• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x

DE DIEPE OVEREENSTEMMING WELKE DE WAARHEID VAN DE WETENSCHAP EN DE WAARHEID VAN HET GELOOF VERBINDT
Tot de Pauselijke Academie van Wetenschappen tijdens de herdenking van Albert Einstein

Eerbiedwaardige broeders, excellentie,
dames en heren,

Ik dank u, meneer de voorzitter, hartelijk voor de warme en geestdriftige woorden die u aan het begin van uw toespraak tot mij hebt gericht. En ik verheug me met uw excellentie evenals met de heren Dirac en Weisskopf, beiden doorluchtige leden van de Pauselijke Academie van Wetenschappen, over deze plechtige herdenking van de honderdste geboortedag van Albert Einstein.

Ook de Heilige Stoel wil Albert Einstein de eer betonen die hem toekomt voor zijn uitstekende bijdrage aan de vooruitgang van de wetenschap, dat wil zeggen, aan de kennis van de waarheid welke in het mysterie van het heelal aanwezig is. Ik voel me volledig eensgezind met mijn voorganger Pius XI en hen die hem op de zetel van Petrus zijn opgevolgd, wanneer ik de leden van de Pauselijke Academie van Wetenschappen en met hen alle geleerden, uitnodig 'op steeds nobeler en intenser wijze de wetenschappen vooruit te helpen, zonder hen iets meer te vragen; en wel omdat in dit voortreffelijke doel en dit nobele werk de opdracht om de waarheid te dienen bestaat, waarmee wij hen belasten ... .' Paus Pius XI, Motu Proprio, Reorganisatie van de Pauselijke Academie van Wetenschappen, In multis solaciis (28 okt 1936). AAS 28, 1936, blz. 424.

Het zoeken van de waarheid is de taak van de fundamentele wetenschap. De onderzoeker die zich op dit eerste plan van de wetenschap beweegt wordt geheel gefascineerd door de woorden van de heilige Augustinus: 'Intellectum valde ama' - 'houdt veel van het verstand' H. Augustinus, Brieven, Epistulae. 120, 3, 13; PL 33, 459 en de functie welke haar eigen is, de waarheid te kennen. De zuivere wetenschap is een goed, dat ten zeerste onze liefde verdient, want zij is kennis en aldus vervolmaking van de mens in zijn verstandelijke vermogen. Nog afgezien van haar technische toepassingen, moet zij om haarzelf als een wezenlijk onderdeel van de cultuur in ere worden gehouden. De fundamentele wetenschap is een universeel goed dat elk volk ten overstaan van elke vorm van internationale slavernij of intellectueel kolonialisme in volledige vrijheid moet kunnen ontwikkelen.

Het fundamenteel onderzoek moet vrij staan tegenover de politieke en economische machten, die juist aan zijn ontwikkeling moeten meewerken zonder het in zijn creativiteit te belemmeren of het aan hun eigen doeleinden dienstbaar te maken. Evenals elke andere waarheid behoeft de wetenschappelijke waarheid slechts verantwoording af te leggen aan zichzelf en aan de hoogste Waarheid die God, Schepper van mensen en dingen, is.

