• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x
De betekenis van het celibaat

Sta mij toe hier in te gaan op de betekenis van het celibaat. Ik doe dat bij wijze van samenvatting, want het is reeds uitvoerig en volledig besproken op het concilie Vgl. 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk, Lumen Gentium (21 nov 1964), 29 Vgl. 2e Vaticaans Concilie, Decreet, Over het leven en dienst van de priester, Presbyterorum Ordinis (7 dec 1965), 16 Vgl. 2e Vaticaans Concilie, Decreet, Over de priesteropleiding, Optatam Totius Ecclesiae (28 okt 1965), 10, in de encycliek H. Paus Paulus VI - Encycliek
Sacerdotalis Caelibatus
Over het priestercelibaat
(24 juni 1967)
en gedurende de gewone zitting van de bisschoppensynode van 1971 Archief van de Kerken 27 ( 1972), 83-86. Deze bespreking was noodzakelijk zowel om dit probleem beter te doordenken als om de zin van de beslissing welke de Latijnse Kerk sedert vele eeuwen had genomen en waaraan zij trouw wil blijven, ook in de toekomst, beter te funderen. De betekenis en zwaarte hiervan is zo groot en zo nauw verbonden met de woorden van het evangelie, dat wij hierover slechts kunnen denken op de wijze en in de woorden van het Concilie, de bisschoppensynode en de grote Paus Paulus VI. We kunnen slechts proberen deze vraag dieper te verstaan en er een doordacht antwoord op te geven, als wij ons vrij maken van de verschillende tegenwerpingen die altijd - en zo ook nu - tegen het priesterlijk celibaat zijn ingebracht, en ook van de verschillende interpretaties, welke zich laten. leiden door normen die vreemd zijn aan het Evangelie en aan de overlevering en het leergezag van de Kerk. Normen, waarvan de 'antropologische' betrouwbaarheid twijfelachtig schijnt en van zeer betrekkelijke waarde.

Overigens moeten wij ons niet te zeer verwonderen over al deze opwerpingen en kritieken die na het concilie verscherpt zijn, maar die nu her en der schijnen te verminderen. Heeft Jezus Christus zelf niet, toen Hij aan zijn leerlingen de verzaking aan het huwelijk voorhield 'omwille van het rijk der hemelen' deze betekenisvolle woorden gesproken: 'Wie bij machte is dit te begrijpen, hij begrijpe het'? (Mt. 19, 12) De Latijnse Kerk heeft gewild en wil nog, dat volgens dit voorbeeld van Christus de Heer zelf en volgens de apostolische leer en de gehele eigen traditie, allen die het sacrament van de wijding ontvangen, deze verzaking omwille van het rijk der hemelen op zich nemen. Deze traditie gaat echter samen met achting voor de afwijkende tradities van andere kerken. Het is een kenmerk en erfgoed van de Latijnse katholieke Kerk welke hieraan veel te danken heeft. Zij wil hierin volharden, hoeveel moeilijkheden ook aan die trouw verbonden zijn, en ondanks de verschijnselen van zwakte en crisis bij afzonderlijke priesters. We zijn er ons van bewust: 'Wij dragen deze schat in aarden potten' Vgl. 2 Kor. 4, 7 niettemin blijven we ons ervan bewust, dat het een schat is.

