• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x

De universaliteit van de heilswerkzaamheden van Christus kan niet begrepen worden zonder het universele handelen van de Heilige Geest. Een eerste element van deze universele werkzaamheid van de Geest is reeds in de schepping te vinden. Het Oude Testament toont ons de Geest van God zwevend over de wateren. Vgl. Gen. 1, 2 En het boek Wijsheid zegt dat "de geest van de Heer het aardrijk (vervult) en Hij die alles omvat houdt, Hij weet wat er gesproken wordt" (Wijsh. 1, 7).

Als dit van heel het universum gezegd kan worden, geldt het in het bijzonder voor de mens, geschapen naar Gods beeld en gelijkenis. Vgl. Gen. 1, 26-27 God maakt de mens om bij Hem aanwezig te zijn, bij Hem verblijf te houden; iemand met welwillendheid bekijken, bij hem zijn, wil zeggen zijn vriend zijn. Zo kan men spreken van de oorspronkelijke vriendschap de amicitia originalis , van de mens met God en van God met de mens Vgl. Concilie van Trente, 6e Zitting - Decreet over de rechtvaardiging, Sessio VI - Decretum de iustificatione (13 jan 1547), 8 als vrucht van de werking van de Geest. Het leven in het algemeen en dat van de mens in het bijzonder komt op verscheidene plaatsen in het Oude Testament Vgl. Ps. 104, 29-30 Vgl. Job 34, 14-15 in meer of minder expliciete relatie met de Geest van God. Johannes Paulus II brengt de schepping van de mens in goddelijke vriendschap naar het beeld van God in verband met de mededeling van de Geest. Vgl. H. Paus Johannes Paulus II, Encycliek, Over de Heilige Geest in het leven van de Kerk en de wereld, Dominum et vivificantem (18 mei 1986), 12.34

De tragedie van de zonde is dat er verwijdering komt in plaats van nabijheid van God en mens. De geest van de duisternis heeft God als vijand van de mens voorgesteld, als bedreiging. Vgl. Gen. 3, 4-5 Vgl. H. Paus Johannes Paulus II, Encycliek, Over de Heilige Geest in het leven van de Kerk en de wereld, Dominum et vivificantem (18 mei 1986), 38 Maar God is de mens naderbij gekomen via de verschillende verbonden waarover het Oude Testament ons al spreekt. Beeld en gelijkenis betekent van het begin af aan het vermogen tot een persoonlijke relatie met God en daarom het vermogen om een verbond te sluiten. Zo is God de mensen geleidelijk naderbij gekomen, via de verscheidene verbonden met Noach Vgl. Gen. 7, 1. vv. , Abraham en Mozes, met wie God bevriend is geraakt. Vgl. Jak. 2, 23 Vgl. Ex. 33, 11

Bij het Nieuwe Verbond is God de mens zo zeer nabij gekomen dat Hij zijn Zoon naar de wereld heeft gezonden, mens geworden dankzij de Heilige Geest in de schoot van de Maagd Maria. Het Nieuwe Verbond is, in tegenstelling tot het voorafgaande, niet naar de letter, maar naar de Geest. Vgl. 2 Kor. 3, 6 Het is nieuwe en universele verbond, het verbond van de universaliteit van de Geest. Universaliteit wil zeggen versum unum, gericht op één. Het woord ‘geest’ zelf houdt ‘beweging’ in, en dit impliceert ‘richting’. De Geest wordt dynamis genoemd Vgl. Hand. 1, 8 , en dynamis impliceert de mogelijkheid van een richting. Uit Jezus’ woorden over de Parakleet Geest leidt men af dat het ‘gericht zijn op’ op Jezus betrekking heeft.