In tweede instantie wendt de wetenschap zich tot praktische toepassingen die hun volle ontwikkeling vinden in verschillende technologieën. In de fase van haar concrete verwezenlijkingen is de wetenschap voor de mensheid noodzakelijk om aan de rechtmatige levenseisen te voldoen en om de verschillende kwalen die haar bedreigen te overwinnen. Het lijdt geen twijfel dat de toegepaste wetenschap de mens onmetelijke diensten heeft bewezen en nog zal bewijzen als ze maar door liefde wordt bezield, door wijsheid bestuurd en door moed wordt vergezeld die haar verdedigt tegen ongepaste inmenging van alle tirannieke machten. Toegepaste wetenschap moet met het geweten worden verbonden opdat deze in het drietal wetenschap-technologie-geweten de oorzaak zou zijn van het ware welzijn van de mens dat gediend moet worden.
Zoals ik in mijn encycliek H. Paus Johannes Paulus II - Encycliek
Redemptor Hominis
De Verlosser van de mensen
(4 maart 1979)
de gelegenheid heb gehad te zeggen, "schijnt de mens van onze tijd, helaas, steeds weer bedreigd te worden door wat hij zelf voortbrengt ... Dit lijkt het belangrijkste hoofdstuk uit te maken van het drama van het huidige menselijk bestaan." H. Paus Johannes Paulus II, Encycliek, De Verlosser van de mensen, Redemptor Hominis (4 mrt 1979), 15 De mens moet dit drama dat in een tragedie dreigt te ontaarden, afdoende overwinnen en hij moet zijn waarachtige koningschap over de wereld hervinden en de volle heerschappij over de dingen die hij voortbrengt. In het huidige uur bestaat, zoals ik schreef in dezelfde encycliek, "de wezenlijke betekenis van dit 'koningschap' en deze 'heerschappij' van de mens over de zichtbare wereld die hem door de Schepper als opgave werd toevertrouwd, in de voorrang van de ethiek op de techniek, van de persoon op de dingen, van de geest op de stof." H. Paus Johannes Paulus II, Encycliek, De Verlosser van de mensen, Redemptor Hominis (4 mrt 1979), 16

Dit drievoudige overwicht wordt in stand gehouden in mate dat de zin voor de transcendentie van de mens over de wereld en van God over de mens wordt bewaard. In de uitoefening van haar zending als bewaakster en verdedigster van beide transcendenties meent de kerk de wetenschap te helpen op het plan van het fundamentele onderzoek haar ideale zuiverheid te bewaren en zich op het plan van de praktische toepassingen van haar dienst aan de mens te kwijten.

De Kerk erkent van de andere kant graag dat zij voordeel heeft gehad van de wetenschap. Aan haar moet onder andere worden toegeschreven wat het Concilie over bepaalde aspecten van de moderne cultuur heeft gezegd: "De nieuwe situatie heeft tenslotte ook haar invloed op het godsdienstig leven zelf ... Het scherper onderscheidingsvermogen zuivert de godsdienst van een magische wereldopvatting en van nog hier en daar aanwezig bijgeloof en vereist een met de dag meer persoonlijke en actieve geloofsovertuiging; hierdoor komen niet weinigen tot een levendigere godszin." 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk in de wereld van deze tijd, Gaudium et Spes (7 dec 1965), 7

De samenwerking tussen godsdienst en moderne wetenschap strekt beide tot voordeel, zonder ook maar enigszins elkaars autonomie aan te tasten. Evenals de godsdienst godsdienstvrijheid eist, zo maakt de wetenschap terecht aanspraak op vrijheid van onderzoek. Het Tweede Vaticaans Oecumenisch Concilie heeft, na met het Eerste Vaticaans Concilie de rechtmatige vrijheid van de kunsten en de menselijke wetenschappen op het gebied van hun eigen beginselen en methode te hebben bevestigd, "de gewettigde autonomie van de menselijke cultuur en vooral van de wetenschappen." 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk in de wereld van deze tijd, Gaudium et Spes (7 dec 1965), 59 plechtig erkend. Bij gelegenheid van deze plechtige herdenking van Einstein, zou ik opnieuw de verklaringen van het Concilie willen bevestigen ten aanzien van de autonomie van de wetenschap in haar functie te speuren naar de waarheid welke door de vinger van God in de schepping is neergeschreven. Vol bewondering voor het genie van de grote geleerde waarin het spoor van de scheppende Geest zich openbaart, legt de kerk, zonder op enige wijze met een oordeel tussenbeide te komen over de leer betreffende de grote systemen van het heelal, dat haar niet toekomt, evenwel deze leer voor aan de bezinning van theologen om de overeenstemming te ontdekken welke bestaat tussen de wetenschappelijke waarheid en de geopenbaarde waarheid.

