• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x
De arbeid: zin van het menselijk leven
De fundamentele reden die me aanzet u het thema van de solidariteit voor te leggen ligt dus in de aard zelf van de menselijke arbeid. Het probleem van de arbeid is uitermate diep verbonden met dat van de zin van het menselijke leven. Door die band wordt de arbeid een probleem van geestelijke aard en dat is hij werkelijk. Deze constatering doet niets af aan andere aspecten van de arbeid die, zou men kunnen zeggen, gemakkelijker meetbaar zijn en waarmee op het niveau van de organisatie structuren en verschillende zaken van 'uiterlijke' aard zijn verbonden; deze zelfde constatering maakt het juist mogelijk de menselijke arbeid, hoe die ook door de mens wordt verricht, opnieuw binnen de mens te plaatsen, dat wil zeggen in het diepste van zijn menszijn. in wat hem eigen is, in wat maakt dat hij mens is en authentiek subject van de arbeid. De overtuiging dat er een wezenlijke band bestaat tussen de arbeid van iedere mens en de algemene zin van het menselijke bestaan, ligt aan de basis van de christelijke leer over de arbeid - men kan zeggen aan de basis van het 'Evangelie van de arbeid' - en die doordringt de leer en de activiteit van de Kerk op verschillende manieren in elk van de etappes van haar zending in de geschiedenis. 'Nooit meer arbeid tegen de arbeider, maar altijd de arbeid ... ten dienste van de mens': het is passend ook vandaag nog deze woorden te herhalen die dertien jaar geleden op deze zelfde plaats werden uitgesproken door paus Paulus VI H. Paus Paulus VI, Toespraak, Genève (Zwitserland), Tot de Internationale Arbeidsorganisatie (10 juni 1969), 11. Indien de arbeid altijd het welzijn van de mens moet dienen, indien het programma van vooruitgang slechts verwezenlijkt kan worden door middel van de arbeid, bestaat er dus een fundamenteel recht de vooruitgang te beoordelen op het volgende criterium: dient de arbeid werkelijk de mens? Stemt hij overeen met zijn waardigheid? Wordt de eigen zin van het menselijke leven vervuld in zijn rijkdom en verscheidenheid door de arbeid?

We hebben het recht zo over de arbeid van de mens te denken; we hebben ook de plicht dat te doen. We hebben het recht en de plicht de mens te beschouwen niet voor zover hij bruikbaar of onbruikbaar is voor de arbeid, maar de arbeid te beschouwen in zijn relatie met de mens, met iedere mens, de arbeid te beschouwen voor zover deze van nut of geen nut is voor de mens. We hebben het recht en de plicht na te denken over de arbeid, rekening houdend met de verschillende behoeften van de mens op het gebied van de geest en van het lichaam, de arbeid van de mens aldus te behandelen in iedere samenleving en in ieder systeem, in de streken waar welvaart heerst en nog meer daar waar armoede is. We hebben het recht en de plicht zo over de arbeid te spreken in zijn verhouding met de mens - en niet omgekeerd - als fundamenteel criterium voor de waardering van de vooruitgang zelf. Want de vooruitgang eist altijd een waardering en een waardeoordeel: men dient zich af te vragen of een dergelijke vooruitgang voldoende 'menselijk' is en tegelijk voldoende 'universeel'; of hij er toe dient onrechtvaardige ongelijkheden te nivelleren en een vreedzame toekomst van de wereld te bevorderen; of in de arbeid de fundamentele rechten voor iedere persoon, ieder gezin, iedere natie, zijn verzekerd. In één woord, men moet zich voortdurend afvragen of de arbeid de verwezenlijking van de zin van het menselijke leven dient. Terwijl men een antwoord zoekt op deze vragen in de ontleding van het geheel van sociaaleconomische processen, kan men de elementen en inhoud die het 'innerlijk' van de mens uitmaken, niet terzijde laten: de ontwikkeling van zijn kennis en van zijn bewustzijn. De band tussen de arbeid en de zin van het menselijke bestaan zelf getuigt altijd van het feit dat de mens niet vervreemd is door de arbeid, dat hij niet tot slaaf is gemaakt. Integendeel, bevestigt hij dat de arbeid de bondgenoot is geworden van zijn mens-zijn, hem helpt te leven in waarheid en vrijheid: in de vrijheid, opgebouwd op de waarheid die hem in staat stelt ten volle een leven te leiden dat de mens meer waardig is.

Document

Naam: TOT DE DEELNEMERS AAN DE 68E SESSIE VAN DE INTERNA­TIONALE ARBEIDSCONFERENTIE TE GENEVE
Soort: H. Paus Johannes Paulus II - Toespraak
Auteur: H. Paus Johannes Paulus II
Datum: 15 juni 1982
Copyrights: © 1982, Archief van Kerken jrg. 37 p. 1280-1291
Vert.: Archief van Kerken
Bewerkt: 7 november 2019

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2021, Stg. InterKerk, Schiedam