• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x

OPGAAN NAAR DE VERLOSSER
Toespraak over het komend heilig jaar tot de Curie-Kardinalen bij hun overbrengen van de Kerstwensen

(...)

Samen gaan wij Hem tegemoet, de Verlosser die komende is. De liturgie van de Advent heeft ons inmiddels helemaal op deze geestelijke reis ingesteld, een tocht waarin wij Hem tegemoet trekken die door de volkeren wordt verwacht. Tot nu toe hebben wij die tocht afgelegd in gezelschap van Jesaja, oerbeeld van Messiasverwachting. We zijn daarbij in de voetstappen getreden van de Doper, die nog eens zijn stem voor ons heeft doen klinken, teneinde “de wegen te bereiden” (Mt. 3, 3)(Lc. 3, 4). Maar bovenal is Maria, de luisterende Maagd, ons nabij geweest met haar voorbeeld en haar voorspraak. Want Jezus wordt verwacht, daar is Maria altijd aanwezig, de “Morgenster” die de komst voorbereid van “de Zon der Gerechtigheid” (Mal. 3, 20).

En nu is het dan zover dat de dagen in vervulling gaan, “het uur aanbreekt” Vgl. Lc. 2, 6 van die gezegende geboorte die wij in de goddelijke geheimen van de heilige Nacht opnieuw zullen beleven. Die “volheid der tijden” breekt aan, waarin zoals de heilige Paus zegt, “God Zijn eigen Zoon zond, geboren uit een vrouw, geboren onder de wet, om vrij te maken...” (Gal. 4, 4).
Ja, Jezus wordt geboren om “vrij te maken” ; Hij komt om ons te verlossen!
Hij komt om ons te verzoenen met God. Zoals de heilige Augustinus met de hem eigen uitdrukkingskracht zo goed onderlijnt: “Door ons Hoofd worden wij met God verzoend, want in Hem is de Godheid van de Eniggeborene deelgenoot geworden aan onze sterfelijkheid, opdat ook wij deel zouden krijgen aan Zijn onsterfelijkheid” H. Augustinus, Brieven, Epistulae. 187. Kerstmis vormt het begin van die “wonderbare uitwisseling” die ons met God verenigt. Het is het begin van de verlossing.
U zult dan ook wel begrijpen hoezeer ons het aanstaande hoogfeest moet aanspreken nu wij ons met heel de Kerk in blijdschap voorbereiden op de viering van het Jubeljaar van de Verlossing. Ik zou graag bij deze buitengewone gebeurtenis willen stilstaan bij deze eerste gelegenheid die mij, na de aankondiging ervan op 26 november aan het slot van de vergadering van het heilig college van kardinalen, geboden wordt. Ik zou voor u mijn hart willen openleggen om aan u, en aan heel de Kerk met u, mijn bedoelingen kenbaar te maken, in één woord: mijn gedachte over de betekenis en de waarde van dit heilig jaar. Het is hier niet de plaats om in te gaan op de bijzonderheden van organisatorische of praktische aard. Wat mij nu veeleer ter harte gaat is: samen met u na te denken over de inhoud in zijn verscheidenheid van dit Jubeljaar dat in voorbereiding is.
Een uitdaging aan de hedendaagse mens
Vóór alles moet hier het aspect naar voren worden gebracht dat de aandacht treft van ieder die acht slaat op “de stem van de Geest die spreekt tot de kerken” (Openb. 2, 29): de functie die dit Jubeljaar van genade heeft tussen het heilig jaar dat in 1975 gevierde is en dat wat in het jaar 2000 gevierd gaat worden, bij de dageraad van het derde millennium, het grote heilig jaar. Het gaat dus om een “overgangs-jubeljaar” tussen deze twee data als een brug die u allemaal acht jaar geleden hebt meegemaakt, toen Paulus VI z.g. alle gelovigen opriep om hun eigen geestelijke vernieuwing in Christus en de verzoening met God te beleven.
Het is het Jubeljaar van de Verlossing: maar eigenlijk biedt elk heilig jaar het mysterie van de verlossing ter verdieping aan en doet het herleven in het geloof en in de boete. Ja, sterker nog, de Kerk herinnert steeds aan de verlossing, niet alleen elk jaar, maar iedere zondag, elke dag, elk ogenblik van haar leven, want in de viering van de sacramenten is zij geheel ondergedompeld in deze sublieme en unieke gave van de liefde van God, aan ons aangeboden in Christus de Verlosser. Het aanstaande Jubeljaar is dan ook een gewoon jaar op buitengewone wijze gevierd: het bezit van de Kerk beleefd, wordt iets buitengewoons door de bijzonderheid van de aangekondigde viering.
Geplaatst in dit perspectief, in de Kairos (het bijzondere tijdstip) van de historische data die wij beleven, krijgt dit Jubeljaar het karakter van een uitdaging aan de hedendaagse mens, aan de gelovige van vandaag, opdat hij het mysterie van de verlossing meer ten volle gaat verstaan, en hij zich mee laat slepen door deze buitengewone aantrekkingsbeweging naar de verlossing, waarvan de concrete werkelijkheid zich voortdurend presenteert in de Kerk als instituut, maar die als “charisma” , als genadegave, moet worden eigen gemaakt in het uur van genade dat de Heer voor iedere mens doet slaan tijdens de beslissende ogenblikken van de christelijke levenservaring. Het gaat om een centraal staande geestelijke beweging die van nu af op het niveau van heel de Kerk gestimuleerd en voorbereid moet worden. Vandaar de noodzaak om deze zo belangrijke periode intens te beleven. Ook al heeft het aanstaande Jubeljaar niet de gebruikelijke langdurige voorbereiding gehad, toch is de Kerk klaar voor de viering ervan. De twee encyclieken "De Verlosser van de MensH. Paus Johannes Paulus II - Encycliek