Meneer de voorzitter! U heeft in uw toespraak zeer terecht gezegd dat Galilei en Einstein een tijdperk hebben gekarakteriseerd. De grootheid van Galilei evenals die van Einstein is allen bekend; maar in tegenstelling tot hem die wij vandaag tegenover het kardinalen college in het apostolisch paleis eren, had de eerste - wij zullen het niet kunnen ontkennen - veel te verduren van mensen en instanties van de Kerk. Het Vaticaans Concilie heeft bepaalde onbehoorlijke interventies erkend en betreurd: "Daarom kan men" - staat in 2e Vaticaans Concilie - Constitutie
Gaudium et Spes
Over de Kerk in de wereld van deze tijd
(7 december 1965)
van de Concilieconstitutie 2e Vaticaans Concilie - Constitutie
Gaudium et Spes
Over de Kerk in de wereld van deze tijd
(7 december 1965)
geschreven - "de geesteshouding van sommigen betreuren die ook bij Christenen zelf af en toe wel aanwezig is geweest, vanwege een onvoldoende doorzicht in de gewettigde autonomie van de wetenschap, en die door de daaruit voortkomende geschillen en controversen meerderen ertoe heeft gebracht te menen, dat er een onderlinge tegenstelling is tussen geloof en wetenschap." 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk in de wereld van deze tijd, Gaudium et Spes (7 dec 1965), 36 De verwijzing naar Galilei is duidelijk uitgedrukt in de bij deze tekst gevoegde nota welke het boek Vita e opere di Galileo Galilei van mgr Pio Paschini aanhaalt, uitgegeven door de Pauselijke Academie van Wetenschappen.

Om verder te gaan dan dit standpunt van het Concilie wens ik dat theologen, geleerden en historici, bezield door een geest van oprechte samenwerking, het onderzoek van de zaak Galilei verdiepen en, in een eerlijke erkenning van het ongelijk aan welke kant die ook ligt, het wantrouwen wegnemen dat deze zaak in vele geesten nog aan een vruchtbare eensgezindheid tussen wetenschap en geloof, tussen kerk en wereld, in de weg legt. Ik geef mijn volle steun aan deze taak die de waarheid van het geloof en van de wetenschap zal kunnen honoreren en de deur openen voor toekomstige vormen van samenwerking.

Het zij mij vergund, heren, enige punten aan uw aandacht en uw overweging voor te leggen die me belangrijk lijken om de zaak Galilei weer in haar ware licht te plaatsen waarin de overeenkomsten tussen godsdienst en wetenschap talrijker en vooral belangrijker zijn dan de misverstanden waaruit het bittere en pijnlijke conflict is gevolgd dat zich in de loop van de volgende eeuwen heeft voortgezet.

Hij die met recht de grondlegger van de moderne fysica wordt genoemd heeft uitdrukkelijk verklaard dat de twee waarheden, van geloof en wetenschap, elkaar nooit kunnen tegenspreken, "de Heilige Schrift en de natuur komen evenzeer voort uit het goddelijke Woord, de eerste als het ware gedicteerd door de Heilige Geest, de tweede als een zeer trouwe uitvoering van de bevelen van God", zo schreef hij in zijn brief aan pater Benedetto Castelli, op 21 december 1613 Nationale uitgave van de werken van Galilei, vol. V, blz. 282-285. Het Tweede Vaticaans Concilie zegt het niet anders; het herneemt zelfs gelijksoortige uitdrukkingen wanneer het leert: "Het methodisch onderzoek zal in alle takken van wetenschap, wanneer het maar werkelijk op wetenschappelijke wijze en volgens de normen van de moraal wordt verricht, in feite nooit met het geloof in tegenspraak zijn, want het profane en het geloof hebben in dezelfde God hun oorsprong." 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk in de wereld van deze tijd, Gaudium et Spes (7 dec 1965), 36

Galilei voelt in zijn wetenschappelijk onderzoek de aanwezigheid van de Schepper die hem stimuleert en, in het diepst van zijn geest werkend, zijn intuïties voorkomt en helpt. Naar aanleiding van de uitvinding van de verrekijker, schrijft hij aan het begin van de Sidereus Nuncius, aan enkele van zijn sterrenkundige ontdekkingen herinnerend: "Quae omnia ope Perspicilli a me excogitati divina prius illuminante gratia, paucis abhinc die bus reperta atque observata fuerunt." Sidereus Nuncius, Venetië, bij Thomam Baglionum, MDCX, fol. 4. "Dit alles is de laatste dagen ontdekt en waargenomen dankzij de 'telescoop' die ik, na door de goddelijke genade te zijn verlicht, heb uitgevonden."

