• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x
Maria’s goddelijk moederschap

Zoals wij boven reeds opmerkten, eerbiedwaardige broeders, is volgens de documenten van de Vaders uit de oudheid en volgens de H. Liturgie het voornaamste beginsel, waarop Maria's koninklijke waardigheid steunt, ongetwijfeld haar goddelijk moederschap. In de H. Schrift lezen wij immers over de Zoon, die de Maagd zal ontvangen: "Hij zal Zoon van de Allerhoogste worden genoemd. God de Heer zal Hem de troon van Zijn vader David geven; Hij zal Koning zijn over het huis van Jacob in eeuwigheid, en aan zijn koningschap zal geen einde komen" (Lc. 1, 32-33), en bovendien wordt Maria "Moeder van de Heer" (Lc. 1, 43) genoemd; daaruit leidt men gemakkelijk af, dat zij ook Koningin is, daar zij immers een Zoon heeft gebaard, die op het ogenblik zelf van Zijn ontvangenis, vanwege de vereniging van de menselijke natuur met het Woord in één persoon, ook als mens Koning was en Heer over alles. Daarom kon de H. Joannes Damascenus met volle recht schrijven: "Zij is in waarheid Meesteres van alle schepselen geworden, toen zij Moeder van de Schepper werd" H. Johannes Damascenus, Over het rechte of orthodoxe geloof, De fide orthodoxa. 1.4, e.14 (MG 94,1158-1159); en zo kan men ook zeggen, dat de aartsengel Gabriel de eerste was, die met een stem uit de hemel Maria's koninklijke waardigheid heeft verkondigd.

Maria's aandeel aan het verlossingswerk van Christus

Maar toch moet de allerzaligste Maagd Maria niet alleen om haar goddelijk moederschap Koningin genoemd worden, maar ook omdat zij krachtens Gods wil een buitengewoon aandeel heeft gehad aan het werk van onze verlossing. Onze voorganger Pius XI z.g. schreef: "Is het voor ons niet een hoogst welkome en weldadig aandoende gedachte, dat Christus niet alleen door geboorterecht over ons heerst, maar ook door een verworven recht, nl. de verdienste van de verlossing? O mochten toch alle mensen bij hun vergeetachtigheid dikwijls bedenken, welk een grote prijs wij aan onze Verlosser gekost hebben. ‘Niet met vergankelijk goud of zilver zijt gij vrijgekocht... maar door het kostbaar bloed van Christus, een vlekkeloos Lam zonder gebreken.’ (1 Pt. 1, 18-19) Wij zijn niet meer ons eigendom, daar Christus ons ‘voor een hoge prijs’ (1 Kor. 6, 20) heeft gekocht." Paus Pius XI, Encycliek, Over het feest van Christus Koning, Quas Primas (11 dec 1925), 20-21

Welnu, in het volbrengen van dit werk van de verlossing was de allerzaligste Maagd Maria ongetwijfeld op zeer innige wijze de gezellin van Christus; terecht wordt dan ook in de H. Liturgie gezongen: "De H. Maria, Koningin van de hemel en Meesteres van de wereld, stond vol droefheid naast het kruis van onze Heer Jezus Christus." H. Paus Johannes XXIII, Apostolische Constitutie, Missale Romanum ex auctoritate Joanne XXIII, P.P. (23 juni 1962). festum septem dolorum B.M.V., tractus Derhalve, gelijk reeds in de middeleeuwen een vroom leerling van de H. Anselmus schreef: "Gelijk ... God, die door Zijn macht alles maakte, de Vader en Meester is van alles, zo is ook de H. Maagd, omdat ze door haar verdiensten alles herstelde, de Moeder en Meesteres van alles. God is immers Meester van alles, daar Hij door Zijn machtwoord ieder ding zijn eigen natuur gaf, en Maria is de Meesteres van alles, omdat zij door de genade, die zij verdiende, ieder ding in de aangeboren waardigheid herstelde." Eadmerus, De excellentia Virginis Mariae. c. 11 (ML 159, 578) Immers, "gelijk Christus op speciale titel onze Heer en Koning is, doordat Hij ons verloste, zo ook de H. Maagd, wegens de uitzonderlijke wijze, waarop zij tot onze verlossing heeft bijgedragen, nl. vooreerst door haar natuur ten dienste te stellen, vervolgens door Hem vrijwillig voor ons te offeren, en eindelijk door heel bijzonder onze zaligheid te verlangen, af te smeken en te bewerken." Francisco Suárez, De mysteriis vitae Christi. DISP. 22, sect. 2, 4