Redemptor Hominis
De Verlosser van de mensen
(4 maart 1979)
en “Rijk aan erbarmenH. Paus Johannes Paulus II - Encycliek
Dives in Misericordia
Over de Goddelijke Barmhartigheid
(30 november 1980)
zijn concrete aanwijzingen die in zekere zin nu al de weg kunnen wijzen en richtlijnen kunnen geven voor een geëigende viering van het gebeuren. Bovendien leven we op het niveau van de universele Kerk naar de bisschoppensynode toe die door een bijzonders samenloop van omstandigheden zal plaatsvinden tijdens het Jubeljaar en die gewijd zal zijn aan een thema dat ten nauwste verbonden is met de concrete inhoud van het Jubeljaar zelf: “De verzoening en de boete in de zending van de Kerk”. Inmiddels is die synode al zo'n twee jaar in voorbereiding waardoor alle episcopaten van de wereld al op de golflengte zitten van het Jubeljaar van de Verlossing. Door middel van hen is heel de Kerk al op weg naar de viering van dat gebeuren van genade en barmhartigheid.
Christus: het enige antwoord voor de mens
Het aanstaande Jubeljaar wil de viering van de verlossing bewustmaken die in heel de Kerk voortdurend herdacht en herleefd wordt. Zijn specifieke doelstelling is: op te roepen tot een diepere beschouwing van het gebeuren van de verlossing en tot de concrete toepassing ervan in het sacrament van de boete.
U merkt dat de inhoud al meteen duidelijk naar voren komt uit de formulering ervan: Jaar van de Verlossing. Heel de rijkdom van het christelijk mysterie, heel de urgentie van de evangelische uitnodiging ligt besloten in dit woord: de verlossing. Het gebeuren van de verlossing staat centraal in de geschiedenis van het heil. Alles wordt hierin samengevat: Christus is gekomen om ons te redden. Hij is de Verlosser van de mens, H. Paus Johannes Paulus II - Encycliek
Redemptor Hominis
De Verlosser van de mensen
(4 maart 1979)
. Voor de mens die op zoek is naar de waarheid, de rechtvaardigheid, het geluk, de schoonheid, de goedheid, zonder die op eigen krachten te kunnen vinden, en die onvoldaan stilstaat bij de voorstellen die de binnenwereldse en materialistische ideologieën hem bieden, en die daarom aan de afgrond raakt van de wanhoop en de verveling, of verlamd raakt in het onvruchtbare en hemzelf vernietigende zinnelijke genot – voor de mens die in zichzelf, in geest en hart de beeltenis ingedrukt draagt van God en deze dorst naar het absolute voelt – voor die mens is het enige antwoord: Christus. Christus komt de mens tegemoet om hem te bevrijden van de slavernij van de zonde, en om hem de oorspronkelijke waardigheid terug te geven.
De verlossing vat heel het mysterie van Christus samen, en vormt het fundamentele mysterie van het christelijk geloof, het mysterie van een god die liefde is en die zich als liefde geopenbaard heeft in de gave van Zijn Zoon in de hoedanigheid van slachtoffer tot “verzoening van onze zonden” (1 Joh. 4, 8-10)
De verlossing is een openbaring van liefde, is een werk van liefde, zoals ik in mijn eerste encycliek geschreven heb Vgl. H. Paus Johannes Paulus II, Encycliek, De Verlosser van de mensen, Redemptor Hominis (4 mrt 1979), 9. Het Jubeljaar moet daarom alle christenen tot de herontdekking brengen van het mysterie van liefde dat in de verlossing besloten ligt, en tot een dieper besef van de verborgen rijkdommen die van de eeuwigheid af in Christus verborgen liggen, in de “gloeiende oven” van het paasmysterie.
Bovendien openbaart de verlossing niet alleen God aan de mens, maar ook de mens aan zichzelf Vgl. 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk in de wereld van deze tijd, Gaudium et Spes (7 dec 1965), 22. Zij vormt een wezenlijk bestanddeel van de menselijke geschiedenis, want de mens is niet volledig tenzij hij leeft in de verlossing die de mens de diepe wortels doet ontdekken van zijn persoon, gewond door de zonde en door zijn verscheurende tegenstrijdigheden, maar gered door God in Christus, en gebracht “tot de gesteldheid van de volmaakte mens, naar de maat die past bij de volle rijpheid van ChristusVgl. Ef. 4, 13 .
Het Jaar van de Verlossing zal dus de gelegenheid bieden tot een hernieuwde ontdekking van deze troostende en omvormende waarheden. En het zal de taak zijn van de herders van de zielen, van de theologische reflectie, van de pastoraal, van de verkondiging, op zo breed mogelijke schaal de boodschap van het heil te verspreiden waarin het wezen van het evangelie vervat ligt: Christus is de enige Redder, want “bij niemand anders is redding te vinden, en geen andere Naam onder de hemel is aan de mensen gegeven waarin wij gered moeten worden” (Hand. 4, 12).
Zich de gave van de verlossing eigen maken