De belijdenis van Galilei over de goddelijke verlichting in de geest van de geleerde vindt een weerklank in de reeds aangehaalde tekst van de Concilieconstitutie over de kerk in de wereld van deze tijd: "Hij die nederig en volhardend het verborgene tracht te doorvorsen, wordt, eventueel onbewust, als het ware geleid door de hand van God." 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk in de wereld van deze tijd, Gaudium et Spes (7 dec 1965), 36 Deze nederigheid waarop de Concilietekst aandringt is een noodzakelijke deugd van de geest zowel voor het wetenschappelijk onderzoek als voor betrokkenheid bij het geloof. De nederigheid schept een gunstig klimaat voor de dialoog tussen de gelovige en de geleerde; zij roept de goddelijke verlichting af welke reeds gekend of nog onbekend, zowel in het ene als het andere geval wordt bemind door hem die nederig de waarheid zoekt.

Galilei heeft belangrijke normen van epistemologische aard geformuleerd die onontbeerlijk blijken om de Heilige Schrift en de wetenschap met elkaar in overeenstemming te brengen. In zijn brief aan de groothertogin-moeder van Toscane, Christine de Lorraine, bevestigt hij opnieuw de waarheid van de Schrift: "De Heilige Schrift kan nooit liegen op voorwaarde evenwel dat men tot haar ware betekenis doordringt, welke - wat men denk ik niet kan ontkennen - dikwijls verborgen is en sterk afwijkt van die welke de loutere betekenis van de woorden lijkt aan te geven." Nationale uitgave van de werken van Galilei, vol. V, blz. 315 Galilei introduceert het beginsel van een interpretatie van de heilige boeken die boven hun letterlijke betekenis uitgaat maar overeenstemt met de bedoeling van en het uiteenzettingstype dat elk van hen eigen is. Het is nodig, zoals hij verklaart, dat 'de wijzen die uitleg geven de ware betekenissen ervan aantonen'.

Het kerkelijk leergezag neemt een verscheidenheid van interpretatieregels voor de Heilige Schrift aan. Het leert namelijk uitdrukkelijk met de encycliek Paus Pius XII - Encycliek
Divino afflante Spiritu
Over de bevordering van de studie van de Heilige Schrift
(30 september 1943)
van Pius XII, dat in de heilige boeken verschillende literaire genres worden aangetroffen en dus de noodzaak de interpretatie in overeenstemming te brengen met elk van hen.

De verschillende overeenkomsten die ik nog eens heb genoemd, lossen niet alle problemen rond de zaak Galilei op, maar zij dragen ertoe bij een gunstige uitgangspunt te scheppen voor hun eervolle oplossing, een gunstige geesteshouding om tot een eerlijke en oprechte oplossing van oude tegenstellingen.

Het bestaan van deze Pauselijke Academie van Wetenschappen waarvan tegenwoordig eminente geleerden deel uitmaken en waaraan Galilei in zekere zin door middel van de oude instelling welke deze voorafging, was verbonden, is een zichtbaar teken dat de volkeren toont hoe zonder enige vorm van rassendiscriminatie of religieuze discriminatie een diepe overeenstemming kan bestaan tussen de waarheden van de wetenschap en de waarheden van het geloof.

Naast de oprichting van uw Pauselijke Academie door Pius XI, heeft mijn voorganger Johannes XXIII gewild dat de Kerk zou bijdragen aan de bevordering van de wetenschappelijke vooruitgang en deze zou belonen door het instellen van de medaille van Pius Xl. Overeenkomstig de aanbeveling gedaan door de academieraad, ben ik blij deze hoge onderscheiding te verlenen aan een jonge onderzoeker, doctor Antonio Paes de Carvalho, wiens werkzaamheden van fundamenteel onderzoek een belangrijke bijdrage hebben geleverd aan de vooruitgang van de wetenschap en het welzijn van de mensheid.
Meneer de voorzitter en heren academici, tegenover de hier aanwezige kardinalen, het bij de Heilige Stoel geaccrediteerde corps diplomatique, de vermaarde geleerden en alle persoonlijkheden die deze academische zitting bijwonen, zou ik willen verklaren dat de universele kerk, de kerk van Rome verenigd met allen die in de wereld zijn, een groot belang hecht aan de functie van de Pauselijke Academie van Wetenschappen.