De nauwe band tussen de Geest en Christus komt tot uiting in de zalving van Jezus. Jezus Christus wil precies zeggen, dat Jezus de Gezalfde van God is met de zalving die de Geest is: “De Geest des Heren is over mij gekomen, omdat Hij mij gezalfd heeft” (Lc. 4, 18)(Jes. 61, 1-2). God heeft Jezus gezalfd “met de heilige Geest en met kracht”, en “Hij ging weldoende rond en genas allen, die onder de dwingelandij van de duivel stonden” (Hand. 10, 38). Zoals Ireneüs zegt onder de naam van Christus wordt verstaan Hij die zalft, Hij die gezalfd wordt en de zalving zelfs waarmee Hij gezalfd wordt. Degene die zalft is de Vader, de Gezalfde is de Zoon, in de Geest die de zalving is. Zoals het Woord door middel van Jesaja zegt: ‘De geest van Jahwe, mijn Heer, rust op mij, want Jahwe heeft mij gezalfd’ (Jes. 61, 1-2), daarbij duidend op de Vader die zalft, de gezalfde Zoon, en de zalving die de Geest is.” Vgl. H. Ireneüs van Lyon, Tegen de ketters, Adversus Haereses. III 18,3 (SC 211, 350-352) Vgl. H. Basilius van Caesarea, Liber de Spiritu Sancto. XII 28 (SC 17bis 344): hier wordt de idee bijna letterlijk herhaald Vgl. H. Ambrosius van Milaan, De Spiritu Sancto. I 3, 44 (CSEL 79, 33)

De universaliteit van het verbond van de Geest is daarom de universaliteit van het verbond in Jezus. Hij heeft zich aan de Vader aangeboden in kracht van de eeuwige Geest Vgl. Heb. 9, 14 , waarin Hij gezalfd is. Deze zalving strekt zich uit over de totale Christus, de door de Geest gezalfde Christenen, en de Kerk. Ignatius van Antiochië wees er reeds op dat Jezus de zalf ontving “om zijn kerk tot onbederfelijkheid te inspireren”. Vgl. H. Ignatius van Antiochië, Brief aan de Efesiërs, Epistula ad Ephesios. 17, 1 (SC 10, 86) Jezus is, volgens Ireneüs, in de Jordaan gezalfd “opdat wij gered zouden worden door van de overvloed van zijn zalving te ontvangen”. Vgl. H. Ireneüs van Lyon, Tegen de ketters, Adversus Haereses. III 9,3 (SC 211,112): Volgens dezelfde Ireneüs daalt de Geest op Jezus neer om "eraan gewend te raken" te midden van het menselijk geslacht te wonen. 17, 1 (330) Gregorius van Nyssa heeft het met een mooi, diepzinnig beeld uitgedrukt: “De notie zalving suggereert... dat er geen enkele afstand bestaat tussen de Zoon en de Geest. In feite zoals tussen het oppervlak van het lichaam en de zalving van de olie, rede noch gewaarwording middelaars kennen, even onmiddellijk is het contact van de Zoon met de Geest; daarom moet degene die op het punt staat door middel van het geloof te treden met de Zoon noodzakelijkerwijs eerst in contact treden met de olie. Geen enkel deel is zonder de Heilige Geest.” Vgl. H. Gregorius van Nyssa, De Spiritu Sancto contra Macedonianos. 16 (PG 45 1321 A_B) De totale Christus omvat in zekere zin iedere mens, omdat Christus zich met alle mensen verenigd heeft. Vgl. 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk in de wereld van deze tijd, Gaudium et Spes (7 dec 1965), 22 Jezus zelf zegt: “Al wat gij gedaan hebt voor een dezer geringsten van mijn broeders hebt gij voor mij gedaan” (Mt. 25, 40).

De Kerk is de bevoorrechte plaats van het handelen van de Geest. In haar, het lichaam van Christus, wekt de Geest verschillende gaven op tot nut van allen. Vgl. 1 Kor. 12, 4-11 Bekend is de formulering van Ireneüs: “Waar de Geest van de Heer is, daar is de Kerk, en waar de Kerk is daar is de Geest van de Heer en alle genade.” H. Ireneüs van Lyon, Tegen de ketters, Adversus Haereses. III 24, 1 (SC 211, 474) En de heilige Johannes Chrysostomos: “Als de Heilig Geest niet aanwezig was, zou de kerk niet bestaan; als de kerk bestaat, is dat een teken openstaand voor de aanwezigheid van de Geest.” H. Johannes Chrysostomos, Hom. Pent.. I 4 (PG 49, 459)

