• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x

De Richtlijnen zeggen al (noot 1) dat ‘de formule ‘de joden’ volgens de context soms betekent ‘de leiders van de joden’ ofwel ‘de tegenstanders van Jezus’, termen die de gedachte van de evangelist beter uitdrukken en die vermijden het joodse volk als zodanig in zijn geheel aan te klagen.’ Een objectieve presentatie van de rol van het joodse volk in het Nieuwe Testament zou rekening moeten houden met deze verschillende feiten:

  1. De Evangeliën zijn het resultaat van jarenlang en gecompliceerd redactioneel werk. De dogmatische constitutie 2e Vaticaans Concilie - Constitutie
    Dei Verbum
    Over de Goddelijke openbaring
    (18 november 1965)
    , in navolging van de Instructie Pauselijke Bijbelcommissie
    Sancta Mater Ecclesia - De historica evangeliorum veritate
    Instructie over de historische waarheid van de Evangeliën
    (21 april 1964)
    van de Pauselijke Bijbelcommissie, onderscheidt drie stadia: ‘De gewijde auteurs schreven de vier Evangeliën, sommige gebeurtenissen uitkiezend uit de vele die door woord of geschrift doorgegeven waren, sommige ervan terugbrengend tot een synthese, andere weer uitleggend met het oog op de situatie van hun Kerken, en met behoud van de vorm van verkondiging, maar wel altijd op zo’n manier dat ze ons de eerlijke waarheid over Jezus vertelden’ (nr 19).<br>
    Men kan daarom niet uitsluiten dat sommige passages die vijandig tegen of minder vleiend voor de joden zijn hun historische context hebben in conflicten tussen de groeiende Kerk en de joodse gemeenschap. Sommige controversen weerspiegelen christelijk-joodse verhoudingen van lang na Jezus’ tijd. Dit vast te stellen is van groot belang als we de betekenis van sommige Evangelieteksten verduidelijken willen voor de christenen van vandaag.
    Met al deze punten moet men rekening houden in de voorbereiding van catechese en homilieën voor de Vastentijd en de Goede Week Vgl. Pauselijke Raad ter bevordering vd Eenheid vd Christenen, Commissie voor religieuze betrekkingen met de Joden, Richtlijnen en suggesties voor de toepassingen van de Concilieverklaring Nostra aetate nr. 4 (1 dec 1974), 2 Sussidi per l’ecumenismo nella diocesi di Roma, 1982, 144 b.
  2. Van de andere kant is het duidelijk dat er conflicten waren tussen Jezus en bepaalde categorieën joden van zijn tijd, onder wie Farizeeën, vanaf het begin van zijn optreden Vgl. Mc. 2, 1-11.24. enz. Vgl. Mc. 3, 6. enz. .
  3. Er is bovendien het droevige feit dat de meerderheid van het joodse volk en hun gezagsdragers niet in Jezus geloofden - niet slechts een feit van de geschiedenis maar ook van theologische aard, waarvan St. Paulus zijn best doet de betekenis te doorgronden Vgl. Rom. 9-11 .
  4. Dit feit, nog meer benadrukt naarmate de christelijke zending zich ontwikkelde, vooral onder de heidenen, leidde onvermijdelijk tot een breuk tussen het jodendom en de jonge Kerk, voortaan onherstelbaar gescheiden en afwijkend in het geloof, en deze stand van zaken wordt weerspiegeld in de teksten van het Nieuwe Testament en in het bijzonder van de Evangeliën. Men kan deze breuk niet minimaliseren of verdoezelen; dat zou de identiteit van beide kanten alleen maar schaden. Niettemin heft het zeker de geestelijke ‘band’ niet op waar het Concilie over spreekt 2e Vaticaans Concilie, Verklaring, Over de houding van de Kerk tegenover niet-christelijke godsdiensten, Nostra Aetate (28 okt 1965), 4, en waarover we hier nog verder willen uitweiden.
  5. Hierover nadenkend in het licht van de Schriften, met name van aangehaalde hoofdstukken van de brief aan de Romeinen, mogen christenen nooit vergeten dat het geloof een vrije gave Gods is Vgl. Rom. 9, 12 en dat we nooit mogen oordelen over het geweten van anderen. De vermaning van St. Paulus ‘wees niet trots’ in uw houding ten opzichte van de ‘wortel’ (Rom. 11, 18) geldt hier ten volle.
  6. Men kan de joden die Jezus kenden en niet in Hem geloofden, of hen die de prediking van de Apostelen weerstonden, niet over dezelfde kam scheren als de joden die later kwamen of die van vandaag. De verantwoordelijkheid van de eersten is al een mysterie, verborgen bij God Vgl. Rom. 11, 25 , maar de laatsten bevinden zich in een geheel andere situatie. Het Tweede Vaticaans Concilie in de verklaring over Godsdienstvrijheid leert dat ‘alle mensen behoren vrij te zijn van dwang . . . op zulk een wijze dat in godsdienstzaken niemand gedwongen mag worden te handelen op een wijze in tegenstelling tot zijn eigen geloof. Noch . . . weerhouden van te handelen in overeenstemming met zijn eigen overtuiging’ 2e Vaticaans Concilie, Verklaring, Over de godsdienstvrijheid - Het recht van de persoon en van de gemeenschappen op sociale en burgerlijke vrijheid in godsdienstige aangelegenheden, Dignitatis Humanae (7 dec 1965), 2 Dit is een van de grondslagen - verkondigd door het Concilie - waarop de joods-christelijke dialoog rust.

