• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x

WETENSCHAP GEBRUIKEN VOOR HET WELZIJN VAN DE MENSHEID
Tot de deelnemers aan de studieweek van de Pauselijke Academie van Wetenschappen

Met vreugde begroeten wij in u, mijne heren, de vooraanstaande mannen van wetenschap die - of zij op deze dag hier aanwezig zijn of niet - tezamen onze pauselijke academie van wetenschappen vormen met hun nieuwe en geleerde president, pater O'Connell, aan het hoofd, en wij zijn gelukkig, dat wij deze gelegenheid kunnen aangrijpen om hulde te brengen aan het hoge gehalte van uw arbeid op het domein van de wetenschappen. Uw verschillende bijdragen voor de vooruitgang van de wetenschappen strekken u in hoogste mate tot eer en deze eer valt weer terug op de Heilige Stoel, die het initiatief heeft genomen u bijeen te brengen. Vóór alles dus spreken wij u onze gelukwensen en onze erkentelijkheid uit

Verschillende omstandigheden, waaronder het smartelijk verlies door overlijden van uw president, mgr Georges Lemaître, hebben ertoe bijgedragen, dat uw academie in de laatste tijd niet rijkelijk veel naar buiten is getreden. Stellig zal geen mens in de verleiding komen om in deze schijnbare en aan toevallige omstandigheden te wijten vermindering van activiteit een teken te zien van verminderde vitaliteit van een instituut dat te goeder naam en faam bekend staat in de wereld. Wij van onze kant stellen het in ieder geval op prijs met nadruk te getuigen van de gevoelens van hoogachting en vertrouwen die Ons ten aanzien van dit instituut vervullen.

Zoals u weet, heeft de stichting van de pauselijke academie van wetenschappen de idee voorgezeten om, door de persoonlijkheden die er deel van uitmaken en door de activiteiten die zij ontploait, een bewijs te leveren van de liefde en de eerbied van de katholieke Kerk voor de wetenschappelijke wereld van haar tijd. Wij stellen het op prijs u hernieuwd de verzekering te geven, dat deze oorspronkelijke opzet meer dan ooit leeft in het bewustzijn en in de perspectieven van de Apostolische Stoel. Deze beschouwt het als zijn plicht ervoor te zorgen, dat de academie ten volle haar vitaliteit behoudt. Door haar toedoen wil hij getuigen van de hoge achting die de katholieke Kerk het wetenschappelijk onderzoek toedraagt, de vrijheid die hij haar op haar eigen terrein toekent, het vertrouwen waarmee hij haar huidige en toekomstige verworvenheden beziet. Want omdat de wetenschap niet doorgaat voor een vreemd element in het leven van de mens, omdat zij integendeel daarin juist op haar plaats is, is de Kerk van oordeel, dat zij een bijdrage kan leveren niet alleen voor de fundamenteel-wetenschappelijke en technische, maar ook voor de zedelijke en zelfs - zonder dat men zich daarvoor van kunstgrepen hoeft te bedienen voor de religieuze en christelijke vooruitgang van het mensdom.

Hiermee kunnen we volstaan om duidelijk te maken, met welk een eerbiedige aandacht de Kerk de zending van de man van wetenschap beziet. Zij ziet u als de zoekers en speurders naar de geheimvolle werkelijkheden van de schepping, of, wat op hetzelfde neerkomt: als degenen die in de hoogste graad de taak vervullen welke God de mens hij zijn schepping heeft toevertrouwd: de aarde aan zich onderwerpen, de verborgenheden van de natuur aan het licht brengen. Want de natuur is vol verborgenheden en hd staat buiten kijf, dat zij die zich op de ontdekking daarvan toeleggen - ten koste van hoeveel geduldige en minutieuze onderzoekingen weet u beter dan wij - handelen in overeenstemming met een vanaf het begin aanwezig plan en een vaststaande bedoeling van de Schepper. Wanneer wij in de geest verwijlen bij uw activiteit als mannen van wetenschap, zien wij deze als een ontwikkeling vanuit een tweeledige premisse, die als het ware de trap is naar de hogere graad van menselijke voortreffelijkheid waartoe de uitoefening van uw beroep als wetenschappelijke onderzoekers u verheft.

