• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x
Het celibaat en de liefde

Gelijk gezegd, (zie nr. Tweede Vaticaans oecumenisch Concilie. Maar bij een nadere beschouwing blijkt, dat de priester door om Christus’ wil het offer te brengen van de menselijke liefde, die de gehuwden beleven binnen het gezin, in werkelijkheid een hulde brengt aan die liefde. Want het is een algemeen bekende waarheid, dat de mens aan God altijd offers heeft gebracht, die zowel de gever als de ontvanger tot eer strekken.

De genade en de natuur

De Kerk kan en mag overigens niet vergeten, dat de jonge man bij de keuze van het celibaat – als deze geschiedt met menselijke en christelijke wijsheid en verantwoordelijkheidsbesef – geleid wordt door de genade, die de natuur niet vernietigt of haar geweld aandoet, maar haar veredelt en haar bovennatuurlijke kwaliteiten en kracht schenkt. God, die de mens geschapen en verlost heeft, weet, wat Hij van de mens kan vragen en Hij geeft hem al de nodige hulp om te kunnen volbrengen, wat zijn Schepper en Verlosser van hem vraagt. St. Augustinus, die in zichzelf zo diep en pijnlijk de zwakheid van de menselijke natuur had ervaren, zegt: “Geef wat gij beveelt, en beveel wat gij wilt” H. Augustinus, Belijdenissen, Confessiones. X, 29, 40: P.L. 32, 796.

De werkelijke zwaarte van de moeilijkheden

Een eerlijke kennis van de werkelijke moeilijkheden van het celibaat is voor de priester hoogst nuttig en zelfs noodzakelijk om er zich ten volle van bewust te kunnen zijn, wat het celibaat van hem verlangt, wil dit echte deugd zijn en heilzaam voor hem zelf en anderen. Maar met dezelfde eerlijkheid moet men ervoor waken om aan deze moeilijkheden een grotere betekenis en zwaarte toe te kennen dan ze in werkelijkheid hebben in de menselijk en religieuze situatie van de priester, en men mag ze evenmin als onoverkomelijk beschouwen.

Het celibaat is niet tegen de natuur

Het zou onbillijk zijn om na alle studies van de moderne wetenschap te blijven beweren, (zie nr. 10), dat het celibaat tegen de natuur ingaat, omdat het in strijd zou zijn met de wettige fysieke, psychologische en affectieve behoeften van de mens, waaraan men zou moeten voldoen om een volledige ontplooiing en rijpheid van de menselijke persoonlijkheid te kunnen bereiken. De mens, geschapen naar Gods beeld en gelijkenis (Gen. 1, 26-27), is niet alleen maar lichaam, en de seksualiteit is niet het hoogste. Tot de mens behoort ook en vooral: verstand, wil, vrijheid; door deze vermogens staat hij boven al het andere, en zo moet hij zichzelf ook zien; deze vermogens geven hem de heerschappij over zijn fysieke, psychologische en affectieve strevingen.

De diepste reden van het celibaat

De ware en diepste reden van het celibaat ligt, gelijk wij boven reeds zeiden, hierin, dat de priesterkandidaat zichzelf door een nauwere en vollediger relatie wil binden aan het mysterie van Christus en de Kerk, tot heil van de gehele mensheid. En er bestaat geen twijfel aan, dat deze hoogste waarden van de mens in deze keuze het best tot hun recht kunnen komen.

Het celibaat als veredeling van de mens

De keuze van het celibaat houdt helemaal geen negeren of verachting in van de seksualiteit en de affectiviteit – dat zou schadelijk zijn voor het fysieke en psychologische evenwicht – maar ze vereist een helder inzicht, een bewuste zelfbeheersing en een verstandig streven om zijn innerlijke gevoelens op een hoger plan te brengen. Zo geeft het celibaat aan de mens een grote veredeling en draagt het daadwerkelijk bij tot zijn volledige uitgroei in menselijkheid en deugd.

Het celibaar en de rijpheid van de persoonlijkheid

Het is zeker waar, dat het natuurlijk en wettig verlangen van de man om zijn liefde te schenken aan een vrouw en met haar een gezin te stichten, wordt gepasseerd door hem, die het celibaat kiest; maar daarmee is niet gezegd, dat het huwelijk en het gezin voor de mens de enige weg zijn om tot zijn volledige rijpheid te komen. In het hart van de priester wordt de liefde niet verstikt. De liefde, die voortkomt uit de zuiverste bron Vgl. 1 Joh. 4, 8-16 en die beoefend wordt door de navolging van God en Christus, is veeleisend en actief Vgl. 1 Joh. 3, 16-18 , gelijk elke waarachtige liefde. De liefde geeft een onmetelijke horizon; zo verdiept en verbreedt het verantwoordelijkheidsbesef, hetgeen een teken is van een rijpe persoonlijkheid; ze wekt in de priester als teken van een hoger en rijker vaderschap een grote diepte en warmte van gevoel Vgl. 1 Tess. 2, 11 Vgl. 1 Kor. 4, 15 Vgl. 2 Kor. 6, 13 Vgl. Gal. 4, 19 Vgl. 1 Tim. 5, 1-2 die voor hem zelf een grote verrijking betekent.