Waarom is het een schat? Verminderen we, door zo te spreken, de waarde van het huwelijk of de roeping tot het gezinsleven? Of maken we ons schuldig aan de minachting van de manicheërs voor het menselijk lichaam en zijn functies? Of verachten we in zekere zin de liefde die man en vrouw tot het huwelijk en tot de huwelijksgemeenschap brengt, zodat zij 'volkomen één worden' (Gen. 2, 24)(Mt. 19, 6) Maar hoe zouden we zó kunnen denken en redeneren, wij die toch met Paulus weten en geloven en leren, dat het huwelijk een 'groot geheim' is, betrokken op Christus en de Kerk. Vgl. Ef. 5, 32 Maar geen van de motieven waarmee men ons soms tracht te 'overtuigen', dat het celibaat onbruikbaar is, beantwoordt aan de waarheid welke de Kerk verkondigt en in het leven verwerkelijkt door de band en de verplichting, welke de priesters vóór hun heilige wijding op zich nemen. Integendeel: het wezenlijke, eigenlijke en passende motief is vervat in die waarheid welke Christus verkondigd heeft, toen Hij sprak over het verzaken aan het huwelijk omwille van het rijk der hemelen, en die Paulus heeft geleerd, toen hij schreef dat ieder zijn eigen gave van God heeft. Vgl. 1 Kor. 7, 7 Het celibaat is zo'n 'gave van de Geest'. Zo'n gave, maar anders, ligt ook in de roeping tot de ware en trouwe huwelijksliefde, in het grote sacrament van het huwelijk, gericht op lichamelijke voortplanting. Het blijkt immers, van hoe groot belang deze gave is voor de opbouw van de grote gemeenschap van de Kerk, het volk van God. Als deze gemeenschap ten volle wil beantwoorden aan de roeping van Jezus Christus. moet ook - op aangepaste wijze - die andere 'gave': de gave van het celibaat 'omwille van het rijk der hemelen' (Mt. 19, 12) in haar vervuld worden.

Maar waarom verbindt de katholieke Latijnse Kerk deze gave niet enkel met het leven van die mensen die de strenge levenswijze van de evangelische raden op zich nemen in de religieuze instellingen, maar ook met de roeping tot het hiërarchisch en ambtelijk priesterschap? Zij doet dit, omdat het celibaat 'omwille van het rijk der hemelen' niet slechts een eschatologisch teken is, maar ook grote sociale betekenis heeft in dit leven voor de dienst aan het volk van God. Want door het celibaat wordt de priester 'een mens voor anderen'. Hij is dit op een andere wijze dan degene, die door het huwelijk met een vrouw als echtgenoot en vader een 'mens voor anderen' is, vooral binnen de grenzen van huis en gezin, namelijk voor zijn vrouw en voor de kinderen, aan wie zij het leven schenkt.

De priester echter, die verzaakt aan dit vaderschap in het huwelijk, zoekt een ander vaderschap, ja zelfs een ander moederschap. We denken hierbij aan de woorden van de apostel over de kinderen, die hij heeft voortgebracht en voor wie hij weeën heeft doorstaan. Vgl. 1 Kor. 4, 15 Vgl. Gal. 4, 19 Dat zijn de kinderen van zijn geest, mensen namelijk die de Goede Herder aan zijn zorgen heeft toevertrouwd. Het zijn er velen, meer als een gewoon menselijk gezin omvatten kan. De pastorale roeping van de priester is groot en volgens de woorden van het concilie zelfs universeel, heel de Kerk betreffend, en daarom missionair. Vgl. 2e Vaticaans Concilie, Decreet, Over het leven en dienst van de priester, Presbyterorum Ordinis (7 dec 1965), 3.6.10.12 Gewoonlijk is deze roeping met de dienst aan een bepaalde gemeenschap van het volk van God verbonden waarin ieder de zorg, toewijding en liefde van de priester verwacht. Om open te staan voor zo'n dienst en zorg en liefde, moet het hart van de priester vrij zijn. Het celibaat is op deze wijze een teken van de vrijheid die geschikt maakt voor deze dienst. Door dit teken is het hiërarchisch en ambtelijk priesterschap volgens de traditie van onze Kerk direct gericht op het algemene priesterschap van de gelovigen.