Enige passages in het Nieuwe Testament lijken de universele draagwijdte van het handelen van de Geest te suggereren, steeds in relatie met de evangeliserende zending van de Kerk die alle mensen moet bereiken. De Heilige Geest gaat vooraf aan de prediking en leidt deze, en Hij staat ook aan de oorsprong van de missie tot de heidenen. Vgl. Hand. 10, 19.44-47 Het overwinnen van de zonde van Babel zal plaatsvinden in de Geest. In tegenstelling tot de poging van de bouwers van de toren van Babel, die op eigen kracht de hemel, het verblijf van God, wilden bereiken, daalt de Heilige Geest nu als een gave uit de hemel neer, en maakt het mogelijk alle talen te spreken, zodat ieder de grote daden van God in zijn eigen taal kan horen. Vgl. Hand. 2, 1-11 De toren van Babel was een poging om eenheid tot stand te brengen zonder universaliteit: “dan krijgen wij naam (een teken van eenheid) en worden wij niet over de aardbodem verspreid” (Gen. 11, 4). Pinksteren was de gave van de universaliteit in eenheid: “Zij werden allen vervuld van de Heilige Geest en begonnen in vreemde talen te spreken, naargelang de Geest hun te vertolken gaf” (Hand. 2, 4). In de gave van de Geest van Pinksteren moet men ook de voltooiing zien van het verbond van de Sinaï Vgl. Ex. 19, 1. vv , dat aldus universeel wordt.

De gave van de geest is de gave van de verrezen en ten hemel opgestegen Jezus aan de rechterhand van de Vader (Hand. 2, 32) Vgl. Joh. 14, 15.26 Vgl. Joh. 15, 26 Vgl. Joh. 16, 7 Vgl. Joh. 20, 22 ; dat is de constante leer van het Nieuwe Testament. De verrijzenis zelf van Jezus komt tot stand met de hulp van de Geest. Vgl. Rom. 1, 4 Vgl. Rom. 8, 11 De Heilige Geest is ons gegeven als Geest van Christus, Geest van de Zoon. Vgl. Rom. 8, 9 Vgl. Gal. 4, 6 Vgl. Fil. 1, 19 Vgl. Hand. 16, 7 Daarom is een universeel handelen van de Geest dat niet in relatie staat tot het universele handelen van Jezus niet denkbaar. De Vaders hebben dat steeds benadrukt. Vgl. H. Ireneüs van Lyon, Tegen de ketters, Adversus Haereses. III 17,2 (SC 211,334): "...Dominus accipiens munus a Patre ipse quoque his donavit qui ex ipso participantur, in unversam terram mittens Spiritum sanctum" Vgl. H. Hilarius van Poitiers, Tractaten over de Psalmen, Tractatus super Psalmos. 56,6 (CSEL 22, 172:"Et quia exaltatus super caelos impleturus esset i terris omnia sancti spiritus gloria, subjecit: et super omnem terram gloria tua (Ps. 57, 6.12). Cum effusum super omnem carnem spiritus donum gloriam exaltati supercaelos domini protestaretur." Slechts door het handelen van de Geest kunnen wij mensen eenvormig worden met het beeld van de verrezen Jezus, de nieuwe Adam, in wie de mens definitief de waardigheid verwerft waartoe hij van het begin af aan is geroepen: “Ons allen is het gegeven met onverhuld gelaat de glorie van de Heer te aanschouwen en herschapen te worden tot steeds heerlijker gelijkenis met Hem; zo werkt de Heer die Geest is” (2 Kor. 3, 18). De mens die naar het beeld van God geschapen is, wordt door de aanwezigheid van de Geest vernieuwd naar Gods beeld (of dat van Christus) overeenkomstig het handelen van de Geest. De Vader is de schilder; de Zoon is het model waarnaar de mens wordt afgebeeld; de Heilige Geest is het penseel waarmee de mens bij de schepping en bij de verlossing geschilderd wordt.

