• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x

NOODZAAK VOOR ROEPING, ROEPING VERONDERSTELT VRIJHEID
Roepingenzondag 1968

Noodzaak

De vijfde wereldbiddag voor roepingen, die binnenkort (28 april) wordt gehouden, kunnen wij niet voorbij laten gaan zonder daaraan enkele woorden te wijden.

In twee woorden willen wij onze boodschap samenvatten.

Het eerste is: noodzaak. Ja, noodzaak. Wij weten immers, dat de verwerkelijking van de heilsorde mensen eist die hun leven daarvoor beschikbaar stellen. Die noodzaak vloeit voort uit Gods beschikking, waarin Christus de enige bron zou zijn van heil en heiligheid, maar waarin diens zending zou worden voortgezet in tijd en ruimte door mensen die, geroepen om deel te hebben aan Christus' priesterschap, te midden van hun medemensen de onmisbare bedienaars zouden zijn van woord en genade. Het Concilie herinnert er terecht aan, dat het kerkelijk dienstambt door God is ingesteld 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk, Lumen Gentium (21 nov 1964), 28. En als er een tekort zou komen aan bedienaars van dit ambt dan zou het goddelijk heilsplan zelf daaronder lijden, niet verder worden verwezenlijkt onder het geslacht der mensen.

In het licht van de taak die de Kerk is geroepen te volbrengen, is deze noodzaak wel overduidelijk. De Kerk is apostolisch; dat wil zeggen, dat zij apostelen nodig heeft die haar getuigenis uitdragen en zo haar opdracht volbrengen. De Kerk is katholiek; dat wil zeggen: algemeen; en als zij de haar toebedachte taak plichtsgetrouw wil volbrengen en dus voor alle mensen het middel wil zijn waardoor het rijk van God wordt verwerkelijkt, dan zal zij geladen moeten zijn met een nooit ophoudende expansiedrang, maar dan heeft zij ook steeds nieuwe en steeds meer bedienaars nodig. Bij deze noodzaak, die voortspruit uit haar wezen, komt dan tegenwoordig nog de feitelijke noodsituatie, een bron van zorglijke gedachten voor allen die zich verantwoordelijk voelen voor de Kerk van God. Het aantal bedienaars van het evangelie immers is niet meer toereikend. Statistieken wijzen uit, dat hun aantal vermindert, terwijl hun werkterrein groter wordt.

Aan het Concilie danken wij gelukkig de grote waardering voor het koninklijk priesterschap van de gelovigen. Maar het zou voor de heilige Kerk allesbehalve gelukkig zijn, als deze wijze waardering, die men terecht heeft voor dat priesterschap waaraan het hele godsvolk deel heeft, ertoe zou leiden, dat het ambtelijk of hiërarchisch priesterschap zou worden overschaduwd. Dit algemeen priesterschap immers is in zijn vorm en in zijn beleving afhankelijk van het hiërarchische Vgl. 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk, Lumen Gentium (21 nov 1964), 10. Wij zouden zelfs willen zeggen, dat het algemeen priesterschap, naarmate het hoger wordt gewaardeerd, meer is aangewezen op de bediening van het hiërarchisch priesterschap. En des te meer blijkt dan ook, dat de taak die aan het hiërarchisch priesterschap is toevertrouwd daarvan niet kan worden losgemaakt.

Kortom, de Kerk heeft bedienaren nodig, heeft roepingen nodig. Het is eenvoudig niet denkbaar, dat het lot van de Kerk, en daarmee de christelijke heilsbestemming van de wereld, afhankelijk zou zijn van charismatische tekenen of bewegingen, die immers zelf de steun van het dienstambt en de bijstand van het hiërarchisch priesterschap nodig hebben. Integendeel, de Kerk steunt op mensen die door wijding zijn geheiligd, die onuitwisbaar zijn getekend door hun priesterlijke macht, die in hun eigen leven het offer van Christus voortzetten en die krachtens hun wijding dat offer telkens hernieuwen op onbloedige wijze. De noodzaak waarvan wij spreken, vindt ook haar oorsprong in de mentaliteit van de moderne wereld. Wij constateren daarin een groeiende tendens naar secularisering; de zin voor het heilige verdwijnt, alsook de aandacht voor de onverbrekelijke religieuze band tussen God en mens. Maar des te noodzakelijker wordt de aanwezigheid, midden in deze profane wereld, van mensen die officieel zijn aangesteld, opgeleid en gewijd, van 'beheerders van Gods geheimen' (1 Kor. 4, 1). Dat alles moeten wij trouwens ook beamen, als wij zien, dat de Kerk steeds meer zorgen op zich neemt ten dienste van de mensheid. Voor de toekomst zou zij er nooit zeker van kunnen zijn, dat deze taak werd vervuld met kracht en rechtschapenheid zonder priesters die evenzeer in staat zijn tot contemplatie als tot activiteit, die beschikken over de heiligende kracht en over het herderlijk gezag, eigen aan het ambtelijk priesterschap.

Noodzaak. Nodig voor de Kerk zijn - het blijkt uit dit alles - nieuwe, vele en goede bedienaren. Nodig zijn roepingen.