Beproeving en verplichting

De wijd verbreide mening, dat het priesterlijk celibaat in de katholieke Kerk niets anders is dan een louter wettelijk opgelegde verplichting voor hen die het sacrament van de wijding ontvangen, is een misverstand - als het tenminste niet te kwader trouw gezegd wordt. We weten allen, dat het zó niet is. Iedere Christen die het sacrament van de wijding ontvangt. verplicht zich tot het celibaat, volledig bewust en vrij, na jaren van voorbereiding en overweging hiervan en na veel gebed. Pas dan. als hij ervan overtuigd is, dat Christus hem deze 'gave' schenkt tot nut van geheel de Kerk en tot dienst aan anderen, verplicht hij zich tot celibatair leven. Eerst dan neemt hij op zich heel zijn leven het celibaat te onderhouden. Daarom is het duidelijk, dat een op deze wijze genomen besluit niet enkel verplicht wegens een kerkelijke wet. maar ook krachtens de eigen gewetensverantwoordelijkheid. Het gaat er dus om. de aan Christus en de Kerk gegeven belofte te vervullen. De trouw aan deze eigen belofte is ook een verplichting, en tegelijk een beproeving van de innerlijke rijpheid van de priester en een bewijs van zijn waardigheid. Dit blijkt in alle duidelijkheid. wanneer deze trouw. aan Christus gegeven door een bewust en vrij besluit om voor altijd het celibaat te onderhouden. op moeilijkheden stuit, op de proef wordt gesteld en zelfs wordt aangevochten. Deze dingen blijven aan priesters evenmin bespaard als aan welke andere mens en Christen ook. In deze tijden van beproeving moet ieder zich hulp verwerven in vurig gebed. Door het gebed namelijk kan hij de houding van deemoed n het besef van nederigheid en eerlijkheid hervinden tegenover God en zijn eigen geweten. Dit is voor hem de bron van kracht en steun om staande te kunnen blijven. Dan vooral ontstaat het vertrouwen, zoals van de heilige Paulus. als hij zegt: 'Alles vermag ik in Hem die mij kracht geeft'. (Fil. 4, 13) De waarheid hiervan wordt bevestigd door de ervaring van zeer vele priesters en door de werkelijkheid van het leven. Hiermee instemmen is de grondslag van de trouw jegens de aan Christus en de Kerk gegeven beloften. Dit bevestigt ook de waarachtige trouw aan zichzelf

en zijn geweten en aan zijn eigen menselijke waardigheid. Dit alles moet overwogen worden, wil men niet direct zijn toevlucht nemen tot dispensatie als een - administratieve - ingreep', alsof het. in werkelijkheid, niet zou gaan over een zeer grote gewetenskwestie en over een beproeving van de eigen menselijke rijpheid. God zelf heeft recht op zo'n beproeving in ieder van ons. Want het staat vast, dat het aardse leven voor ieder mens een tijd van strijd is. Maar God wenst. dat wij uit zo'n strijd als overwinnaars te voorschijn komen. Daartoe geeft Hij de nodige hulp. Het is wellicht goed hier de plicht van de huwelijkstrouw te vermelden welke voortkomt uit het sacrament van het huwelijk. Deze trouw brengt soortgelijke verplichtingen met zich en kan ook het terrein worden van gelijke beproevingen en ervaringen voor de gehuwden, mannen en vrouwen. Ook zij krijgen, 'door het vuur beproefd' de kans om de kracht van hun liefde te ervaren. Liefde is immers in al zijn dimensies niet slechts gave, maar ook verplichting. Laten we tenslotte ook bekennen dat onze gehuwde broeders en zusters terecht van ons. priesters en herders, een goed voorbeeld en een getuigenis van trouw aan onze roeping tot de dood mogen verwachten. Een trouw aan een roeping, waarvoor wij door het sacrament van de wijding gekozen hebben, zoals ook zij in het sacrament van het huwelijk op zich hebben genomen. Ook hier moeten wij ons ambtelijk priesterschap zien als 'ondergeschikt' aan het algemene priesterschap van alle gelovigen, de leken, vooral degenen die gehuwd leven en een gezin vormen. Op deze wijze zijn wij dienstbaar 'tot opbouw van het lichaam van Christus' (Ef. 4, 12) want anders dragen wij niet enkel niets bij tot opbouw van dit lichaam, maar verzwakken wij de geestelijke samenhang ervan.

Met deze opbouw van het lichaam van Christus hangt ten nauwste samen die ware vooruitgang en ontplooiing van de menselijke persoonlijkheid van alle Christenen, en ook van alle priesters, zich voltrekkend volgens de maat van de gave van Christus. De ontbinding van deze geestelijke samenhang van de Kerk komt zeker niet ten goede aan de ontwikkeling van de menselijke persoonlijkheid en draagt evenmin bij aan de bevestiging hiervan.

