• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x

De celebrant staat aan het hoofd van de gehele liturgische handeling. Alle overigen nemen op de hun eigen wijze aan de liturgische handeling deel. Derhalve:

  1. Geestelijken, die op de manier en in de vorm door de rubrieken bepaald, of als geestelijken, bij de liturgische plechtigheid aanwezig zijn, hetzij in de functie van hogere assistenten of lagere dienaren, hetzij ook in koor of schola hun taak volbrengend, vervullen een eigen en directe dienende taak, en wel krachtens hun wijding of opneming in de geestelijke stand;
  2. Leken echter brengen een werkzame liturgische deelname op, en wel krachtens het merkteken van het Doopsel, waardoor zij ook bij het allerheiligst Offer van de Mis naar eigen wijze het goddelijk offerlam aan God de Vader met de priester offeren Vgl. Paus Pius XII, Encycliek, Over het mystieke lichaam van Christus en over de vereniging die wij daarin bezitten met Christus, Mystici Corporis Christi (29 juni 1943), 79-81. AAS 35 (1943) 232-233 Vgl. Paus Pius XII, Encycliek, Over de Heilige Liturgie, Mediator Dei et hominum (20 nov 1947), 88-92;
  3. Wanneer echter leken van het mannelijk geslacht, hetzij jongens, jongelieden of mannen, door de bevoegde kerkelijke overheid tot de altaardienst of tot uitvoering van gewijde muziek worden afgevaardigd, dan vervullen zij, indien zij deze taak op de door de rubrieken vastgestelde wijze en vorm volbrengen, een wel directe dienende taak, maar een gedelegeerde, echter op voorwaarde, als het over de zang gaat, dat zij een koor of een schola vormen.

De celebrant en de gewijde assistenten moeten, behalve een accurate onderhouding van de rubrieken, er naar streven om de te zingen gedeelten op de juiste wijze, duidelijk en schoon te volbrengen, voor zover het in hun vermogen ligt.

Zo dikwijls als er voor het vieren van een liturgische handeling een keuze van personen gedaan kan worden, is het goed aan hen de voorkeur te geven, van wie men weet dat zij beter kunnen zingen; vooral als het gaat over meer solemnele liturgische plechtigheden en over die welke of een moeilijker zang vragen of door radio en televisie worden uitgezonden.

De werkzame deelname van de gelovigen, vooral aan de heilige Mis en aan bepaalde meer ingewikkelde liturgische plechtigheden, zal gemakkelijker verkregen kunnen worden door het optreden van een commentator, die, te juister tijd en met weinig woorden, de riten zelf of de gebeden en lezingen van celebrant of gewijde assistenten verklaart en de uitwendige deelname van de gelovigen, nl. hun antwoorden, bidden en zingen, leidt. Een dergelijke commentator kan toegelaten worden, met inachtneming van de volgende nor- men:

  1. Het is passend, dat de functie van commentator door een priester of minstens door een geestelijke wordt vervuld; bij gebreke hieraan kan deze aan een mannelijke leek worden opgedragen, door zijn christelijke levenswandel aanbevolen en in zijn functie goed onderricht. Vrouwen echter kunnen nooit de functie van commentator vervullen; slechts dit wordt toegestaan, dat ingeval van nood een vrouw het zingen of bidden van de gelovigen als het ware voorgaat.
  2. Indien de commentator een priester of geestelijke is, zij hij in toog gekleed en opgesteld in het priesterkoor of bij het hek, ofwel op de ambo of de preekstoel; is hij echter een leek, dan stelle hij zich op voor de gelovigen, op de meest geschikte plaats, maar niet in het priesterkoor of op de preekstoel.
  3. De verklaringen en aansporingen door de commentator te geven moeten schriftelijk voorbereid zijn, weinig in aantal, opvallend door soberheid, te juister tijd en met gematigde stem uitgesproken; zij moeten nooit de gebeden van de celebrant overstemmen; kortom: zij moeten zo worden gegeven, dat zij de godsvrucht van de gelovigen tot steun, niet tot nadeel strekken.
  4. Bij het leiden van het gebed van de gelovigen, zal de commentator de voorschriften indachtig zijn, waarover boven n. 14 c.
  5. In de plaatsen, waar de H. Stoel het voorlezen van Epistel en Evangelie in de volkstaal, na het zingen van de Latijnse tekst heeft toegestaan, mag de commentator voor deze voorlezing zich niet in de plaats stellen van de celebrant, diaken, subdiaken of lezer (vgl. n. 16 c).
  6. De commentator houde rekening met de celebrant en begeleide de gewijde plechtigheid zo dat deze noch vertraagd behoeft te worden noch onderbroken, zodoende dat de gehele liturgische plechtigheid harmonisch, waardig en vroom verloopt.
Allen die in de gewijde muziek een aandeel hebben, zoals daar zijn componisten, organisten, koordirigenten, zangers, of ook musici, moeten voor alles, aangezien zij direct of indirect aan de heilige liturgie deelnemen, boven de andere gelovigen door hun voorbeeldig christelijk leven uitblinken.

