• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x
MUSICAM SACRAM
Over de muziek in de Heilige Liturgie
HOOFDSTUK 2  -  Zij, die optreden bij de liturgische plechtigheden

HOOFDSTUK 2 - Zij, die optreden bij de liturgische plechtigheden

De liturgische handelingen zijn vieringen van de Kerk, het heilig volk, verenigd en geordend onder de leiding van de bisschop of de priester. Vgl. 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de heilige liturgie, Sacrosanctum Concilium (4 dec 1963), 26.41-42 Vgl. 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk, Lumen Gentium (21 nov 1964), 28 Hierbij nemen een bijzondere plaats in: de priester en zijn assistenten op grond van de heilige wijding, die zij hebben ontvangen; en verder, op grond van hun dienende functie, de acolieten, de lezers, de commentatoren en de leden van het zangkoor. Vgl. 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de heilige liturgie, Sacrosanctum Concilium (4 dec 1963), 29

De priester heeft, als vertegenwoordiger van Christus, de leiding van de liturgische bijeenkomst. De gebeden, die hij luidop zingt of zegt, moeten, omdat ze worden uitgesproken in naam van heel het heilig volk en van alle aanwezigen Vgl. 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de heilige liturgie, Sacrosanctum Concilium (4 dec 1963), 33, door allen met eerbied worden aanhoord.

De gelovigen vervullen hun liturgische functie door die volledige, bewuste en actieve deelname, die door de aard van de liturgie zelf wordt vereist en waartoe het christenvolk krachtens het doopsel het recht en de plicht heeft. Vgl. 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de heilige liturgie, Sacrosanctum Concilium (4 dec 1963), 14 Deze deelname:

  1. moet op de eerste plaats innerlijk zijn, in deze zin, dat de gelovigen hun geest doen overeenstemmen met wat zij uitspreken of horen, en met Gods genade meewerken Vgl. 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de heilige liturgie, Sacrosanctum Concilium (4 dec 1963), 11;
  2. maar ze moet ook uiterlijk zijn, d.w.z. de innerlijke deelname moet tot uitdrukking komen door handelingen en de juiste lichaamshouding, door acclamaties, antwoorden en zang. Vgl. 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de heilige liturgie, Sacrosanctum Concilium (4 dec 1963), 30

Men moet de gelovigen ook leren om, luisterend naar wat de liturgische functionarissen of het koor zingen, zich daarmee innerlijk te verenigen en zo hun geest tot God te verheffen.

Er is bij een liturgische viering geen feestelijker of vreugdevoller schouwspel denkbaar dan een gemeenschap, die in haar geheel haar geloof en godsvrucht uitzingt in zang. Bijgevolg moet de actieve deelname van het gehele volk, die door de zang wordt vertolkt, met ijver worden bevorderd, en wel aldus:

  1. Ze moet op de eerste plaats omvatten de acclamaties, de antwoorden op de groet van de priester en de assistenten en op de aanroepingen in de litanieën, en verder de antifonen en psalmen, de tussen verzen of refreinen en de hymnen en cantica. Vgl. 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de heilige liturgie, Sacrosanctum Concilium (4 dec 1963), 30
  2. Door een aangepaste catechese en door oefeningen moet men het volk geleidelijk trachten te brengen tot een steeds grotere, en tenslotte volledige deelname aan de gedeelten, die voor het volk bestemd zijn.
  3. Men kan echter, vooral als de gelovigen nog niet voldoende zijn gevormd, of als meerstemmige composities worden uitgevoerd, bepaalde gezangen van het volk overlaten aan het zangkoor alleen, zonder daarbij evenwel het volk uit te sluiten van andere gedeelten, die voor volkszang bestemd zijn. Afkeurenswaardig echter is de gewoonte om de zang van het gehele "Proprium" en van het gehele "Ordinarium" aan het zangkoor alleen over te laten, zodat het volk volledig van de gezongen deelname wordt uitgesloten.
Op zijn tijd moet ook een godvruchtig stilzwijgen worden onderhouden. Vgl. 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de heilige liturgie, Sacrosanctum Concilium (4 dec 1963), 30 Hierdoor immers worden de gelovigen niet verlaagd tot vreemde of stomme toeschouwers van de liturgische handeling, maar worden zij veeleer dieper opgenomen in het geheim, dat gevierd wordt, dank zij de innerlijke gesteltenis, die voortvloeit uit het woord van God, dat men hoort, uit de gezangen en gebeden, die worden uitgesproken, en uit de geestelijke vereniging met de priester, waar hij de voor hem bestemde gedeelten bidt.
Onder de gelovigen zullen de leden van de godsdienstige verenigingen van leken met bijzondere zorg worden gevormd in de gewijde zang, zodat zij op meer actieve wijze de deelname van het volk kunnen steunen en bevorderen. Vgl. Concilium ter uitvoering van de Constitutie heilige liturgie, Instructie voor de uitvoering van de Constitutie over de heilige Liturgie, Inter Oecumenici (26 sept 1964), 19.59 De vorming van het gehele volk op het gebied van de zang moet, samen met de liturgische vorming, met ijver en geduld worden doorgevoerd, overeenkomstig leeftijd, stand, levenswijze en graad van godsdienstige ontwikkeling van de gelovigen, en wel vanaf de eerste jaren van het onderwijs op de lagere school.

