• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x

ERKEN DE NOOD VAN DE DAKLOZEN
Boodschap voor de Veertigdagentijd 1997

De Veertigdagentijd roept de veertig jaren in herinnering die Israël op weg naar het beloofde land in de woestijn doorbracht. In die tijd ervoer dat volk wat het betekent om zonder vaste verblijfplaats en zonder enige zekerheid in een tent te leven. Hoe vaak is niet getracht om naar Egypte terug te keren, waar ten minste het dagelijks brood, al was het slechts voedsel van de slaven, een zekerheid was. In deze netelige positie in de woestijn was het God die zijn volk van water en voedsel voorzag en het voor gevaren behoedde. Zo werd voor de Joden de ervaring van volledige afhankelijkheid van God tot een weg der bevrijding uit het knechtschap en van de vergoddelijking van dingen. De Veertigdagentijd wil de gelovigen helpen, om langs de weg van persoonlijke loutering dezelfde geestelijke route te volgen, doordat zij zich de armoede en de zwakte van het bestaan bewust worden en het zorgzame handelen van God herontdekken, die uitnodigt om de ogen te openen voor de behoeftes van de zusters en broeders in nood. De Veertigdagentijd wordt op deze wijze ook tot een tijd van solidariteit in het licht van de moeilijke situatie waarin mensen en volkeren in zo vele delen van de wereld leven.

In de Veertigdagentijd 1997, het eerste voorbereidingsjaar op het grote jubileum van het jaar 2000, wil ik nadenken over de dramatische situatie van hen die dakloos zijn. Als meditatiethema stel ik het volgende woord uit het Mattheusevangelie voor: "Ik was dakloos, maar U hebt mij opgenomen" (Mt.25, 34-35). De woning, het tehuis, is de ruimte voor de gezinsgemeenschap, de huiselijke haard, waar uit de door man en vrouw beleefde liefde de kinderen worden geboren; waar dezen zich de levensgewoonten en de morele en geestelijke principes eigen maken, die hen tot burgers en christenen van morgen doen uitgroeien. Thuis ondervindt de oude en zieke mens die sfeer van toeneiging en liefde, die hem helpt ook de dagen van het lijden en het lichamelijk verval te overwinnen. Maar hoevelen zijn helaas uitgesloten uit de karakteristieke huiselijke sfeer van menselijke warmte en geborgenheid. Ik denk zowel aan de vluchtelingen, de verdrevenen, de slachtoffers van oorlogen en natuurrampen, als aan de mensen die de zogenaamde economisch emigratie hebben ondernomen. En hoe staat het met de gezinnen van wie de woning is opgezegd of van hen die geen woning vinden, om maar te zwijgen van de grote schare van oude mensen wier pensioen niet toereikend is om zich een menswaardige woning voor een aannemelijke prijs te verwerven? Het zijn noden die soms werkelijk tot ongeluk leiden, zoals bijvoorbeeld in het alcoholisme, gewelddadigheid, prostitutie en drugsverslaving.

In verband met de wereldconferentie over het menselijke wonen, Habitat II, die in juni van dit jaar in Istanboel plaatsvond, richtte ik voor het zondagse Angelusgebed Vgl. H. Paus Johannes Paulus II, Angelus/Regina Caeli, Over de Wereldconferentie over het menselijk wonen (16 juni 1996) de attentie van allen op deze zwaarwegende problemen en onderstreepte hun urgentie, toen ik benadrukte dat het recht op woonruimte niet alleen voor individuen, maar ook voor uit meerdere personen bestaande gezinnen moet worden erkend. Als kerncel van de maatschappij heeft het gezin het volle recht op een passende woning als levensdoel, opdat de verwerkelijking van een werkelijk huiselijke gemeenschap mogelijk gemaakt wordt. De kerk bepleit dit grondrecht en weet' dat zij eraan moet bijdragen dat het werkelijk wordt erkend.