De titel 'pauselijk' welke aan deze academie is toegekend, betekent, zoals u niet onbekend is, de belangstelling en de steun van de Kerk, welke weliswaar onder heel andere vormen tot uitdrukking komen dan die van het oude mecenaat, maar daarom niet minder diepgaand en daadwerkelijk zijn. Zoals de opmerkelijke en betreurde voorzitter van uw academie, mgr Lemaître schreef: "Zou de Kerk de wetenschap nodig hebben? Zeker niet, het kruis en het Evangelie zijn haar genoeg. Maar de Christen is niets menselijks vreemd. Hoe zou de Kerk onverschillig kunnen zijn voor de meest edele en zuiver menselijke bezigheden: het zoeken van de waarheid?" H. Godart M. Heller, Les relations entre la science et la foi chez Georges Lemaître, Pontificia Academia Scientiarum, Commentarii, vol. III, n. 21, blz. 7

Binnen deze academie welke zowel de uwe als de mijne is, werken gelovige en niet gelovige geleerden samen en komen overeen in het zoeken van de wetenschappelijke waarheid en het respect voor de geloofovertuigingen van elkaar. Het zij mij vergund hier nog een duidelijke passage van mgr Lemaître aan te halen: 'Beiden (de gelovige en de niet gelovige geleerde) proberen de veelvuldig gelaagde palimpsest van de natuur te ontcijferen, waarin de sporen van de verschillende stadia uit de lange evolutie van de wereld elkaar hebben overdekt en vermengd. De gelovige heeft misschien het voordeel te weten dat het raadsel een oplossing heeft, dat het onderliggende geschrift uiteindelijk het werk van een verstandelijk wezen is en dat dus het door de natuur gestelde probleem is opgeworpen om te worden opgelost, en dat de moeilijkheid daarvan ongetwijfeld in verhouding staat tot het huidige of toekomstige vermogen van de mensheid. Dat zal hem misschien geen nieuwe hulpmiddelen opleveren bij zijn onderzoek, maar het zal bijdragen het in dat gezond optimisme te ondernemen zonder welk een volhardend pogen niet lang kan worden volgehouden." H. Godart M. Heller, Les relations entre la science et la foi chez Georges Lemaître, Pontificia Academia Scientiarum, Commentarii, vol. III, n. 21, blz. 11 Ik wens u allen dat gezonde optimisme waarvan mgr Lemaître spreekt, een optimisme dat zijn mysterieuze maar feitelijke oorsprong vindt bij de God op wie u uw vertrouwen hebt gesteld, of anders bij de onbekende God naar wie de waarheid leidt welke u tot voorwerp van uw ontwikkelde onderzoekingen hebt.

Moge de wetenschap waarvan u uw beroep hebt gemaakt, heren academici en heren geleerden, zowel op het terrein van het zuivere onderzoek als op dat van het toegepaste onderzoek, de mensheid helpen, met steun van de godsdienst en in overeenstemming met haar, de weg van de hoop terug te vinden en het uiteindelijke doel van de vrede en het geloof te bereiken!

Document

Naam: DE DIEPE OVEREENSTEMMING WELKE DE WAARHEID VAN DE WETENSCHAP EN DE WAARHEID VAN HET GELOOF VERBINDT
Tot de Pauselijke Academie van Wetenschappen tijdens de herdenking van Albert Einstein
Soort: H. Paus Johannes Paulus II - Toespraak
Auteur: H. Paus Johannes Paulus II
Datum: 10 november 1979
Copyrights: © 1980, Archief van Kerken jrg 35, nr 9, p. 423-429
Bewerkt: 7 november 2019

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2019, Stg. InterKerk, Schiedam