• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x
De evangelische boodschap van het sociale leven
De sociale leer van de Kerk is voortgekomen uit de ontmoeting van de evangelische boodschap en haar eisen,die kort worden samengevat in het grootste gebod van de liefde tot God en de naaste en in de rechtvaardigheid, Vgl. Mt. 22, 37-40 Vgl. Rom. 13, 8-10 met de problemen die uit het leven van de samenleving voortvloeien. Zij is tot leer geworden, door gebruik te maken van de bronnen van wijsheid en van de menswetenschappen; zij gaat over de ethische aspecten van dit leven en houdt de nodige rekening met de technische aspecten, maar altijd om ze vanuit moreel gezichtspunt te beoordelen.

Daar deze leer in wezen op het handelen gericht is, ontwikkelt ze zich overeenkomstig de veranderende omstandigheden van de geschiedenis. Juist daarom laat ze, hoewel ingegeven door beginselen die altijd geldig zijn, wisselende beoordelingen toe. In plaats van een gesloten stelsel te vormen, blijft ze steeds open voor de nieuwe vragen die zich voortdurend aandienen en vereist de bijdrage van alle charisma's, ervaringen en kundigheden. Als 'deskundige in menselijkheid' biedt de Kerk met haar sociale leer een geheel van beginselen tot bezinning en beoordelingsnormen Vgl. H. Paus Paulus VI, Apostolische Brief, Aan Maurice Kardinaal Roy, bij gelegenheid van de 80ste verjaardag van Rerum Novarum, Octogesima Adveniens (14 mei 1971), 4 Vgl. H. Paus Johannes Paulus II, Toespraak, De beginselen van de geloofsverkondiging, Tot de Bisschoppen van Latijns-Amerika bij de Opening van hun derde conferentie in Puebla (Mexico) (28 jan 1979), 19 en vandaar uit richtlijnen tot handelen, Vgl. H. Paus Johannes XXIII, Encycliek, Moderne ontwikkeling van het sociale leven en de christelijke beginselen, Mater et Magistra (15 mei 1961), 240-241 om de grondige veranderingen te verwezenlijken, welke de situaties van ellende en onrechtvaardigheid vereisen, en wel op een wijze die bijdraagt aan het echte welzijn van de mensen.

Grondbeginselen
Het hoogste gebod van de liefde leidt tot de volle erkenning van de waardigheid van ieder mens, die naar het beeld van God is geschapen. Uit deze waardigheid vloeien natuurlijke rechten en plichten voort. In het licht van het beeld van God komt de vrijheid als wezenlijke eigenschap van de menselijke persoon in heel haar diepte naar voren: de personen zijn de actieve en verantwoordelijke subjecten van het sociale leven. Vgl. 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk in de wereld van deze tijd, Gaudium et Spes (7 dec 1965), 25 Met de waardigheid van de mens als grondslag, zijn het solidariteitsbeginsel en het subsidiariteitsbeginsel nauw verbonden. Krachtens het eerste moet de mens met zijn medemensen bijdragen aan het algemeen welzijn van de samenleving op alle niveaus. Vgl. H. Paus Johannes XXIII, Encycliek, Moderne ontwikkeling van het sociale leven en de christelijke beginselen, Mater et Magistra (15 mei 1961), 150-156 Daarom verzet de leer van de Kerk zich tegen alle vormen van sociaal of politiek individualisme. Krachtens het tweede mogen noch de staat noch enige samenleving zich ooit het initiatief en de verantwoordelijkheid toe-eigenen van personen en tussenliggende gemeenschappen op die gebieden waar zij zelf kunnen handelen, noch de nodige ruimte voor hun vrijheid teniet doen. Vgl. Paus Pius XI, Encycliek, Over de aanpassing van de sociale orde, Quadragesimo Anno (15 mei 1931), 79-80 Vgl. H. Paus Johannes XXIII, Encycliek, Moderne ontwikkeling van het sociale leven en de christelijke beginselen, Mater et Magistra (15 mei 1961) Vgl. H. Paus Johannes XXIII, Encycliek, Vrede op aarde, Pacem in Terris (11 apr 1963) Daarom verzet de sociale leer van de Kerk zich tegen alle vormen van collectivisme.
Beoordelingsnormen
Deze beginselen zijn de grondslag van de normen om situaties, structuren en sociale stelsels te beoordelen. Zo aarzelt de Kerk niet levenssituaties te veroordelen, die de waardigheid en vrijheid van de mens aantasten. Deze normen maken het bovendien mogelijk de waarde van de structuren te beoordelen. Deze zijn een geheel van instellingen en praktijken die de mensen op nationaal en internationaal vlak als reeds bestaand aantreffen of ze scheppen, en die richting geven aan het economische, sociale en politieke leven of dat organiseren. Op zich noodzakelijk, hebben ze dikwijls de neiging te verstarren en vaste vorm aan te nemen in mechanismen die betrekkelijk onafhankelijk zijn van de menselijke wil en op die manier de sociale ontwikkeling verlammen of doen ontaarden en het onrecht veroorzaken. Zij hangen echter altijd van de verantwoordelijkheid van de mens af, die ze kan wijzigen, en niet van een zogenaamd historisch determinisme. Wanneer ze overeenkomen met de natuurwet en gericht zijn op het algemeen welzijn, waarborgen de instellingen en wellen de vrijheid van de personen en de bevordering ervan. Niet alle dwingende aspecten van de wet kunnen worden veroordeeld, noch de duurzaamheid van een rechtsstaat welke die naam waard is. Men kan daarom spreken van structuren die door de zonde zijn getekend, terwijl de structuren als zodanig niet kunnen worden veroordeeld. Genoemde beoordelingsnormen betreffen ook de economische, sociale en politieke stelsels. De sociale leer van de Kerk stelt geen speciaal stelsel voor, maar in het licht van haar grondbeginselen vermag zij vooral te zien in hoeverre de bestaande stelsels al of niet overeenstemmen met de eisen van de menselijke waardigheid.
Voorrang aan personen boven structuren