Uit deze gronden kunnen wij als volgt redeneren: als Maria bij het bewerken van het geestelijk heil krachtens Gods besluit tot gezellin is gegeven aan Jezus Christus, die het beginsel is van het heil zelf, en wel op gelijke wijze als Eva de gezellin was van Adam, het beginsel van de dood, zodat men kan zeggen, dat het werk van ons heil is voltrokken bij wijze van "recapitulatio", (herhaling van het begin) H. Ireneüs van Lyon, Tegen de ketters, Adversus Haereses. l. 5, c. 19, 1 (MG 7, 1175) waarbij het menselijk geslacht door een maagd wordt gered, gelijk het door een maagd ten dode werd gedoemd; als men vervolgens eveneens kan zeggen, dat deze glorievolle Meesteres daartoe tot Moeder van Christus is gekozen, "opdat zij deelgenote zou worden in de verlossing van het menselijk geslacht" Paus Pius XI, Breve, Aanwijzing van Kard. Binet tot pauselijke legaat naar viering van de 75e verjaardag van de verschijningen van Maria te Lourdes, Auspicatus Profecto (10 jan 1933), en als inderdaad "zij het was, die vrij van iedere persoonlijke of erfelijke smet en steeds allerinnigst met haar Kind verenigd, als de nieuwe Eva Hem op Golgotha aan de eeuwige Vader in het brandoffer van haar moederlijke rechten en moederlijke liefde heeft opgedragen voor alle kinderen van Adam, die door diens ongelukkige val waren bezoedeld" Paus Pius XII, Encycliek, Over het mystieke lichaam van Christus en over de vereniging die wij daarin bezitten met Christus, Mystici Corporis Christi (29 juni 1943), 111, dan mogen wij daaruit ongetwijfeld besluiten, dat gelijk Christus, de nieuwe Adam, Koning moet worden genoemd, niet alleen omdat Hij de Zoon van God is, maar ook omdat Hij onze Verlosser is, zo ook verhoudingsgewijze de allerzaligste Maagd Koningin is, niet alleen omdat zij Moeder van God is, maar ook omdat zij als nieuwe Eva aan de nieuwe Adam als gezellin is gegeven.

In volle, eigenlijke en absolute zin is alleen Jezus Christus, God en mens, Koning; maar ook Maria deelt, al moet men de verhouding in acht nemen en een gelijkheid naar evenredigheid, in die koninklijke waardigheid, aangezien zij Moeder is van Christus-God, de gezellin in het werk van de goddelijke Verlosser, in Zijn strijd met Zijn vijanden, en in Zijn overwinning op hen allen. Door deze verbondenheid immers met Christus-Koning bereikt zij een luister en een verhevenheid, waardoor zij de uitmuntendheid van alle schepselen overtreft; uit die verbondenheid met Christus spruit een koninklijke bevoegdheid voort, waardoor zij de schatten van het rijk van de goddelijke Verlosser kan uitdelen; uit die verbondenheid met Christus wordt ten slotte de onuitputtelijke kracht geboren van haar moederlijke en beschermende voorspraak bij de Zoon en de Vader.

Er is dus geen twijfel aan, dat de allerheiligste Maria door haar waardigheid boven alle schepselen uitmunt en dat zij na haar Zoon boven allen de eerste plaats bekleedt. "Gij ten slotte", aldus de H. Sophronius, "hebt alle schepselen ver overtroffen ... wat kan er verhevener zijn dan deze vreugde, 0 Moedermaagd? Wat voortreffelijker dan deze genade, die alleen aan u van Godswege is gegeven?" H. Sofronius van Jeruzalem, In Annuntiationem B.M.V.. Orat. 2, 18; 21 (MG 87 C, 3238; 3242 Bij die lofspraak voegt de H. Germanus de volgende: "Uw eer en waardigheid gaat al het geschapene te boven; groter is uw verheffing dan die van de engelen." H. Germanus van Constantinopel, In Sanctae Dei Genetricis Dormitionem. orat. 7, hom. 2 in dormitionem B.M.V. (MG 98, 354) En de H. Joannes Damascenus gaat zo ver, dat hij tot deze uitspraak komt: "Een oneindig onderscheid is er tussen de dienaren van God en de Moeder van God." H. Johannes Damascenus, Homilia in Dormitionem. 1, 10 (MG 96, 715)

Tot goed begrip van deze allerverhevenste waardigheid, die Maria boven al het geschapene heeft verkregen, moet men bedenken, dat de H. Moeder Gods reeds in het eerste ogenblik van haar ontvangenis met zulk een overvloed van genade is vervuld, dat zij de genade van alle heiligen overtrof. Daarom heeft, gelijk onze voorganger Pius IX z.g. schreef in zijn apostolische brief, de onuitsprekelijke God "haar uit de schat van de Godheid ver boven alle engelengeesten en alle heiligen zo wonderbaar rijk met de overvloed van alle hemelse gaven begiftigd, dat zij, altijd volkomen vrij van iedere vlek van zonde en een en al schoonheid en volmaaktheid, zulk een volheid van onschuld en heiligheid vertoonde, dat wij ons beneden God geen grotere kunnen denken en dat zelfs niemand buiten God ze kan begrijpen". Z. Paus Pius IX, Dogmatische Bul, Ineffabilis Deus (8 dec 1854), 1

Document

Naam: AD CAELI REGINAM
Maria Koningin
Soort: Paus Pius XII - Encycliek
Auteur: Paus Pius XII
Datum: 11 oktober 1954
Copyrights: © 1954, Uitgeverij " 't Groeit", Antwerpen, nr. 313
Bewerkt: 7 november 2019

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Inhoudsopgave van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2019, Stg. InterKerk, Schiedam