Dat is, om te beginnen, het systematische en verfijnde gebruik van het verstand. Want wanneer u in zekere zin vollediger mens bent dan anderen, komt dit in de eerste plaats hier vandaan, dat u in hoge mate de mogelijkheden tot ontwikkeling hebt gebracht die besloten liggen in datgene waarin de adeldom van de mens en zijn gelijkenis met God het grootst is: het denken, het vermogen om 'alles te worden' - het 'fieri omnia' van de klassieke filosofie -, dat weergaloze en onvergelijkelijke voorrecht dat het menselijk verstand is, het vermogen waarover het denkende wezen beschikt om de werkelijkheid te veroveren, in zich op te nemen, er een waarheid van te maken die hem ten goede komt, onverminderd het feit, dat zij op grond van haar universaliteit in aanleg allen ten goede komt.

Bij dit hogere gebruik van het hoogste vermogen van het menselijk wezen voegt zich dan bij de geleerde - en dat is de tweede premisse - zijn inplanting in de wetenschappelijke traditie. Hij verzamelt, neemt in zich op, verdiept en vervolmaakt, wat waardevol is in het ontzaglijk vele dat zijn voorgangers aan studie en bezinning hebben nagelaten; en hij gebruikt deze nalatenschap van menselijk weten die binnen zijn bereik is gekomen als een startpunt, vanwaar hij een koene sprong maakt naar nieuwe veroveringen, ten voordele van zijn generatie en van hen die daarna zullen komen.

Inderdaad, het eerbetoon en de erkentelijkheid jegens de man van wetenschap is welverdiend en het is voor ons een diep gevoelde behoefte en tegelijk een plicht in u, mijne heren, hulde te brengen aan de hoog gekwalificeerde vertegenwoordigers van de hedendaagse cultuur en van de geest die daar de bezielende kracht van is. Wij zijn ons ervan bewust, dat wij, door dit te doen, getrouw vertolken, hoe de Kerk over u denkt; zij heeft dat in de afgelopen twintig, dertig jaren meer dan eens tot uitdrukking gebracht, in het bijzonder bij monde van onze voorgangers Pius XI en Pius XII, en opnieuw heeft zij dit duidelijk kenbaar gemaakt tijdens het onlangs gehouden oecumenisch concilie. Zouden wij een gelegenheid als deze wel kunnen laten voorbijgaan zonder in de herinnering terug te roepen, hoe deze officiële vergadering het volle gewicht van haar gezag heeft laten gelden om hernieuwd uit te spreken, dat de Kerk positief staat tegenover de wetenschap?

Ziet onder welke belichting het Concilie uw roeping als onderzoekers benadert: 'Hij die nederig en volhardend, zo staat er, het verborgene tracht te doorvorsen, wordt, eventueel onbewust, als het ware geleid door Gods hand, die alles in stand houdt en maakt, dat de dingen zijn, wat ze zijn' 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk in de wereld van deze tijd, Gaudium et Spes (7 dec 1965), 57. Deze woorden staan te lezen in de constitutie over de 2e Vaticaans Concilie - Constitutie
Gaudium et Spes
Over de Kerk in de wereld van deze tijd
(7 december 1965)
, waarin een heel hoofdstuk is gewijd aan de vraagstukken van de cultuur. Wanneer het Conciliedocument de ontwikkeling daarvan nagaat, aarzelt het geen ogenblik met diepe voldoening gewag te maken van de positieve verworvenheden die te danken zijn aan de huidige vooruitgang van wetenschap en techniek en het maakt met evenveel woorden melding van 'de wetenschappelijke studie en de exacte getrouwheid aan de waarheid in de wetenschappelijke research, de noodzaak om in groepsverband van deskundigen met anderen samen te werken, de internationale solidariteitszin, het met de dag levendiger wordend verantwoordelijkheidsgevoel van de deskundigen met betrekking tot de bijstand en de bescherming van de mens, het verlangen om de levensvoorwaarden van allen gunstiger te maken, vooral van hen die met een gebrek aan verantwoordelijkheid of met culturele armoede te kampen hebben' 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk in de wereld van deze tijd, Gaudium et Spes (7 dec 1965), 36. Nu is het wel waar, dat dit conciliedocument de christenen waarschuwt voor het gevaar van een louter binnenwerelds humanisme; maar het laat hun tegelijkertijd zien, hoe door het geloof dat zij belijden 'hun taak, in plaats van minder, veeleer meer belang krijgt om samen met alle mensen te werken aan een menswaardiger uitbouw van de wereld' 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk in de wereld van deze tijd, Gaudium et Spes (7 dec 1965), 57.