Deze objectieve werkelijkheid van het mysterie van de verlossing moet subjectieve werkelijkheid worden, eigen werkelijkheid van iedere gelovige, om de concrete werkdadigheid ervan te verkrijgen in de historische situatie van de mens die leeft, lijdt en werkt in deze resterende tijd van het tweede millennium na Christus, dat naar zijn einde toegaat.
In dit Jubeljaar, dat de barmhartigheid van God bij de ellende van de mens wil brengen, moet de gerichtheid op de genade weer verlevendigd worden, moet de inspanning van de gewetens zich toespitsen op het zich subjectief eigen maken van de gave van de verlossing, van die liefde die door de gekruisigde en verrezen Christus is uitgestort. Het heilig jaar is daarom een oproep die door de gekruisigde en verrezen Christus is uitgestort. Het heilig jaar is daarom een oproep tot berouw en bekering, als een noodzakelijke gesteltenis om deel te kunnen hebben aan de genade van de verlossing. De mens kan zichzelf niet uit eigen zonden verlossen, hij wordt verlost door de vergeving te aanvaarden die door de Verlosser bewerkt is. Wij willen daarom het mysterie van de verlossing beleven door de inspiratie te putten uit die grote werkelijkheden die de leidraad geweest zijn van mijn eerste encyclieken: Christus, “H. Paus Johannes Paulus II - Encycliek
Redemptor Hominis
De Verlosser van de mensen
(4 maart 1979)
” ; Christus die de Vader openbaart die “H. Paus Johannes Paulus II - Encycliek
Dives in Misericordia
Over de Goddelijke Barmhartigheid
(30 november 1980)
” is. Ook de viering van de bisschoppensynode zal het begrip van deze onschatbare gave vergemakkelijken, doordat zij de zielen ertoe zal disponeren om zich de verlossing subjectief eigen te maken: haar te beleven door middel van de boete en de verzoening, dat wil zeggen: in de overwinning op het zedelijk kwaad, in de terugkeer tot God, in de bekering. Zoals ik in de encycliek “H. Paus Johannes Paulus II - Encycliek
Dives in Misericordia
Over de Goddelijke Barmhartigheid
(30 november 1980)
” geschreven heb:

Een waarachtige kennis van de God van de barmhartigheid en de goedertierende liefde is een aanhoudende en onuitputtelijke bron van bekering, niet slechts als een kortstondige innerlijke act, maar ook als blijvende gesteltenis, als een gesteldheid van het hart. Want degenen die er toe komen God op deze wijze te kennen, Hem op deze wijze te zien, kunnen niet anders meer leven dan in een voortdurende bekering tot Hem H. Paus Johannes Paulus II, Encycliek, Over de Goddelijke Barmhartigheid, Dives in Misericordia (30 nov 1980), 13.

Het is nodig opnieuw besef te krijgen van de zonde. Dat dit verloren gegaan is hangt samen met dat andere, nog fundamentelere en meer verborgen verlies van het besef van God. Het sacrament van de boete is het sacrament van de verzoening met God, van de ontmoeting van de mens in zijn ellende met de barmhartigheid van God in de persoon van Christus, de Verlosser, en door de macht van de Kerk. De biecht is een gelovige verwezenlijking in de praktijk van het gebeuren van de verlossing.
Het Sacrament van de Biecht wordt daarom door middel van het Jubeljaar opnieuw onder de aandacht gebracht als een getuigenis van geloof in de dynamische heiligheid van de Kerk die van zondig mensen heiligen maakt; als een vereiste voor de kerkelijke gemeenschap die door elke zonde steeds in haar geheel wordt aangetast, ook wanneer deze individueel begaan wordt; als zuivering met het oog op de eucharistie en als een troostende teken van die sacramentele heilseconomie waardoor de mens in een direct en persoonlijk contact treedt met Christus die voor hem gestorven en verrezen is: “die mij heeft liefgehad en zichzelf voor mij heeft overgeleverd” (Gal. 2, 20). In alle Sacramenten, te beginnen bij het Doopsel, komt deze persoonlijke betrekking tussen Christus en de mens tot stand, maar het is vooral door het Sacrament van de Boete en door de Eucharistie dat deze betrekking gedurende heel het menselijk leven zich steeds weer vernieuwt en tot werkelijkheid wordt, tot bezit, steun, licht en vreugde: “Hij heeft mij liefgehad” .