Celibaat en huwelijk

Heel het volk Gods moet getuigenis afleggen voor het geheim van Christus en zijn Koninkrijk, maar dit getuigenis heeft niet bij iedereen dezelfde vorm. Aan de leken, die gehuwd zijn, laat de Kerk de taak om het getuigenis te geven van een echt en volledig christelijk huwelijks- en gezinsleven. Van haar priesters vraagt de Kerk het getuigenis van een leven, dat geheel opgaat in het bemediteren van en het zorg dragen voor de nieuwe fascinerende waarden van het koninkrijk Gods.

Ofschoon de priester het huwelijksleven niet kent door persoonlijke en rechtstreekse ervaring, heeft hij toch vanwege zijn vorming, zijn priesterlijk ambt en door de genade van staat, die hem gegeven wordt, een misschien nog diepere kennis van het menselijk hart, die hem in staat stelt de betreffende problemen te zien in hun kern en zo met zijn raad een waardevolle steun te zijn voor de echtgenoten en christelijke gezinnen. Vgl. 1 Kor. 2, 15 De priester, die het celibaat edelmoedig beleeft, is voor de christelijke echtgenoten het levend bewijs, dat elke menselijke liefde, die deze naam waardig is, een geestelijke dimensie heeft; en zijn persoonlijke offer verdient voor de christelijke echtgenoten de genade van een waarachtige eenheid.

De eenzaamheid van de ongehuwde priester

Het is waar: de priester is door zijn celibaat een eenzame mens. Maar zijn eenzaamheid is geen leegheid, want ze wordt gevuld door God en de overgrote rijkdom van zijn koninkrijk. Bovendien heeft de priester zich op deze eenzaamheid, die een innerlijke en uiterlijke volheid van liefde moet zijn, ingesteld, als hij haar tenminste bewust heeft gekozen en niet uit trots om anders te zijn dan de anderen of om zich te onttrekken aan de algemeen menselijke verantwoordelijkheden of zich af te zonderen van zijn medemensen of uit verachting voor de wereld. Want, ofschoon afgezonderd van de wereld, is de priester niet gescheiden van het volk Gods; hij wordt immers “voor de mensen aangesteld” (Hebr. 5, 1) om zich helemaal te kunnen wijden aan de beoefening van de liefde Vgl. 1 Kor. 3, 4. vv. en “aan het werk, waartoe de Heer hem roept” Vgl. 2e Vaticaans Concilie, Decreet, Over het leven en dienst van de priester, Presbyterorum Ordinis (7 dec 1965), 3.

Christus en de eenzaamheid van de priester

Soms kan de eenzaamheid zwaar drukken op de priester, maar daarom behoeft hij er nog geen spijt over te hebben, dat hij dit leven edelmoedig heeft gekozen. Ook Christus was in de droevigste uren alleen, verlaten juist door hen, die Hij had uitgekozen tot de getuigen en de metgezellen van zijn leven en die Hij had liefgehad “tot het uiterste toe” (Joh. 13, 1). Toch verklaarde Hij: “Ik ben niet alleen, want de Vader is met Mij” . (Joh. 16, 32) Wie vrij gekozen heeft voor een algehele toewijding aan Christus, zal op de eerste plaats in de intimiteit met Hem en in zijn genade de innerlijke kracht vinden om alle melancholie te verdrijven en de moedeloosheid te overwinnen. Het zal hem niet ontbreken aan de liefdevolle bescherming van de allerheiligste Maagd en aan de moederlijke zorg van de Kerk, in wier dienst hij zich gesteld heeft. Hij zal mogen rekenen op de zorg van de bisschop, zijn vader in Christus, op de hechte en trouwe vriendschap van zijn collega’s in het priesterschap, het wantrouwen, de onverschilligheid van de mensen die eenzaamheid soms nodeloos bitter maken, dan zal hij eraan denken, dat hij op sprekende wijze deelt in het lot van Christus zelf, als een apostel, die “niet staat boven degene, die hem gezonden heeft” Vgl. Joh. 13, 16 Vgl. Joh. 15, 18 en als een vriend, aan wie de goddelijke vriend zijn geheimen van leed en vreugde toevertrouwt; hij is immers door Christus gekozen om in een leven, dat schijnbaar de dood ondergaat, mystieke vruchten van leven voort te brengen. Vgl. Joh. 15, 15-16, 20

Document

Naam: SACERDOTALIS CAELIBATUS
Over het priestercelibaat
Soort: H. Paus Paulus VI - Encycliek
Auteur: H. Paus Paulus VI
Datum: 24 juni 1967
Copyrights: © 1967, Ecclesia Docens 0825, Gooi & Sticht, Hilversum
Vert.: Dr. M.H. Mulders C.ss.R., Dr. J. Kahmann C.s.R.
Bewerkt: 4 november 2020

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Inhoudsopgave van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2021, Stg. InterKerk, Schiedam