Iedere dag is bekering noodzakelijk

'Wat moeten wij dan doen?' (Lc. 3, 10) dit schijnt u te vragen, beminde broeders, zoals de leerlingen en degenen die naar Hem luisterden, zo dikwijls gevraagd hebben. Wat moet de Kerk doen, wanneer het ontbreekt aan priesters, wanneer dit tekort vooral bepaalde landen en gebieden van de wereld treft? Hoe zullen wij beantwoorden aan het grote verlangen naar evangelisatie en hoe zullen wij de honger naar het woord en het lichaam van de Heer kunnen stillen? Als de Kerk aan het celibaat van de priesters als aan een gave omwille van het rijk der hemelen wil vasthouden, belijdt zij daardoor haar geloof en spreekt zij haar hoop uit in haar Meester, Verlosser en Bruidegom en daarmee ook in Hem, die is: 'de Heer van de oogst', en 'de uitdeler van de gaven'. (Mt. 9, 38)(1 Kor. 7, 7) Want 'elke goede gave, elk volmaakt geschenk daalt neer van boven, van de Vader der hemellichten'. (Jak. 1, 17) Wij mogen dit geloof en deze hoop niet verzwakken door onze menselijke twijfel en wankelmoedigheid.

Wij moeten ons derhalve dagelijks bekeren, wetend dat dit de fundamentele eis is van het Evangelie, voor alle mensen geldend, Vgl. Mt. 4, 17 Vgl. Mc. 1, 15 maar meer nog voor ons. Als het onze taak is anderen te helpen om zich te bekeren, dan moeten wij dat zelf in heel ons leven waarmaken. Ons bekeren betekent niets anders dan terugkeren tot de genade van onze roeping, de oneindige goedheid en liefde van Christus overwegen; Hij keert zich tot ieder van ons en roept ieder bij zijn naam, zeggend: 'Volg Mij'. Ons bekeren is hetzelfde als 'rekenschap geven' van onze dienst, onze ijver, onze trouw voor de Heer van onze harten; want wij zijn 'dienaars van Christus en beheerders van Gods geheimen' (1 Kor. 4, 1) wij moeten ook 'rekenschap afleggen' van onze tekortkomingen en zonden, onze wankelmoedigheid, ons tekort aan geloof en hoop, onze 'louter menselijke' en niet 'goddelijke' wijze van denken. Bedenken wij, op welke wijze Christus Petrus zelf hiertoe vermaand heeft. Vgl. Mt. 16, 23 Ons bekeren betekent, dat wij in het sacrament van de verzoening telkens weer God om vergeving en kracht vragen, en dat wij zo steeds weer opnieuw kunnen beginnen, dagelijks voortgaan, onszelf beheersen, geestelijke overwinningen behalen en ons met vreugde geven. 'Want God houdt van een blijmoedige gever' (2 Kor. 9, 7)

Zichzelf bekeren is hetzelfde als 'bidden en daarin niet versagen'. (Lc. 18, 1) Het gebed is in zekere zin de eerste en de laatste voorwaarde voor bekering, geestelijke vooruitgang, heiligheid. Wellicht heeft men de laatste jaren - tenminste in sommige kringen en groepen - te veel gepraat over het priesterschap, over de 'identiteit' van de priester, over de betekenis van zijn aanwezigheid in de wereld van deze tijd en dergelijke en, daartegenover, te weinig gebeden. Er was onvoldoende toeleg om het priesterschap door gebed te vervolmaken en de ware evangelische kracht ervan dynamisch en effectief te maken en zo de priesterlijke 'identiteit' te bevestigen. Het gebed betekent de wezenlijke levenshouding van de priester. Zonder het gebed wordt deze misvormd. Door het gebed worden wij geholpen om steeds weer dat licht te vinden dat ons vanaf het begin van onze priesterlijke roeping geleid heeft en dat ons blijft leiden, ook al schijnt het soms verduisterd te worden. Door het gebed kunnen wij ons voortdurend tot God bekeren en volharden in de voortdurende aandacht voor God. Dit is volstrekt noodzakelijk, als wij anderen tot Hem willen leiden. Het gebed helpt ons om te geloven, om te hopen, om te beminhen, ook dan wanneer menselijke zwakheid ons belemmert.