Aanvullen wat nog ontbreekt
Maar er is nog een betekenis van het Jubeljaar van de Verlossing. Wij leven in een wereld die lijdt: zoveel mensen – het zijn onze broeders en zusters – leven in de allerellendigste ontberingen, angsten en smarten. Dat kan niemand onverschillig laten.
Welnu, het lijden heeft zijn theologische en antropologische wortel in het mysterie van de zonde, en vormt daarom een wezenlijk onderdeel van de verlossing in Christus. Niets in de wereld beantwoordt méér aan het menselijk lijden dan het kruis van Christus. Christus heeft Zijn lijden geleden door de zonde van de wereld op zich te nemen: “Hem die geen zonde heeft gekend, heeft Hij voor ons tot zonde gemaakt, opdat wij door Hem Gods eigen heiligheid zouden worden” (2 Kor. 5, 21). Het Tweede Vaticaans Concilie heeft, waar het de dramatische tegenstellingen en verscheurdheden beschrijft die de hedendaagse mens zo aanvreten, samen met de raadsels en uitdagingen die zich aan zijn verstand en zintuigen aandienen, in Christus de nieuwe mens, in Zijn kruis en verrijzenis het enige antwoord aangewezen op de dramatische vragen van de mens over lijden en dood 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk in de wereld van deze tijd, Gaudium et Spes (7 dec 1965), 22.
De verlossing opent voor ons het prachtige boek van onze solidariteit met de lijdende Christus, en voert ons met Hem binnen in het mysterie van onze solidariteit met de lijdende broeders en zusters. Het Jubeljaar van de Verlossing zal het moeilijk maken intenser in de geest van de “gemeenschap der heiligen” te leven. Het menselijk lijden is een erfgoed dat allen gemeenschappelijk hebben: ieder moet zijn eigen bijdrage leveren aan de verlossing, die weliswaar eens en voor goed heeft plaatsgevonden, maar die niettemin deze mysterievolle integratie nodig heeft, de opoffering van deze zware last van dekwalen en smarten van de mensheid: “Op het ogenblik verheug ik mij dat ik voor u mag lijden en in mijn lijdend lichaam aanvullen wat nog ontbreekt aan de beproevingen van de Christus, ten bate van Zijn lichaam dat de Kerk is” (Kol. 1, 24). Wanneer de Kerk vandaag de dag de traditionele boetepraktijken heel erg verlicht heeft, dan is dat juist omdat in de wereld ondanks de schijn het aantal groeit van hen die in grote mate de christelijke boetvaardigheid kunnen beoefenen, omdat heel hun leven een boete is. Ik denk aan de zieken, aan de eenzaamheid van de bejaarden, aan de angsten van de ouders om hun kinderen, aan de moedeloosheid van de werkelozen, aan de frustraties van zoveel jongeren die er niet in slagen in de samenleving in te voegen; en ik denk aan wie lijdt door de schending van zijn rechten door soms geraffineerde vormen van vervolging tot en met het monddood gemaakt worden als burger.
Welnu, het Jubeljaar van de Verlossing verbindt zich met deze veelvormige en verboren “gemeenschap der heiligen” . Het is waar dat ieder Jubeljaar deel geeft aan de overgelijkelijke rijkdom van de verdiensten en het lijden die de martelaren en de heiligen met de gave van hun leven en van hun heldhaftige kracht in de loop van de oude en recente geschiedenis van de Kerk tot stand brachten als een bewonderenswaardige kroon; maar meer en meer wordt in het licht gesteld – en dat zal zeker een fundamentele aanwinst zijn van het aanstaande Jubeljaar – dat het lijden van onze broeders en zusters, wanneer het verenigd wordt met dat van Christus, een schat is waarvan de Kerk leeft en die het geloof van allen ondersteunt.
Het moge waar zijn dat de ongemakken die aan de viering van een Jubeljaar eigen zijn, vandaag de dag veel minder zijn in vergelijking met die van vroeger eeuwen, ja zelfs met die van de voorbije decennia, maar dat mag niet doen vergeten dat ieder kan en moet geven de bijdrage van het lijden dat, of men nu wil of niet, verbonden is met het menselijk bestaan en dat in Christus verbonden moet worden met dat van de anderen.