De delicate vraag van verantwoordelijkheid voor de dood van Christus moet bezien worden vanuit het standpunt van de Conciliaire verklaring 2e Vaticaans Concilie - Verklaring
Nostra Aetate
Over de houding van de Kerk tegenover niet-christelijke godsdiensten
(28 oktober 1965)
, nr 4 en van de Pauselijke Raad ter bevordering vd Eenheid vd Christenen - Commissie voor religieuze betrekkingen met de Joden
Richtlijnen en suggesties voor de toepassingen van de Concilieverklaring Nostra aetate nr. 4
(1 december 1974)
, nr. 3: ‘Voor wat er gebeurd is in het Lijden (van Christus) kan de schuld niet gelegd worden bij al de joden die toen leefden zonder onderscheid noch bij de joden van vandaag’, vooral omdat ‘gezagsdragers van de joden en degenen die hun leiding volgden aandrongen op de dood van Jezus’. En verder ook: ‘Christus, in zijn grenzeloze liefde, onderging zijn lijden en dood vrijwillig voor de zonden van alle mensen, opdat allen tot redding mogen komen’ 2e Vaticaans Concilie, Verklaring, Over de houding van de Kerk tegenover niet-christelijke godsdiensten, Nostra Aetate (28 okt 1965), 4. De Catechismus-Compendium
Catechismus Romanus Concilii Tridentini
Catechismus van het Concilie van Trente ()
leert dat christelijke zondaars meer schuld hebben aan de dood van Christus dan die enkele joden die deze veroorzaakten - zij, inderdaad ‘wisten niet wat ze deden’ Vgl. Lc. 23, 34 en wij weten het maar al te goed Catechismus-Compendium, Catechismus van het Concilie van Trente, Catechismus Romanus Concilii Tridentini. Deel I, hoofdstuk V, vraag XI. Op dezelfde wijze en om dezelfde reden ‘mogen de joden niet worden voorgesteld als verworpen of vervloekt door God, alsof zulke inzichten uit de Heilige Schrift voortvloeiden’ 2e Vaticaans Concilie, Verklaring, Over de houding van de Kerk tegenover niet-christelijke godsdiensten, Nostra Aetate (28 okt 1965), 4, zelfs al is het waar dat ‘de Kerk het nieuwe volk Gods is’ 2e Vaticaans Concilie, Verklaring, Over de houding van de Kerk tegenover niet-christelijke godsdiensten, Nostra Aetate (28 okt 1965), 4.

Document

Naam: VERKLARING OVER DE JUISTE PRESENTATIE VAN DE JODEN EN HET JODENDOM IN PREDIKING EN CATECHESE BINNEN DE ROOMS-KATHOLIEKE KERK
Soort: Pauselijke Raad ter bevordering vd Eenheid vd Christenen - Commissie voor religieuze betrekkingen met de Joden
Auteur: Johannes Kardinaal Willebrands
Datum: 24 juni 1985
Copyrights: © Katholieke Raad voor Israël
Bewerkt: 7 november 2019

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Inhoudsopgave van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2020, Stg. InterKerk, Schiedam