Vanwege zijn liturgische functie verdient een bijzondere aandacht het zangkoor of de "kapel" of "schola cantorum".

Als gevolg van de richtlijnen van het Concilie betreffende de liturgische vernieuwing is zijn rol nog belangrijker en voornamer geworden. Het heeft immers tot taak, te zorgen voor een behoorlijke uitvoering van de gedeelten, die aan het koor zijn toegewezen, overeenkomstig de verschillende soorten van gezangen, en verder, de actieve deelname van de gelovigen aan de zang te ondersteunen. Bijgevolg:

  1. moet er een koor of kapel of schola cantorum bestaan en met ijver worden verzorgd vooral in de kathedralen en andere grotere kerken, op de seminaries en in de studiehuizen van religieuzen;
  2. is het gewenst, een dergelijk koor op te richten ook in kleinere kerken, zij het op bescheiden wijze.

De "kapellen" aan kathedralen, in kloosters of andere grotere kerken, die in de loop van de eeuwen beroemd zijn geworden door de muzikale schat van onvergelijkelijke waarde, die ze hebben bewaard en ontwikkeld, zullen blijven bestaan volgens hun eigen traditionele richtlijnen, door de ordinaris van de plaats herzien en goedgekeurd, om bij te dragen tot een meer luisterrijke viering van de liturgische plechtigheden.

De kapelmeesters en de rectoren van de kerken zullen er echter voor zorgen, dat het volk altijd deelneemt aan de zang, minstens voor de meer gemakkelijke gedeelten, die voor het volk bestemd zijn.

Vooral daar, waar zelfs de oprichting van een klein zangkoor niet mogelijk is, zorge men tenminste voor de een of andere goed gevormde zanger; hij moet althans de meer eenvoudige gezangen voorzingen, waaraan het volk deelneemt, en aan de gelovigen bij het zingen leiding en steun geven.

Het verdient aanbeveling, dat er zulk een zanger ook is in kerken, die wel een koor bezitten, voor die vieringen namelijk, waaraan het zangkoor niet kan deelnemen en die toch enige plechtigheid vereisen en dus zang.

Het zangkoor kan, overeenkomstig de rechtmatige gewoonten van de verschillende landen en naargelang van de concrete situatie, bestaan ofwel uit mannen en jongens, ofwel uitsluitend uit mannen, of uitsluitend uit jongens, ofwel uit mannen en vrouwen, en ook, waar de omstandigheden het werkelijk vereisen, uitsluitend uit vrouwen.

De plaatsing van het zangkoor zal, gelet op de bouw van iedere kerk, zo moeten zijn, dat:

  1. het eigen karakter ervan duidelijk uitkomt, nl. dat het deel uitmaakt van de bijeenkomst van de gelovigen en een bijzondere taak vervult;
  2. de uitvoering van zijn liturgische functie er door wordt vergemakkelijkt Vgl. Concilium ter uitvoering van de Constitutie heilige liturgie, Instructie voor de uitvoering van de Constitutie over de heilige Liturgie, Inter Oecumenici (26 sept 1964), 97;
  3. elk lid van het zangkoor gemakkelijk en volledig kan deelnemen aan de Mis, en wel door een sacramentele deelname.

Bestaat het zangkoor ook uit vrouwen, dan moet het een plaats krijgen buiten het priesterkoor.

Naast een muzikale vorming moeten de leden van het zangkoor ook een aangepaste liturgische en geestelijke vorming ontvangen, zodat zij door de volmaakte uitvoering van hun liturgische functie niet alleen bijdragen tot de luister van de heilige handeling en aan de gelovigen een goed voorbeeld geven, maar er ook zelf geestelijk voordeel uit trekken.
Voor een gemakkelijker doorvoering van deze technische en geestelijke vorming zullen de diocesane, nationale en internationale verenigingen voor gewijde muziek graag hun steun verlenen, vooral die, welke door de Apostolische Stoel zijn goedgekeurd en herhaaldelijk zijn aanbevolen.
De celebrant, de assistenten, de acolieten, de lezer, de leden van het zangkoor en de commentator zullen de hun toegewezen gedeelten uitvoeren op een goed verstaanbare wijze, zodat het antwoord van het volk, waar de ritus dit vereist, er gemakkelijker door wordt en als het ware spontaan wordt gegeven. Het verdient aanbeveling, dat de celebrant en alle dienaars met de gehele gemeenschap van de gelovigen meezingen bij de gedeelten, die door het volk worden gezongen. Vgl. Concilium ter uitvoering van de Constitutie heilige liturgie, Instructie voor de uitvoering van de Constitutie over de heilige Liturgie, Inter Oecumenici (26 sept 1964), 48

Document

Naam: MUSICAM SACRAM
Over de muziek in de Heilige Liturgie
Soort: Congregatie voor de Riten
Auteur: Jacobus Kard. Lercaro
Datum: 5 maart 1967
Copyrights: © 1967, Ecclesia Docens 0799, Uitg. Gooi & Sticht, Hilversum
Bewerkt: 7 november 2019

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Inhoudsopgave van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2020, Stg. InterKerk, Schiedam