De Kerk is zich natuurlijk bewust van de ingewikkeldheid van de problemen waaraan de samenlevingen het hoofd moeten bieden en van de moeilijkheden om er geschikte oplossingen voor te vinden. Toch meent zij, dat op de eerste plaats een beroep moet worden gedaan op de geestelijke en morele vermogens van de persoon en de voortdurende eis tot innerlijke bekering, wanneer men economische en sociale veranderingen wil bereiken, die werkelijk ten dienste van de mensen slaan. De voorrang welke aan de structuren en de technische organisatie wordt gegeven boven de persoon en de eisen van zijn waardigheid, is de uiting van een materialistische antropologie en is in strijd met de opbouw van een rechtvaardige sociale orde. Vgl. H. Paus Paulus VI, Postsynodale Apostolische Exhortatie, Over de Evangelisatie in de Moderne Wereld, Evangelii Nuntiandi (8 dec 1975), 18 Vgl. Congregatie voor de Geloofsleer, Instructie over bepaalde aspecten van de "Theologie van de Bevrijding", Libertatis nuntius (6 aug 1984), 82. XI, 9: AAS 76 (1984), p. 901 Maar de voorrang welke aan de vrijheid en de bekering van het hart wordt toegekend, neemt op geen enkele manier de noodzaak weg de onrechtvaardige structuren te veranderen. Het is daarom volledig terecht, dat zij die lijden onder onderdrukking van de kant van de rijken of de politieke machten, zich met moreel geoorloofde middelen te weer stellen om structuren en instellingen te verkrijgen, waarbinnen hun rechten werkelijk worden geëerbiedigd. Staan blijft niettemin, dat de structuren die aangebracht zijn voor het welzijn van personen, deze op zich alleen niet kan bieden en waarborgen. Het bewijs hiervan is de corruptie die in bepaalde landen de leiders en de staatsbureaucratie aantast en elk oprecht sociaal leven vernietigt. De morele onkreukbaarheid is een voorwaarde voor een gezonde samenleving. Er moet dus evenzeer aan de bekering van de harten worden gewerkt als aan de verbetering van de structuren, omdat de zonde die aan de oorsprong van de onrechtvaardige situaties staat, in haar eigenlijke en eerste betekenis een wilsdaad is, die voorkomt uit de vrijheid van de persoon. En alleen in afgeleide en bijkomstige zin wordt ze toegepast op de structuren en kan van 'sociale zonde' worden gesproken. Vgl. H. Paus Johannes Paulus II, Postsynodale Apostolische Exhortatie, Over de verzoening en boete in de zending van de Kerk in deze tijd, Reconciliatio et paenitentia (2 dec 1984), 16 In het bevrijdingsproces mag men bovendien de historische situatie niet buiten beschouwing laten, noch de culturele eigenheid van een volk aantasten. Bijgevolg mag men geen groepen tijdelijk hun gang laten gaan en nog minder hen actief steunen, die zich met geweld of door manipulatie van de openbare mening meester maken van het staatsapparaat en aan de gemeenschap wederrechtelijk een geïmporteerde ideologie opleggen, die met de echte culturele waarden van het volk in strijd is. Vgl. H. Paus Paulus VI, Apostolische Brief, Aan Maurice Kardinaal Roy, bij gelegenheid van de 80ste verjaardag van Rerum Novarum, Octogesima Adveniens (14 mei 1971), 25 In dit verband is het op zijn plaats aan de ernstige morele en politieke verantwoordelijkheid van de intellectuelen te herinneren.

