd. Alleen de stam Levi krijgt geen gebied: zijn land is God zelf. Deze vaststelling had uiteraard een volledig praktische betekenis. De priesters leefden niet zoals de andere stammen van het bewerken van het land, maar van de offergave.

Toch gaat deze vaststelling nog veel dieper. Het ware fundament van het leven van de priester, de bodem van zijn bestaan, het land waar hij leeft is God zelf. Terecht heeft de Kerk in deze oudtestamentische uitleg van het priesterlijke bestaan - een uitleg die bij herhaling ook in psalm 118 voorkomt - een uitleg gezien van wat de priesterlijke zending met zich brengt in het voetspoor van de Apostelen, in de communio met Jezus zelf. De priester kan en moet ook vandaag de dag met de leviet zeggen: "Dominus pars hereditatis meae et calicis mei". God zelf is mijn deel van het land, het uitwendig en inwendig fundament van mijn bestaan.

Dit theocentrisch karakter van het priesterlijk bestaan is juist in onze volledig functionalistische wereld noodzakelijk, waarin alles gefundeerd wordt op berekenbare en verifieerbare prestaties. De priester moet God waarachtig van binnenuit kennen en Hem zo naar de mensen brengen: aan deze dienst heeft de mensheid van vandaag bovenal behoefte. Als in een priesterleven deze centrale plaats van God verloren gaat, loopt geleidelijk aan ook de ijver weg om zich in te zetten. In de overmaat aan uitwendige zaken ontbreekt het centrum dat zin geeft aan alles en dat alles tot eenheid herleidt. Daar ontbreekt dan het fundament van het leven, de "aarde", waarop dit alles kan rusten en vrucht dragen.

Het celibaat, dat in heel de oosterse en de westerse Kerk voor de bisschoppen geldt en dat, volgens een traditie die teruggaat tot een tijd die dicht bij die van de Apostelen ligt, in de Latijnse Kerk voor de priesters in het algemeen geldt, kan uiteindelijk alleen maar begrepen en beleefd worden op basis van deze grondhouding. De louter praktische argumenten, de verwijzing naar de grotere beschikbaarheid, volstaan niet: een dergelijke grotere beschikbaarheid in tijd zou gemakkelijk tot een soort egoïsme kunnen worden, dat zich de offers en de inspanningen bespaart van het elkaar in het huwelijk wederzijds aanvaarden en verdragen; het zou zo kunnen leiden tot een geestelijke verarming en tot een hardheid van hart.

Het ware fundament van het celibaat kan alleen besloten liggen in de uitdrukking: Dominus pars - Gij zijt mijn land, mijn erfdeel. Het kan alleen maar theocentrisch zijn. Het mag niet betekenen dat men verstoken blijft van de liefde, maar moet betekenen dat men zich laat zich laat meenemen door de hartstocht voor God, en dat men vervolgens, dankzij een inniger band met Hem, leert om ook de mensen te dienen. Het leven laten steunen op Hem onder afzien van huwelijk en gezin, betekent dat ik God aanvaard en ervaar als een werkelijkheid en hem daarom kan brengen naar de mensen. Onze totaal positivistisch geworden wereld, waarin God op zijn hoogst als hypothese meespeelt maar niet als concrete realiteit, heeft dit steunen op God op een zo concreet en zo radicaal mogelijke manier nodig. Zij heeft het getuigenis voor God nodig dat gelegen is in de keuze om God te ontvangen als het land waarop het eigen bestaan wordt gegrondvest.

Daarom is het celibaat juist vandaag de dag in onze actuele wereld zo belangrijk, ook al is de vervulling ervan in onze tijd voortdurend bedreigd en ter discussie gesteld. Daarvoor is een zorgvuldige voorbereiding nodig gedurende heel de weg naar dit doel; een volhardende begeleiding van de kant van de Bisschop, van bevriende priesters en van leken, die samen dit priesterlijk getuigenis ondersteunen. Daar is het gebed voor nodig dat zonder ophouden God aanroept als de levende en dat op Hem steunt zowel in de uren van verwarring als in de uren van vreugde. Op die manier kan in tegenstelling tot de culturele "trend" die ons ervan probeert te overtuigen dat wij niet in staat zijn dergelijke beslissingen te nemen, dit getuigenis worden beleefd en zo kan het in deze wereld God opnieuw als werkelijkheid in het spel brengen.

Document

Naam: TOT DE ROMEINSE CURIE BIJ GELEGENHEID VAN HET NADERENDE KERSTFEEST 2006
In de Sala Clementina
Soort: Paus Benedictus XVI - Toespraak
Auteur: Paus Benedictus XVI
Datum: 22 december 2006
Copyrights: © 2006, Libreria Editrice Vaticana
Vertaling vanuit het Italiaans en
nummering hoofdalinea's en indeling in kleinere alinea's: Past. Chr. van Buijtenen, pr.
Bewerkt: 28 december 2017

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
 
|
Pagina delen: 
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2019, Stg. InterKerk, Schiedam