Vandaag de dag wordt deze solidariteit in het lijden sterk gevoeld. Er is sprake van een duidelijker liefde onder de christenen, onder elkaar en tot over de grenzen van de Kerk. De verantwoordelijkheid ten aanzien van de lijdenden krijgt scherpere contouren dan vroeger. Het komende Jubeljaar zal daarom een verdere verrijking van deze gevoeligheid mogelijk maken, die in de meest onvervalste zin “sensus Ecclesiae” is, een gevoel voor kerkelijke saamhorigheid door het gegroeide bewustzijn van deze solidariteit, van dit “aanvullen wat nog ontbreekt” .
Niet alleen in Rome
Om al deze motieven waarbij ik ben blijven stilstaan, zult u begrijpen waarom de viering van de verlossing zich niet tot Rome mag beperken, zoals dat het geval is bij de gebruikelijke structuur van andere Jubeljaren. Het mysterie van de verlossing strekt zich uit tot alle mensen, en daarom is deze heilige Stoel van Petrus, getrouw aan haar opdracht, begaan met alle mensen. Het Jubeljaar is bedoeld ten gunste van alle gelovigen, waar zij ook leven. Zijn doel is hen te helpen beter de “ondoorgrondelijke rijkdom van de Christus” te verstaan, om voor de ogen van allen “in het licht te stellen de volvoering van het geheim, dat van eeuwigheid verborgen was in God, Schepper van het heelal, opdat thans... door middel van de Kerk de veelvoudige wijsheid Gods bekend zou worden” (Ef. 3, 8).
Zeker, Rome biedt zich aan alle pelgrims aan met haar unieke karakter, met haar herinneringen aan de apostelen, met haar vieringen in tegenwoordigheid van de paus, met haar eeuwenlange organisatorische ervaring; maar Rome wil niet het alleenrecht opeisen van een schat die van allen is, en wil dat het Jubeljaar met dezelfde rechten en dezelfde geestelijke uitwerkingen in elke plaatselijke kerk in heel de wereld gevierd wordt.
Het Jubeljaar van de Verlossing zal daarom tegelijkertijd in heel de Kerk gevierd worden, zowel in Rome als in de plaatselijke kerken, in de loop van hetzelfde jaar: dat zal in de gelovigen de zin voor de universaliteit van de Kerk bevorderen, voor haar “katholiciteit” : en het zal daardoor allen kunnen uitnodigen de boodschap van de verlossing persoonlijker te beleven, en de opdracht tot bekering en geestelijke vernieuwing die erin vervat ligt, en die het Jubeljaar met suggestieve kracht in herinnering roept.
Alle etappes van het leven van de Zaligmaker
Het Jubeljaar zal gevierd worden vanaf 25 maart 1983, het hoogfeest van de Menswording van de Heer, tot aan het Pasen van Zijn verrijzenis op 22 april 1984. Tijdens heel Zijn bestaan heeft Jezus zich ingezet voor de verlossing: H. Paus Johannes Paulus II - Encycliek
Redemptor Hominis
De Verlosser van de mensen
(4 maart 1979)
, Hij is de Verlosser van de mens. “Daarom zegt Christus dan ook, als Hij in de wereld komt: “Slachtoffers en gaven hebt Gij niet gewild, maar Gij hebt voor Mij een lichaam bereid. Brandoffers en zoenoffers konden U niet behagen. Toen zei Ik : Hier ben Ik. Zoals er in de boekrol over Mij geschreven staat, Ik ben gekomen, o God, om Uw wil te doen”. Door die wil zijn wij geheiligd, eens voor al, door het offer van het Lichaam van Jezus Christus” (Hebr. 10, 5-7.10). Jezus heeft geleefd in afwachting van het “uur” dat de Vader Hem had toevertrouwd: “Vuur ben Ik op aarde komen brengen, en hoe verlang Ik dat het reeds oplaait! Ik moet een doopsel ondergaan en hoe beklemd voel Ik Mij totdat het volbracht is!” (Lc. 12, 49). “Mijn spijs is, de wil te doen van Hem die Mij gezonden heeft en Zijn werk te volbrengen” (Joh. 4, 34).
Dit werk werd volbracht tot het uiterste toe aan het kruis: “Het is volbracht” (Joh. 19, 30). En de Vader beantwoordde deze allerheiligste offergave door Hem “aan te stellen als Zoon van God in kracht, volgens de Geest van heiliging, door middel van de verrijzenis uit de doden, Jezus Christus, onze Heer” (Rom. 1, 4). Vanaf Zijn ontvangenis tot aan de verrijzenis is Christus de Verlosser. Wij zullen daarom in staat zijn al de etappes van het leven van de Zaligmaker opnieuw te doorlopen, om ons de vruchten van Zijn verlossing eigen te maken.
Elkaar hervinden op de gemeenschappelijke basis