Richtlijnen voor het handelen
De grondbeginselen en beoordelingsnormen inspireren de richtlijnen voor het handelen, daar het algemeen welzijn van de menselijke samenleving in dienst staat van personen, moeten de actiemiddelen in overeenstemming zijn met de waardigheid van de mens en de vorming tot vrijheid bevorderen. En dit is een veilige beoordelings- en actienorm: er is geen echte bevrijding, wanneer niet vanaf het begin de rechten van de vrijheid worden geëerbiedigd. In het stelselmatig grijpen naar geweld, dat als onvermijdelijke weg tot bevrijding wordt voorgesteld, moet als een verwoestende illusie worden veroordeeld, welke de weg baant voor nieuwe vormen van slavernij. Met gelijke kracht zal men het geweld moeten veroordelen, dat door de bezitters tegen de armen wordt gebruikt, de willekeur van de politie, evenals ook elke vorm van geweld die tot regeringssysteem is verheven. Op deze gebieden moet men lering weten te trekken uit de tragische ervaringen welke de geschiedenis van onze eeuw heeft opgedaan en nog altijd opdoet. Ook kan de schuldige lijdzaamheid van de openbare machten in bepaalde democratieën niet worden toegelaten, waar de sociale situatie van een groot aantal mannen en vrouwen geenszins overeenkomt met hetgeen de grondwettelijk gewaarborgde individuele en sociale rechten eisen.
Strijd voor de rechtvaardigheid

Wanneer zij de oprichting en het werk van verenigingen aanmoedigt, zoals de vakbonden die vechten voor de verdediging van de rechten en rechtmatige belangen van de werknemers en voor de rechtvaardigheid, staat de Kerk daarmee niet de theorie toe, welke in de klassenstrijd de structurele drijfkracht van het sociale leven ziet. De actie welke zij aanbeveelt, is niet de strijd van de ene klasse tegen de ander om de uitschakeling van de tegenstander te bereiken; deze gaat niet uit van de misplaatste onderworpenheid aan een vermeende wet van de geschiedenis. Het is een eerlijke en billijke strijd met het oog op de sociale rechtvaardigheid en solidariteit. Vgl. H. Paus Johannes Paulus II, Encycliek, Op de negentigste verjaardag van de encycliek Rerum Novarum, Laborem Exercens (14 sept 1981). 20 Vgl. Congregatie voor de Geloofsleer, Instructie over bepaalde aspecten van de "Theologie van de Bevrijding", Libertatis nuntius (6 aug 1984), 59.69-73.113-116. VII, 8; VIII, 5-9; XI, 11-14: AAS 76 (1984), pp. 891-892, 894-895 and 901-902 De christen moet altijd de voorkeur geven aan de weg van de dialoog en het onderling overleg. Christus heeft ons het gebod van de liefde tot de vijanden gegeven. Vgl. Mt. 5, 44 Vgl. Lc. 6, 27-28.35 Daarom is de bevrijding in de geest van het Evangelie onverenigbaar met het haten van de ander, zowel individueel als collectief, het haten van de vijand inbegrepen.

De mythe van de revolutie

De situaties van ernstige onrechtvaardigheid vragen de moed tot diepgaande veranderingen en de afschaffing van onrechtvaardige voorrechten. Maar zij die de weg van de hervormingen verdacht maken ten gunste van de mythe van de revolutie, koesteren niet alleen de illusie, dat opheffing van een onrechtvaardige situatie op zich volstaat om een menselijker samenleving tot stand te brengen, maar bevorderen ook de opkomst van totalitaire regimes. Vgl. Congregatie voor de Geloofsleer, Instructie over bepaalde aspecten van de "Theologie van de Bevrijding", Libertatis nuntius (6 aug 1984), 112. XI, 10: AAS 76 (1984), pp. 905-906 De strijd tegen onrechtvaardigheden heeft geen zin, wanneer ze niet wordt gevoerd met de bedoeling een nieuwe sociale en politieke orde in te voeren, welke in overeenstemming is met de eisen van de rechtvaardigheid. Deze moeten reeds de etappen van de invoering kenmerken. Er bestaat een moraliteit van de middelen. Vgl. Latijns-Amerika (CELAM), 3de Algemene Vergadering van Latijns-Amerikaanse bisschoppen Puebla (28 jan 1979) Vgl. H. Paus Johannes Paulus II, Homilie, In Drogheda, Ierland, Keer terug van de weg van het geweld (29 sept 1979)