Behalve genoemde voorbeeldigheid van geloof en christelijke zeden, moeten zij ook in verhouding tot hun levensomstandigheden en hun deelname aan de liturgie, een meer of minder groot onderricht gevolgd hebben in de heilige liturgie en de gewijde muziek. En wel:

  1. Componisten van gewijde muziek moeten een ruim voldoende kennis bezitten van de heilige liturgie zelf, onder historisch, dogmatisch of leerstellig en praktisch of rubricistisch opzicht; ook de Latijnse taal moeten zij beheersen; en in de wetten tenslotte van de gewijde en van de profane muziekkunst, en in de muziekgeschiedenis moeten zij een diepgaand onderricht hebben gehad.
  2. Ook de organisten en koorleiders moeten een ruim voldoende kennis van de heilige liturgie hebben en voldoende kennis van de Latijnse taal; tenslotte moeten zij ieder in de eigen kunst zulke vorming hebben gehad, dat zij hun functie waardig en deskundig kunnen vervullen.
  3. Ook aan de zangers, kleine zowel als grote, moet een zodanige aan hun bevattingsvermogen aangepaste kennis van de liturgische plechtigheden en teksten, die zij te zingen hebben, worden bijgebracht, dat zij de gezangen zelf met dat begrip en meeleven kunnen uitvoeren, als wordt vereist door de "redelijke gehoorzaamheid" van hun dienst. Men lere hen ook, de Latijnse woorden juist en duidelijk uit te spreken. De kerkbestuurders, of zij wie het aanbelangt, moeten volijverig toezien, dat op de plaats, waar de zangers in de kerk staan, een goede orde en een oprechte devotie heerst.
  4. De musici ten slotte, die de gewijde muziek zullen uitvoeren, moeten niet alleen ieder wat zijn eigen instrument betreft, bedreven zijn in de regels van de kunst, maar ook het gebruik daarvan aan de wetten van de gewijde muziek goed kunnen aanpassen, en zij moeten zo'n kennis van de liturgie bezitten, dat zij de uiterlijke kunstbeoefening op de juiste wijze weten te verbinden met een devote godsvrucht.

Het is zeer wenselijk dat kathedrale kerken en minstens parochiekerken of andere van meer belang, een eigen en vast muziekkoor of schola hebben, dat een echte diensttaak kan vervullen volgens de norm van artikel 93 a en c.

Indien ergens zo'n koor niet kan worden opgericht, wordt de oprichting toegestaan van een koor van gelovigen, hetzij een gemengd, hetzij van vrouwen of meisjes alleen. Zulk een koor worde op een eigen plaats opgesteld, buiten het priesterkoor of buiten het hek; de mannen moeten gescheiden van de vrouwen of meisjes worden opgesteld, met zorgvuldige vermijding van alles wat niet passend is. En de plaatselijke Ordinarissen mogen niet nalaten ter zake precieze normen uit te vaardigen, omtrent de naleving waarvan de kerkbestuurders verantwoording moeten afleggen. Vgl. Decr. Auth. S.R.C. 3964, 4210 en 4231 Paus Pius XII, Encycliek, Over de gewijde muziek, Musicae sacrae disciplina (25 dec 1955). AAS 4S (1956) 23

Het is te wensen en aan te raden dat organisten, koorleiders, zangers, musici en andere mensen die in dienst van de kerk zijn, hun werk uit godsvrucht en godsdienstzin ter liefde Gods verrichten, zonder dat een geldelijke beloning wordt gegeven. Maar indien zij dat werk niet voor niets kunnen doen, dan vraagt de christelijke rechtvaardigheid evenzeer als de liefde, dat de kerkelijke overheden, in overeenstemming met de verschillende en beproefde plaatselijke gewoonten, en eveneens met onderhouding van de verordeningen van de burgerlijke wetten, aan hen een rechtvaardig loon uitbetalen.
Het past verder, dat de plaatselijke Ordinarissen, na het oordeel van de Commissie voor gewijde muziek te hebben gehoord, een lijst opmaken waarin de beloning, aan de verschillende in het vorig artikel genoemde personen uit te betalen, voor het gehele diocees wordt vastgesteld.

Tenslotte is het plicht dat voor dezelfde personen alles met zorg wordt uitgevoerd wat betrekking heeft op de z.g. "sociale voorzieningen", met inachtneming van de burgerlijke wetten, indien deze bestaan, of bij afwezigheid hiervan, van de nonnen die door dezelfde Ordinarissen moeten worden gegeven.

Document

Naam: INSTRUCTIO DE MUSICA SACRA ET SACRA LITURGIA
Over gewijde muziek en de heilige Liturgie
Soort: Congregatie voor de Riten
Auteur: Gaetano Kard. Cicognani
Datum: 3 september 1958
Copyrights: © 1959, Katholiek Archief 14e jrg., nr. 9/10 p. 193-216
Bewerkt: 30 mei 2019

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Inhoudsopgave van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
Trefwoordenlijst voor dit document
 
|
Pagina delen: 
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2019, Stg. InterKerk, Schiedam