• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x

De zonde heeft inderdaad, doordat deze naar zijn aard een belediging is van de heiligheid en gerechtigheid van God, alsook een minachting voor de persoonlijke vriendschap die God voor de mens heeft, een dubbel gevolg. In de eerste plaats brengt zij, als het een zware zonde is, de ontbering van de gemeenschap met God met zich mee en, dientengevolge, de uitsluiting van het eeuwig leven. Aan de rouwmoedige zondaar verleent God echter in zijn barmhartigheid vergeving van de zware zonden en kwijtschelding van de ‘eeuwige straf’ die er het gevolg van zou zijn.

In de tweede plaats brengt “elke zonde, ook een dagelijkse zonde, een ongezonde gehechtheid aan het geschapene met zich mee. Deze gehechtheid heeft een loutering nodig, hetzij hier op aarde, hetzij na de dood in de toestand die vagevuur genoemd wordt. Deze loutering bevrijdt van wat men de ‘tijdelijke zondestraf’ noemt”. Catechismus-Compendium, Catechismus van de Katholieke Kerk (15 aug 1997), 1472 Als deze eenmaal is uitgeboet, is er geen belemmering meer voor de volledige gemeenschap met God en met de broeders en zusters.

Aan de andere kant leert de Openbaring, dat de christen op zijn weg van bekering niet alleen staat. Zijn leven is in Christus en door Christus via een mysterievolle band verenigd met het leven van alle andere christenen in de bovennatuurlijke eenheid van het mystiek lichaam. Zo komt er tussen de gelovigen een wonderbare uitwisseling tot stand van geestelijke goederen, krachtens welke de heiligheid van de een de anderen een weldaad verschaft die de mogelijke door iemand aan anderen toegebrachte schade van de zonde verre overtreft. Er zijn mensen die een overvloed nalaten aan liefde, aan gedragen lijden, aan zuiverheid en waarheid die doorstroomt naar anderen en hun steun biedt. Dit is de werkelijkheid van de ‘plaatswaarneming’ waarop het hele mysterie van Christus gegrondvest is. Zijn overvloedige liefde redt ons allen. Niettemin is een deel van de grootsheid van de liefde van Christus, dat deze ons niet passief ons lot doet ondergaan, maar dat deze liefde ons medeplichtig maakt aan zijn verlossend optreden en met name in zijn lijden. Dat lezen we in de overbekende zinsnede van de Brief aan de Kolossenzen: “In mijn lichaam vul ik aan wat nog ontbreekt aan de verdrukkingen van Christus ten bate van zijn lichaam, dat is de Kerk” (Kol. 1, 24).

Deze diepe werkelijkheid wordt prachtig verwoord in een passage van het Boek van de Openbaring waarin de Kerk beschreven wordt als de bruid gekleed in een eenvoudig wit linnen gewaad, van een zuivere stralende stof. De heilige Johannes zegt: “Het linnen symboliseert de goede daden van de heiligen” (Openb. 19, 8). En tijdens het leven van de heiligen wordt dan ook de stralende stof geweven die de kleding van de eeuwigheid is. Alles komt van Christus, maar omdat wij Hem toebehoren, is alles van ons ook van Hem en verwerft een genezende kracht. Dat moet men begrijpen wanneer men spreekt over de ‘schat van de kerk’ die gevormd wordt door de goede werken van de heiligen. Bidden om de aflaat te verkrijgen betekent binnentreden in die geestelijke gemeenschap en dus een zich volledig openstellen voor de anderen. Niemand leeft dan ook voor zichzelf, ook niet in het rijk van de geest. En de heilzame zorg voor de redding van zijn ziel staat niet los van vrees en egoïsme tenzij die zorg ook het heil van de ander betreft. Dat is de werkelijkheid van de gemeenschap der heiligen, het mysterie van de ‘plaatswaarnemende werkelijkheid’, van het gebed als weg van eenheid in Christus en in de heiligen. Hij neemt ons mee om met Hem het witte kleed van de nieuwe mensheid te weven, het kleed van schitterend linnen van de Bruid van Christus.

Deze doctrine over de aflaten “leert vooreerst, dat ‘het slecht en bitter is de Heer uw God te verlaten’ (Jer. 2, 19). En wanneer de gelovigen aflaten verdienen, begrijpen zij, dat zij het kwaad dat zij door de zonde zichzelf hebben aangedaan en bovendien heel de gemeenschap, niet op eigen kracht kunnen uitboeten. Op deze wijze worden zij aangezet tot een heilzame nederigheid.” H. Paus Paulus VI, Apostolische Constitutie, Over de herziening van de aflatenpraktijk, Indulgentiarum Doctrina (1 jan 1967), 9 De waarheid over de gemeenschap van de heiligen, die de gelovigen verenigt in Christus en onderling, houdt ons voor in welke mate ieder van ons de anderen – levenden en overledenen – kan helpen om altijd intiemer verenigd te worden met de hemelse Vader.

Mij verlatend op deze leerstellige argumenten en het moederlijk inzicht van de Kerk verklarend beslis ik, dat alle gelovigen die zich op de juiste wijze hebben voorbereid, gedurende het Jubileumjaar overvloedig zullen kunnen profiteren van het geschenk van de aflaat, overeenkomstig de richtlijnen die de onderhavige bul vergezellen Vgl. Apostolische Penitentiarie, Bepalingen inzake het verkrijgen van de jubileum-aflaat (29 nov 1998). bijgevoegd decreet.

Document

Naam: INCARNATIONIS MYSTERIUM
Bul ter afkondiging van het Grote Jubileumjaar 2000
Soort: H. Paus Johannes Paulus II - Apostolische Brief
Auteur: H. Paus Johannes Paulus II
Datum: 30 november 1998
Copyrights: © 1999, Libreria Editrice Vaticana / Stg. InterKerk / Nederlandse Bisschoppenconferentie
Bewerkt: 1 februari 2019

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
 
|
Pagina delen: 
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2019, Stg. InterKerk, Schiedam