Ik heb een groot vertrouwen dat ook onze broeders en zusters die niet in volledige gemeenschap staan met de katholieke Kerk, ten volle begrip zullen hebben voor de waarden die in de viering van het Jubeljaar vervat liggen en dat zij ernaar zullen uitzien met een levendige hoop en kerkelijke liefde.
Het Jubeljaar vormt immers een grote dienst aan de zaak van de oecumene, aan de eenwording van de kerken. Want door de viering van de verlossing overstijgen wij de historische misverstanden en toevallige controversen om elkaar te hervinden op de gemeenschappelijke basis van ons christen-zijn, namelijk als verlosten. De verlossing verenigt ons allemaal in de ene liefde van Christus, gekruisigd en verrezen. In het licht van de oecumenische activiteit ligt hier de eerste en meest waardevolle betekenis die aan het aanstaande Jubeljaar is toe te kennen. Maar er is nog een ander motief dat de hoop vernieuwt met betrekking tot deze samenvoeging van de harten: de geest van gebed en van boetvaardigheid, die de vieringen van het Jubeljaar doortrekt, moet tot die bekering van hart leiden die de concilievaders hebben aangewezen als een wezenlijke voorwaarde voor het herstel van de eenheid in de Kerk:

“Een ware oecumenische beweging zonder innerlijke ommekeer is niet mogelijk. Want uit de vernieuwing van geest, uit zelfverloochening en onbelemmerde schenking van liefde wordt het verlangen naar eenheid geboren en tot rijpheid gebracht. Daarom moeten wij van de Geest van God de genade afsmeken van waarachtige onthechting, van dienende nederigheid en zachtmoedigheid en van broederlijke ruimhartigheid tegenover anderen” 2e Vaticaans Concilie, Decreet, Over de oecumene, Unitatis Redintegratio (21 nov 1964), 7.

Daarom richt ik nu al een warm appèl tot alle verantwoordelijken en leden van de andere kerken en kerkelijke gemeenschappen, opdat zij de viering van het Jaar van Verlossing zullen begeleiden met hun gebed, met hun geloof in Christus de Verlosser, met hun liefde die moge worden tot een ook door ons steeds vuriger gevoelde wens om het gebed te verwerkelijken dat Jezus bad voor Zijn verlossend lijden: “dat allen een zijn” (Joh. 17, 21).

Een mentaliteit van vrede
Het is tenslotte mijn wens dat het Jubeljaar tot een algemene catechese wordt, tot een overal doordringende evangelisatie, op het niveau van alle plaatselijke kerken, over de werkelijkheid van de verlossing: Christus die de mens redt door Zijn liefde, geofferd aan het kruis; en de mens die zich laat redden door Christus. Het is een uitnodiging om het geheim van deze redding beter te begrijpen en om het ten volle te beleven in de praktijk van het sacramentele leven. En bij deze activiteit, die ons bij Christus brengt om ons in Hem de Vader te doen hervinden, zal men de stilzwijgende en overtuigende activiteit van de heilige Geest onder de aandacht moeten brengen, en tot een steeds grotere volgzaamheid en overgave aan Zijn gaven moeten uitnodigen, opdat het werk van het heil, waarin Hij op een directe wijze werkzaam is, in iedere gelovige zich ook werkelijk kan uitwerken. Zo zal het eerste en voornaamste doel van het Jubeljaar bereikt worden dat bovenal mikt op de innerlijke en geestelijke verheffing van de mens en juist daardoor bijdraagt aan de werkzame liefde tussen de volkeren.
Alleen Christus is werkelijk “onze vrede” (Ef. 2, 14). “Ja, God is het die in Christus de wereld met zich verzoende: Hij telde de fouten van de mensen niet en ons gaf Hij de boodschap van de verzoening mee” (2 Kor. 5, 19). Het thema van de verzoening staat daarom in nauw verband met dat van de vrede, van de overwinning op de zonde die zich moet weerspiegelen in de overwinning van de liefde op de vijandschappen, op de rivaliteit, op de vijandigheden onder de volkeren, evenals in de overwinning van de liefde in de afzonderlijke gemeenschappen in de samenleving, en in het hart van iedere mens afzonderlijk. Het werk ter bevordering van de vrede is de uitstraling van deze verlossing, is er de toepassing van in het concrete leven van de mensen en van de naties.
Het Jubeljaar moge ertoe bijdragen in de wereld een mentaliteit van vrede te vestigen: deze wens is me uit het hart gegrepen.
Maria: “morgenster” en “eerstverloste”