Een laatste uitweg
Deze beginselen moeten vooral worden geëerbiedigd in het uiterste geval, dat men zijn toevlucht neemt tot de gewapende strijd, hetgeen het leergezag heeft aangeduid als laatste middel om een eind te maken aan een 'evidente en langdurige tirannie, die de elementaire rechten van de menselijke persoon met voeten treedt en het algemeen welzijn van liet land zware schade toebrengt'. H. Paus Paulus VI, Encycliek, Over de ontwikkeling van de volken, Populorum Progressio (26 mrt 1967), 31 Vgl. Paus Pius XI, Brief, Aan bisschoppen van Mexico, Firmissimam Constantiam (28 mrt 1937) De concrete toepassing van dit middel mag echter alleen worden overwogen na een zeer strenge beoordeling van de situatie. Wegens de voortdurende ontwikkeling van de aangewende technieken en de toenemende ernst van de gevaren welke het grijpen naar geweid inhoudt, opent wat vandaag 'lijdzaam verzet' wordt genoemd, een weg welke meer overeenkomt met de morele beginselen en niet minder succes belooft. Nooit kan worden toegestaan, noch van de kant van de overheid, noch van de kant van opstandige groepen, dat men zijn toevlucht neemt tot misdadige middelen zoals represailles tegen de bevolkingen, marteling, methoden van terrorisme en van berekende provocatie om tijdens volksbetogingen de dood van mensen te veroorzaken. Eveneens zijn de afschuwelijke lastercampagnes ontoelaatbaar, die een persoon geestelijk of moreel kunnen vernietigen.
De rol van de leken
Het komt niet aan de herders van de Kerk toe rechtstreeks in te grijpen in de politieke opzet en organisatie van het sociale leven. Deze taak behoort tot de roeping van de leken, die samen met hun medeburgers op eigen initiatief handelen. Vgl. 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk in de wereld van deze tijd, Gaudium et Spes (7 dec 1965), 76. nr. 3 Vgl. 2e Vaticaans Concilie, Decreet, Over het lekenapostolaat, Apostolicam Actuositatem (18 nov 1965), 7 Zij moeten bij het vervullen daarvan beseffen, dat het doel van de Kerk de verbreiding is van het rijk van Christus, opdat alle mensen worden gered en de wereld door hen werkelijk op Christus wordt gericht. Vgl. 2e Vaticaans Concilie, Decreet, Over het lekenapostolaat, Apostolicam Actuositatem (18 nov 1965), 20 Het heilswerk blijkt zo onverbrekelijk verbonden met de taak de menselijke levensomstandigheden in deze wereld te verbeteren en te verheffen. Het onderscheid tussen de bovennatuurlijke orde van het heil en de tijdelijke orde van het menselijk leven moet worden gezien binnen het ene plan van God om alles in Christus weer samen te brengen. Daarom moet de leek, die tegelijk gelovige en burger is, zich op beide terreinen voortdurend laten leiden door zijn christelijk geweten. Vgl. 2e Vaticaans Concilie, Decreet, Over het lekenapostolaat, Apostolicam Actuositatem (18 nov 1965), 5 Het sociaal handelen dat een verscheidenheid van concrete wegen kan omvatten, moet altijd gericht zijn op het algemeen welzijn en overeenkomen met de evangelische boodschap en de leer van de Kerk. Vermeden zal moeten worden, dat het verschil van keuzen de zin tot samenwerking schaadt en tot verlamming van de inspanningen leidt en verwarring onder het christenvolk veroorzaakt. De richting welke de sociale leer van de Kerk aangeeft, moet het verwerven van de onontbeerlijke technische en wetenschappelijke deskundigheden aanmoedigen. Ze moet ook het streven naar morele karaktervorming en verdieping van het geestelijk leven stimuleren. Hoewel zij beginselen en raadgevingen verstrekt, ontslaat deze leer niet van de vorming tot politieke omzichtigheid, welke voor het bestuur en beheer van de menselijke werkelijkheden is vereist.

Document

Naam: LIBERTATIS CONSCIENTIA
Over de christelijke vrijheid en bevrijding
Soort: Congregatie voor de Geloofsleer
Auteur: Joseph Kardinaal Ratzinger
Datum: 22 maart 1986
Copyrights: © 1986, Archief van Kerken
Bewerkt: 7 november 2019

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Inhoudsopgave van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2019, Stg. InterKerk, Schiedam