U ziet, mijne heren, hoe ver de dikwijls kleingeestige en vrijwel steeds onvruchtbare discussies achter ons liggen waarin eertijds bepaalde geesten behagen schepten, geneigd als zij waren Kerk en vooruitgang van menselijke kennis te beschouwen als in openlijke strijd verwikkelde tegenstanders.

Dat wil niet zeggen, dat de vanouds bestaande, steeds weer opkomende vraag naar de verhouding tussen geloof en wetenschap iedere actualiteit en iedere betekenis zou hebben verloren. Het zou ons dan ook aangenaam geweest zijn, wanneer wij over een minder beperkte tijd hadden kunnen beschikken, zodat wij een gelegenheid als deze hadden kunnen aangrijpen om ons met u over dat vraagstuk te kunnen onderhouden. Wij hadden u graag willen beschrijven, onder welke belichting dit vraagstuk heden ten dage, naar onze mening, aan de orde komt: het gaat om een duidelijker onderscheid tussen de niveaus waarop elk van beide - wetenschap en geloof - volgens eigen methoden de draad van zijn kennis afwikkelt, terwijl dan in de globale complexiteit van het denken de mogelijkheid besloten ligt van een vruchtbare synthese van de beide niveaus van kennis.

U zoudt ons er dan stellig op gewezen hebben - op grond van rechtstreekse ervaring -, hoe dikwijls het gebeurt, dat het wetenschappelijk onderzoek beslag legt op alles wat de onderzoeker bezit aan mogelijkheden om kennis te vergaren, waarin dan de intellectuele en geestelijke activiteit van de mens genoegzaam en zonder iets te wensen over te laten voldoening schijnt te vinden; hoe het wetenschappelijk onderzoek erin slaagt niet alleen de kennis van God, maar zelfs het streven naar de kennis van God te vernietigen, en wel zózeer, dat sommige geleerden het atheïsme als een logisch standpunt gaan beschouwen, waarin het denken voldoening vindt en de werkelijkheid haar rechtvaardiging.

Wij op onze beurt zouden dan hebben geprobeerd dit wankele bouwsel van intellectuele vooruitgang omver te werpen en duidelijk uit te spreken - ook nu weer met een beroep op uw ervaring, maar dan een diepere ervaring -, dat de wetenschap een denkorde voorbereidt en postuleert waardoor zij wordt getranscendeerd en gelegitimeerd: zij verklaart niet alles; zij kan slechts onderzoeken, wat bestaat, wat een Ander, oneindig groter dan zij, met kwistige hand heeft overgelaten aan de naspeuringen van de kinderen der mensen. En als zij zich bij haar onderzoekingen en zekerheden trouw houdt aan haar eigen terrein, het terrein van het observeerbare en meetbare, zal zij met haar onderzoekingen groter vorderingen maken, zal zij ook meer behoefte krijgen aan en komen tot een bij wijze van spreken intuïtief aanvoelen van de onmetelijkheid van de goddelijke wereld die boven haar staat en iets van haarzelf in haar weerspiegelt.

Maar laten wij er ons liever toe beperken een ander aspect van de wetenschappelijke wereld in beschouwing te nemen, het aspect dat in uw samenzijn op zo prachtige en loffelijke wijze tot uitdrukking komt, en ons afvragen: hoe moet de wetenschap, of, beter gezegd, hoe moeten de mannen van de wetenschap en hun uitmuntende leerlingen de technici de veroveringen van de wetenschap gebruiken, praktisch en nuttig toepassen? Er is maar één antwoord mogelijk: alles moet gericht zijn op het welzijn van de mensheid.