Vrijheid

En dit is ons tweede woord: vrijheid. De noodzaak, die voortvloeit uit Gods beschikking, komt te staan tegenover de vrijheid op het menselijk vlak. Want met deze vrijheid bedoelen wij: zichzelf vrijwillig beschikbaar stellen voor de zaak van Christus en zijn Kerk. Roeping en antwoord bepalen elkaar. Roeping veronderstelt vrijheid. Roeping wil zeggen: zichzelf spontaan aanbieden, bewust, edelmoedig en volledig.

Al wat wij zeggen, is van toepassing op de roeping tot het ambtelijk priesterschap, maar evenzeer op de roeping tot het religieuze leven, waaraan de Kerk eveneens dringend behoefte heeft. En het geldt voor roepingen onder mannen en onder vrouwen; de heilige Kerk verlangt en waardeert beide.

Wij gebruikten het woord: zich beschikbaar stellen. Daar vooral ligt het eigenlijke probleem. Waar vindt de Kerk thans jonge mensen die zichzelf aanbieden en zich willen wijden aan haar dienst? Het godsdienstige heeft niet meer de suggestieve aantrekkingskracht van weleer, het is in bepaalde kringen in discrediet geraakt door het atheïsme, al of niet van hogerhand opgelegd, of door een tot levensideaal verheven hedonisme. In de wereld van het godsdienstige gelden economische bronnen noch roem, het is een terrein dat bijna niet meer toegankelijk is voor de mentaliteit van de jonge generatie.

En toch, onder de drang - zoals wij zeiden - van de noodzaak die uit haar wezen zelf voortspruit, wacht, vraagt en roept de Kerk. Zij roept vooral de jeugd, omdat zij weet, dat de jongeren nog altijd de bereidheid hebben om te luisteren naar haar stem. Die roepstem nodigt uit tot dingen die moeilijk, heldhaftig, maar waarachtig zijn. Zij smeekt om begrip en hulp voor de onzegbare nood van medemensen die niemand hebben die tot hen spreekt over Christus en God, van broeders die onaanzienlijk en arm zijn, die lijden, van broeders die zich wijden aan de grote maar hachelijke taak om deze wereld te veroveren door wetenschap en techniek en ze te ordenen in economisch, sociaal en politiek opzicht. Zij vooral hebben behoefte aan steun, aan licht, aan verdiepende duiding. Het is de nederige maar dringende stem van Christus die zegt - vandaag zowel als gisteren, en zelfs nog meer dan gisteren -: kom.

De vrijheid wordt hier gesteld voor haar uiterste waagstuk: dat van het beschikbaar stellen van zichzelf, de edelmoedigheid, het offer.

Wij zijn van mening, dat er ook nu grootmoedige mensen zijn, in staat om 'te horen, wat de Heilige Geest zegt tot de Kerk' Vgl. Openb. 2, 7 , en tot hen is onze boodschap allereerst gericht. Maar niet alleen tot hen. Op alle christelijke gezinnen doen wij een beroep het hunne bij te dragen door een zoon, een dochter aan te bieden voor de Kerk, voor Christus. Natuurlijk, dat is een offer voor hen, maar een waardevol en eervol offer!

Wij richten onze boodschap evenzeer tot herders en opvoeders, met het verzoek oog te hebben voor het ontluiken van de roeping in jonge mensen en die dan te sterken en te begeleiden.

En ook richten wij onze boodschap tot die gerijpte volwassenen die aandacht hebben voor deze hoogste werkelijkheid. Roepingen op latere leeftijd betekenen voor de Kerk nieuwe hoop. Zij begrijpt, hoe waardevol deze zijn, zij heeft oog voor de eigen problematiek van deze mensen en grote waardering voor hun bijdrage.

Tenslotte vragen wij aan heel het volk van God zich te bezinnen op het grote vraagstuk van de roepingen. Daarbij onderschrijven wij de vermaning van het Concilie: 'Het bevorderen van de roepingen is een taak van de gehele christengemeenschap .. .'. Wij vragen haar daarom die geestelijke en morele steun die bestaat in een levensmilieu dat het ontkiemen val1 roepingen bevordert en dat neerkomt op: 'allereerst een volledig christelijk leven' en 'vurig gebed' 2e Vaticaans Concilie, Decreet, Over de priesteropleiding, Optatam Totius Ecclesiae (28 okt 1965), 2.

Over allen die deze boodschap van ons aanhoren, kome onze apostolische zegen.

Vanuit het Vaticaan, 19 april 1968.

Paus Paulus VI

Document

Naam: NOODZAAK VOOR ROEPING, ROEPING VERONDERSTELT VRIJHEID
Roepingenzondag 1968
Soort: H. Paus Paulus VI - Boodschap
Auteur: H. Paus Paulus VI
Datum: 19 april 1968
Copyrights: © 1968, Katholiek Archief, jrg. 23, nr. 19
Vert.: Oriƫntatiecentrum voor Kerkelijke Roepingen
Bewerkt: 12 november 2018

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
 
|
Pagina delen: 
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2019, Stg. InterKerk, Schiedam