Nu al vertrouw ik dit programma toe aan de voorspraak van de allerheiligste Maria. Zij is het toppunt van de verlossing. Zij is onlosmakelijk met dit werk verbonden, omdat zij Moeder is van de Verlosser en de meest verheven vrucht van de verlossing. Zij is immers “de eerstverloste” , juist met het oog op de verdiensten van Christus, Zoon van God en van haar.
De Kerk zal met meer aandacht moeten opzien naar haar die de incarnatie is van het model dat de Kerk zelf hoopt en verwacht te zullen zijn: “als een heerlijke bruid, zonder vlek of rimpel of fout, heilig en onbesmet” (Ef. 5, 27).
Het Jubeljaar van de Verlossing heeft daarom ook een bijzonder mariaal aspect: het feit dat de viering ervan plaats heeft tegen de achtergrond van de verwachting van het derde millennium, doet ons de adventsgesteltenis verstaan die kenmerkend is voor de aanwezigheid van Maria in de geschiedenis van het heil. Zij gaat als “de Morgenster” aan Christus vooraf en bereidt Hem voor, zij ontvangt Hem in zichzelf en geeft Hem aan de wereld. Ook in de voorbereiding van het Jubeljaar geloven en weten wij haar present om onze harten voor te bereiden op dat grote gebeuren.
Haar moederlijke taak bestemt haar daartoe. Zoals Vaticanum II het gezegd heeft, heeft zij op volstrekt enige wijze aan het werk van de Zaligmaker meegewerkt door haar gehoorzaamheid, haar geloof, haar hoop, haar vurige liefde om het bovennatuurlijk leven van de zielen te herstellen” 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk, Lumen Gentium (21 nov 1964), 61 . En daarom gaat zij nog steeds voort “met moederlijke liefde zorg te dragen voor de broeders van haar Zoon die nog op pelgrimstocht zijn en in gevaren en angsten verkeren, totdat zij het gezegend vaderland bereiken” 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk, Lumen Gentium (21 nov 1964), 62. Over enkele dagen de toespraak werd immers enkele dagen vóór Kerstmis gehouden. Noot v.d. vert. zal zij ons het vleesgeworden Woord tonen, waarop zij haar innerlijke blik gericht heeft gehouden door “al deze dingen in haar hart bewaren” Vgl. Lc. 2, 19.51 . Daarom stijgt ons gebed naar haar op, opdat zij nog eens aan heel de Kerk, ja aan heel de mensheid Jezus wil laten zien, “de gezegende vrucht van haar schoot” die van allen de Verlosser is.

“Opent de deuren voor de Verlosser!”
Eerbiedwaardige broeders en geliefde zonen ziedaar wat ik vurig verlangd heb aan u mee te delen en aan heel de Kerk, terwijl wij ons op weg begeven om het mysterie van Kerstmis, de dageraad van de verlossing opnieuw te beleven: ja, inderdaad, over de uiterste armoede van Bethlehem ligt reeds de schaduw van het kruis. Moge Maria ons steeds terzijde staan. Moge de aartsengel Michaël, de heilige Johannes de Doper, de heilige apostelen Petrus en Paulus en alle andere apostelen voor ons in steeds overvloediger mate de gave van het heil verkrijgen voor een waardige en vruchtbare viering van het Jubeljaar, en mogen zij heel de Kerk ervoor in de goede gesteltenis brengen die grote gebeurtenis te beleven. Mogen zij haar ervoor klaarmaken ten volle de verlossing van Christus te ontvangen. Vanuit deze plaats roep ik tot heel de Kerk: “Opent de deuren voor de Verlosser!”

Document

Naam: OPGAAN NAAR DE VERLOSSER
Toespraak over het komend heilig jaar tot de Curie-Kardinalen bij hun overbrengen van de Kerstwensen
Soort: H. Paus Johannes Paulus II - Toespraak
Auteur: H. Paus Johannes Paulus II
Datum: 23 december 1982
Copyrights: © 1984, Stichting Verkondiging, Roermond
Vert.: Past. Chr. van Buijtenen, pr.
Bewerkt: 14 juni 2018

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
 
|
Pagina delen: 
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2018, Stg. InterKerk, Schiedam