Is het werkelijk nodig mensen zoals u, mijne heren, eraan te herinneren, dat het spookbeeld van de gruwelijkste calamiteiten, die heel de bewoonde wereld kunnen teisteren en tot as herleiden, juist afkomstig is van de meest geperfectioneerde laboratoria van de hedendaagse natuurwetenschappen. Kunnen wij, oog in oog met zulke vooruitzichten, er wel het zwijgen toe doen? Want hoe groot op dit gebied de verantwoordelijkheid van de mannen van de politiek ook moge zijn, die van de mannen van de wetenschap is er niet minder om. Wij zullen daarom dan ook niet ophouden te bidden en te smeken, en u biedt ons hiervoor een bijzonder gunstige gelegenheid.

  • Laat men de moed opbrengen om afstand te doen, waar dit nodig is!
  • Laat men toch maatregelen nemen, laat men zich toch verplichten tot het voorkomen en bezweren van de vervaardiging en het gebruik van kernwapenen, van bacteriologische aanvallen en welk ander middel dan ook dat uit de vooruitgang van de wetenschap de duivelse kracht zou halen om bevolkingen in hun geheel, zelfs als ze met een eventueel conflict niets te maken zouden hebben, te bezoeken met de gesel van gruwelijke verwoestingen!
  • Laat de mensheid tot zichzelf komen!
  • Laat zij bij zichzelf, bij haar gezagsdragers en leermeesters op zoek gaan naar de kracht en de wijsheid om het noodlottige gebruik van de destructieve wetenschap verre van zich af te werpen!
  • Laat haar liever de wetenschap gaan vragen naar het geheim, hoe te handelen tot eigen welzijn!

Overigens doet zij dat dan ook en het strekt haar tot eer en komt allen ten goede.

En u, mijne heren, legt daarvan op schitterende wijze getuigenis af door deze studieweek die u bijeen heeft gebracht. Uw thema 'Organische stof en vruchtbaarheid van de grond' is helemaal afgestemd op het welzijn van de mensen, beter nog: op die integrale en solidaire ontwikkeling van de mensheid waarvoor wij, juist een jaar geleden, in onze encycliek H. Paus Paulus VI - Encycliek
Populorum Progressio
Over de ontwikkeling van de volken
(26 maart 1967)
een vurig pleidooi hebben gehouden. De aarde vruchtbaar maken, haar brood laten voortbrengen voor allen die haar bewonen, de onvruchtbaarheid van woestijnachtige gebieden bestrijden, de opbrengst van de landbouw overal opvoeren, de zwoegende mens bijstaan om tot gemakkelijker en overvloediger resultaten te komen, de overwinning op de honger mogelijk maken die tot op de huidige dag hele volkeren kwelt, uitzicht en bestaansmogelijkheden bieden voor de onophoudelijk groeiende mensengeslachten: dát is uw verovering, dát is uw deskundigheid, uw zending, uw bekroning.

Wij zijn trots op u, mijne heren, gelukkig met uw wetenschappelijke arbeid en uw bijdragen voor het welzijn van de mensheid. Daarom richten wij van ganser harte woorden van lof tot u te zamen met onze beste wensen. En in naam van die God die zo groot is en zo geheimvol, wiens werken u doorvorst, de Schepper van de wereld en de Verlosser van de mens, die God wiens plaatsbekleder wij zijn in alle ootmoed, maar ook in volle werkelijkheid, geven wij u allen onze apostolische zegen.

Document

Naam: WETENSCHAP GEBRUIKEN VOOR HET WELZIJN VAN DE MENSHEID
Tot de deelnemers aan de studieweek van de Pauselijke Academie van Wetenschappen
Soort: H. Paus Paulus VI - Toespraak
Auteur: H. Paus Paulus VI
Datum: 27 april 1968
Copyrights: © 1968, Katholiek Archief, jrg. 23, nr. 32
Alineaverdeling en -nummering: Stg. InterKerk
Bewerkt: 7 november 2019

Referenties naar dit document

 
Geen documenten gevonden!
 
Geen berichten gevonden!

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2021, Stg. InterKerk, Schiedam