• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x

Draagt zorg, Eerbiedwaardige Broeders, dat vóór alles het Godsgeloof, de eerste en niet te vervangen grondstag van iedere godsdienst, in de Duitse streken zuiver en onvervalst bewaard blijve. Niet hij is godgelovig, die het woord "God" oratorisch gebruikt, doch slechts hij, die aan dit verheven woord het ware en waardige Godsbegrip verbindt.

Hij, die in pantheïstische vaagheid God met het heelal vereenzelvigt, God in de wereld verwereldlijkt en de wereld in God vergoddelijkt, behoort niet tot degenen, die in God geloven.
Wie volgens de zogenaamd oud-Germaanse, vóór-Christelijke voorstelling het sombere onpersoonlijke noodlot in de plaats van de persoonlijke God stelt, loochent Gods wijsheid en voorzienigheid, die "vol kracht en goedheid van het ene einde der wereld tot het andere regeert" (Wijsh. 8, 1) en alles ten goede leidt. Zo iemand kan er geen aanspraak op maken, gerekend te worden tot degenen, die in God geloven.

Wie het ras, of het volk, of de staat, of de staatsvorm, de dragers van de staatsmacht, of andere zeer voorname waarden van menselijke gemeenschapsvorming, die binnen de grenzen van de aardse ordening een belangrijke en eerbied afdwingende plaats innemen, uit haar aardse waardebepaling losmaakt, ze tot de hoogste van alle waarden, ook van de godsdienstwaarden en in afgoderij vergoddelijkt, die keert de door God geschapen en door God gewilde orde der dingen en vervalst ze. Zo iemand is ver verwijderd van het ware Godsgeloof en van een levensopvatting, die met dat geloof in overeenstemming is.

Slaat acht, Eerbiedwaardige Broeders, op het in geschrift toenemend misbruik, de driewerf heilige Naam Gods te gebruiken als een zinledig etiket voor enig min of meer willekeurig product van menselijk zoeken en verlangen. Tracht de U toevertrouwde gelovigen er toe te brengen, dat zij zulk een dwaling met die waakzame afwijzing tegemoet treden, welke zij verdient.

Onze God is de persoonlijke, boven het menselijke verheven almachtige, oneindig volmaakte God, Eén in de Drievuldigheid der Personen, driepersoonlijk in de Eénheid van het Goddelijk Wezen, de Schepper van al het geschapene, de Heer en Koning en laatste Voltooier der wereldgeschiedenis, Die geen afgoden naast zich duldt, noch dulden kan.

Deze God heeft Zijn geboden in een soevereine vorm gegeven. Zij zijn van kracht, onafhankelijk van tijd en ruimte, van land en ras. Evenals Gods zon alles bestraalt, wat een menselijk aanschijn draagt, zo kent ook Zijn wet geen voorrechten en uitzonderingen.

Regeerders en onderdanen, gekroonden en ongekroonden, machtigen en geringen, rijken en armen zijn in gelijke mate onderworpen aan Zijn woord. Uit de totaliteit van zijn rechten als Schepper vloeit uiteraard de totaliteit van Zijn aanspraak op gehoorzaamheid voort, zowel van het individu als van iedere soort van gemeenschap. Deze aanspraak op gehoorzaamheid omvat elk levensgebied, waarin vraagstukken van zedelijke aard aan de wet Gods moeten worden getoetst, om op die wijze veranderlijke menselijke voorschriften te voegen in het kader van de onveranderlijke voorschriften Gods.

Slechts oppervlakkige geesten kunnen tot de dwaalleer vervallen, te spreken van een nationale God, van een nationale godsdienst; slechts dezen kunnen zich aan het ijdel beginnen wagen God, de Schepper van alles, de Koning, en Wetgever van alle volkeren, in vergelijking met Wiens grootheid "de naties nietig zijn als druppels aan de wateremmer" (Jes. 40, 15), binnen de grenzen van een enkel volk, in de door het bloed bepaalde beperking van één enkel ras in te sluiten.

De Bisschoppen van de Kerk van Christus, aangesteld voor hetgeen "op God betrekking heeft" (Hebr. 5, 10) moeten er voor waken, dat zulke verderfelijke dwalingen, die gewoonlijk door nog verderfelijker praktijken op de voet worden gevolgd, onder de gelovigen geen wortel schieten. Het is de heilige plicht van hun ambt, voor zover het in hun vermogen is, alles te doen, opdat de geboden van God als verplichtende grondslag van het zedelijk geordende particuliere en openbare leven geëerbiedigd en onderhouden worden; dat de majesteitsrechten van God, de Naam en het woord Gods niet worden onteerd Vgl. Tit. 2, 5 , dat de godslasteringen in woord en geschrift en in beeld, somtijds talrijk als de zandkorrels aan de zee, tot zwijgen worden gebracht; dat tegenover de uitdagende Prometheus-geest der godloochenaars, der godverachters en godhaters, het gebed van de gelovigen Om verzoening, dat als wierook onophoudelijk tot de Allerhoogste opstijgt en Zijn straffende hand tegenhoudt, nimmer verflauwe.

Wij danken U, Eerbiedwaardige Broeders, Uw Priesters en alle gelovigen, die, bij de verdediging der majesteitsrechten tegen een op aanvallen belust, van invloedrijke zijde helaas dikwerf begunstigd nieuw heidendom, hun Christenplicht hebben vervuld en nog vervullen. Deze dank is dubbel innig en verbonden met erkentelijke bewondering voor hen, die bij het uitoefenen van deze hun plicht, waardig werden bevonden, voor God aardse offers en aards leed op zich te mogen nemen.

Document

Naam: MIT BRENNENDER SORGE
De Katholieke Kerk in het Duitse Rijk
Soort: Paus Pius XI - Encycliek
Auteur: Paus Pius XI
Datum: 14 maart 1937
Copyrights: © 1937, R.K. Werkliedenverbond
Bewerkt: 30 augustus 2013

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Inhoudsopgave van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
 
|
Pagina delen: 
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2019, Stg. InterKerk, Schiedam