Daarom voert de Heilig Geest naar Christus. De Heilige Geest leidt alle mensen naar Christus, de Gezalfde. Christus, op zijn beurt, leidt hen naar de Vader. Niemand gaat naar de Vader tenzij via Jezus, want Hij is de weg (Joh. 14, 6), maar het is de Heilige Geest die de leerlingen tot de volle waarheid zal brengen (Joh. 16, 12-13). De term “zal brengen” (hodogései) houdt de weg (hódos) in. De Heilige Geest voert daarom langs de weg die Jezus is, die naar de Vader leidt. Daarom kan iemand alleen onder invloed van de Heilige Geest zeggen “Jezus is de Heer” (1 Kor. 12, 3). En de door Johannes gebruikte term Parakleet wijst ons erop dat de Geest de pleitbezorger is bij het oordeel dat in Jeruzalem begonnen is en gedurende de geschiedenis doorgaat. De Parakleet Geest zal Jezus verdedigen tegen de beschuldigingen waarvan Hij met zijn leerlingen het voorwerp is. Vgl. Joh. 16, 8-11 De Heilige Geest is aldus de getuige van Christus, en door Hem kunnen de leerlingen dat zijn: “Hij zal over Mij getuigenis afleggen. Maar ook gij moet getuigen, want vanaf het begin zijt gij bij Mij” (Joh. 15, 26-27).

De Geest is dus de gave van Jezus en voert naar Hem, ofschoon de concrete weg waarover Hij de mensen leidt, alleen door God gekend wordt. Het Tweede Vaticaans Concilie heeft het helder geformuleerd: “Daar Christus immers voor allen is gestorven en daar er voor alle mensen slechts één uiteindelijke roeping is, namelijk een goddelijke, moeten wij eraan vasthouden, dat de Heilige Geest aan allen de mogelijkheid schenkt om, op een wijze die aan God bekend is, aan dit paasmysterie deel te hebben”. 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk in de wereld van deze tijd, Gaudium et Spes (7 dec 1965), 22 Het heeft geen zin een universaliteit van het handelen van de Geest te veronderstellen zonder dat die een relatie heeft met de betekenis van Jezus, de mens geworden, gestorven en verrezen Zoon. Alle mensen kunnen, met andere woorden, in kracht van de werkzaamheid van de Geest in relatie treden met Jezus die op een concrete plaats en in een concrete tijd geleefd heeft, en gestorven en verrezen is. Anderzijds blijft het handelen van de Geest niet beperkt tot de intieme en persoonlijke dimensies van de mens, maar betreft ook het sociale: “Deze Geest is dezelfde als de Geest die gewerkt heeft in de menswording, het leven, de dood en de verrijzenis van Jezus en die in de Kerk werkt. Hij is dus geen alternatief voor Christus en vult niet een soort leegte op die er zou bestaan tussen Christus en de Logos, zoals soms verondersteld wordt. Al wat de Geest bewerkt in het hart van de mensen en in de geschiedenis van de volkeren, in de culturen en de godsdiensten, vervult een rol van voorbereiding op het Evangelie en verwijst naar Christus.” H. Paus Johannes Paulus II, Encycliek, Over de blijvende geldigheid van de missie-opdracht, Redemptoris Missio (7 dec 1990), 29

De bevoorrechte ruimte voor het handelen van de Geest is de Kerk, het lichaam van Christus. Maar alle volkeren zijn, op verschillende manieren, geroepen tot de eenheid van het volk van God die de Geest bewerkstelligt: “Deze universalistische trek, die het volk van God kenmerkt, is een gave van de Heer zelf: daardoor streeft de katholieke kerk er krachtdadig en zonder ophouden naar heel de mensheid, met al haar goederen, samen te brengen onder Christus als Hoofd, in de eenheid van zijn Geest... Tot deze katholieke eenheid van het volk van God, waardoor de wereldvrede wordt voorafgebeeld en bevorderd, zijn dus alle mensen geroepen. Op verscheidene wijzen behoren daartoe of zijn daarop gericht zowel de gelovige katholieken als de anderen die in Christus geloven, en tenslotte zelfs alle menen zonder uitzondering, door Gods genade tot het heil geroepen.” 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk, Lumen Gentium (21 nov 1964), 13 Het is dezelfde universaliteit van het heilshandelen van Christus en van de Geest die mensen ertoe brengt zich vragen te stellen over de functie van de kerk als universeel heilssacrament.

Document

Naam: HET CHRISTENDOM EN DE GODSDIENSTEN
Soort: Internationale Theologische Commissie
Datum: 30 september 1997
Copyrights: © 1997, Secretariaat RKK, Utrecht
In opdracht van p. Georges Cottier o.p., secr.-gen. van de ITC, vertaald door prof. dr. J. Ambaum m.m.v. mw. drs. M.-L. Meulemans
Bewerkt: 19 november 2020

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Inhoudsopgave van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2021, Stg. InterKerk, Schiedam