Het gebed doet ons ook voortdurend de dimensie zien van het rijk, voor de komst waarvan wij, met de woorden van Christus zelf, dagelijks bidden. Dan begrijpen wij ook wat onze taak is bij de verwerkelijking van dit gebed: 'Uw rijk kome', en hoe noodzakelijk wij hiervoor zijn. Al biddend zullen wij wellicht beter 'de velden' zien; 'ze staan wit, rijp voor de oogst', (Joh. 4, 35) en zo zullen wij ook de betekenis begrijpen van de woorden die Christus sprak toen Hij dit zag: 'Vraagt daarom de Heer van de oogst arbeiders te sturen om te oogsten'. (Mt. 9, 38)

Het gebed moet samengaan met de voortdurende arbeid aan onszelf, onze blijvende vorming. Het hierover door de Heilige Congregatie voor de geestelijken uitgegeven document Vgl. Congregatie voor de Clerus, Rondzendbrief over de permanente opleiding en vorming van vooral de jongere clerus, Inter Ea (4 nov 1969) vermaant terecht, dat deze vorming innerlijk moet zijn en de bevordering van het geestelijk leven van de priester moet betreffen, maar ook pastoraal en intellectueel (filosofisch en theologisch). Onze pastorale arbeid, de verkondiging van het woord en de gehele priesterlijke dienst hangt af van ons innerlijk leven, maar moet ook voortdurend door studie ondersteund worden. We moeten niet blijven staan bij wat we vroeger op het seminarie geleerd hebben, ook al hebben we universitaire studies gemaakt waartoe de Heilige Congregatie voor het katholieke onderwijs aanspoort. Heel ons leven lang moeten wij blijven studeren, vooral in deze tijd die - tenminste in veel landen - gekenmerkt wordt door een algemene vooruitgang van onderricht en cultuur. Voor. de mensen die deel hebben aan deze vooruitgang, moeten wij getuigen zijn van Jezus Christus. Daartoe moeten wij door aangepaste studie geschikt zijn, en als leraren van de waarheid en van de moraal moeten wij op overtuigende en effectieve wijze rekenschap kunnen geven van de hoop die ons doet leven. Vgl. 1 Pt. 3, 15 Dit behoort ook tot de dagelijkse bekering tot de liefde, welke bewerkt wordt door de waarheid.

Geliefde broeders! Gij die 'de last van de dag en de brandende hitte draagt', Vgl. Mt. 20, 12 die de hand aan de ploeg slaat en niet omziet naar wat achter u ligt, Vgl. Lc. 9, 62 en wellicht nog meer gij, die twijfelt aan de zin van uw roeping of aan de waarde van uw dienst: denkt aan de plaatsen waar mensen vurig verlangen naar een priester en waar ze al jaren lang, in pijnlijk gemis, uitzien naar een priester! Soms gebeurt het, dat ze samenkomen in een verlaten heiligdom, en op het altaar de nog bewaarde stola leggen en alle gebeden van de Eucharistie uitspreken, maar op het moment, dat beantwoordt aan de transsubstantiatie, wordt het stil, soms door geween onderbroken ... zo vurig verlangen zij die woorden te horen, die alleen de mond van de priester op doeltreffende wijze kan spreken! Zozeer verlangen zij naar de maaltijd van de Heer. waaraan zij alleen maar door de priesterlijke dienst deel kunnen hebben. Evenzeer verlangen zij de woorden van goddelijke vergeving te horen: 'Ik ontsla u van uw zonden'. Zozeer lijden zij onder het verlangen naar de priester, die afwezig is ... Zulke plaatsen zijn er zonder twijfel in de wereld. Als dus iemand van u twijfelt aan de zin van zijn priesterschap, als hij meent dat dit, sociaal gezien, onvruchtbaar is en zonder nut, laat hij dan hieraan denken!

Wij moeten ons iedere dag bekeren, dagelijks opnieuw de gave verwerven, welke wij van Christus in het sacrament van de wijding ontvangen hebben, door de kracht van de heilszending van de Kerk te overwegen en, in het licht van deze zending, ons te bezinnen op de grote betekenis van onze roeping.

Document

Naam: NOVO INCIPIENTE
Aan de priesters op Witte Donderdag 1979
Soort: H. Paus Johannes Paulus II - Brief
Auteur: H. Paus Johannes Paulus II
Datum: 8 april 1979
Copyrights: © 1979, Archief van de Kerken, p. 415-430
Bewerkt: 30 maart 2018

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
 
|
Pagina delen: 
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2019, Stg. InterKerk, Schiedam