Veel zinsneden in de Bijbel wijzen duidelijk op de plicht in de behoeftes van daklozen te voorzien. Al in het Oude Testament, volgens de Tora, verdienen de vreemdelingen en daklozen in het algemeen, omdat zij aan alle gevaren zijn blootgesteld, een attente behandeling door de gelovigen. Ja, God beveelt herhaaldelijk gastvrijheid en loyaliteit aan tegenover vreemdelingen Vgl. Deut. 24, 17-18. enz. Vgl. Deut. 10, 18-19. enz. Vgl. Num. 15, 15. enz. , wanneer Hij herinnert aan de moeilijkheden die Israël zelf moest overwinnen. Jezus identificeert zich met degene die geen woning heeft: "Ik was vreemdeling en gij hebt mij opgenomen" (Mt. 25, 35), en leert dat de liefde voor hen die zich in deze situatie bevinden, in de hemel wordt beloond. De apostelen van de Heer raden de door hen gestichte gemeenschappen aan de wederzijdse gastvrijheid tot teken te maken van gemeenschap en nieuw leven in Christus. Uit liefde tot God leert de christen de noodlijdenden te helpen en met hen de eigen materiële en geestelijke goederen te delen. Deze zorg betekent niet alleen hulp aan hen die in nood zijn, maar biedt ook gelegenheid tot geestelijk wasdom voor de gever, die daardoor gestimuleerd wordt zich van de aardse goederen te ontdoen. Want er is een hogere dimensie en daar heeft Christus ons door zijn voorbeeld op gewezen: "De Mensenzoon heeft niets, waar hij zijn hoofd op kan laten rusten" (Mt. 8, 20). Op die manier wilde Hij uitdrukking geven aan zijn totale beschikbaarheid aan de hemelse Vader, wiens wil Hij vervullen wilde zonder zich aan aardse goederen te binden: Want er bestaan een voortdurend gevaar dat de aardse werkelijkheid God in de harten van de mensen verdringt. Om die reden biedt de Veertigdagentijd een door de Voorzienigheid gewilde gelegenheid om dit geestelijke loslaten van de aardse goederen te bevorderen met het doel zich voor God te openen, op wie de christen zijn hele leven zal richten in het bewustzijn geen vaste woning op deze wereld te hebben, "want ons vaderland is in de hemel" (Fil. 3, 20). Bij het feest van het paasgeheim aan het einde van de Veertigdagentijd wordt duidelijk dat de weg van de loutering zijn hoogtepunt bereikt in de vrije en liefdevolle overgave aan de Vader. Op deze wijze leert de leerling van Christus zich te distantiëren van zichzelf en zijn egoïstische belangen, om de zusters en broeders in liefde te ontmoeten.

De oproep van het evangelie om de 'dakloze' Christus ter zijde te staan, nodigt iedere gedoopte uit om de eigen werkelijkheid te erkennen, in concrete solidariteit de zusters en broeders tegemoet te treden en zich hun moeilijkheden eigen te maken. Wanneer zij zich open en loyaal tonen, kunnen de christenen de in de armen tegenwoordige Christus gemeenschappelijk en individueel dienen en getuigen van de liefde van de Vader. Christus gaat ons voor op deze weg. Zij aanwezigheid geeft kracht en bemoediging: Hij bevrijdt en maakt ons tot getuigen van de liefde.

Lieve zusters en broeders!

Laten wij met Hem zonder angst naar Jeruzalem gaan Vgl. Lc. 18, 31 en zijn uitnodiging aannemen tot ommekeer en tot een diepere verbondenheid met de heilige en barmhartige God, vooral in de tijd van genade, de veertigdagentijd. Ik wens dat zij ons allen ertoe brengt de oproep van de Heer te verstaan en ons hart te openen voor alle medemensen in nood. Terwijl ik de hemelse bescherming van Maria heel in het bijzonder voor de daklozen afsmeek, geeft ik u allen van harte de apostolische zegen.

Vaticaan, 25 oktober 1996

Paus Johannes Paulus II

Document

Naam: ERKEN DE NOOD VAN DE DAKLOZEN
Boodschap voor de Veertigdagentijd 1997
Soort: H. Paus Johannes Paulus II - Boodschap
Auteur: H. Paus Johannes Paulus II
Datum: 25 oktober 1996
Copyrights: © 1996, Analecta Bisdom Den Bosch
Bewerkt: 12 juli 2015

Referenties naar dit document

 
Geen documenten gevonden!
 
Geen berichten gevonden!

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
 
|
Pagina delen: 
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2019, Stg. InterKerk, Schiedam