• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x
a. Het indifferentisme is de bron van allerlei rampen

Wij komen thans aan een andere overvloedige bron van rampen, waardoor de Kerk op dit ogenblik jammerlijk geteisterd wordt, te weten het indifferentisme. Hieronder verstaan wij die verkeerde opvatting, welke door het listig optreden van boosaardige mensen overal verspreid is, nl. dat men in elk geloof de eeuwige zaligheid kan verwerven, als men maar rechtschapen en welvoeglijk leeft. Het zal u zeker gemakkelijk vallen bij een zo duidelijke en klaarblijkelijke zaak de aan uw zorg toevertrouwde mensen voor deze hoogst verderfelijke dwaling te vrijwaren. Daar immers de apostel leert, „dat er één God is, één geloof, één Doopsel" (Ef. 4, 5), mogen zij wel door vrees aangegrepen worden, die zich wijsmaken dat elke godsdienst toegang biedt tot de haven der gelukzaligheid; zij mogen wel bij zichzelf bedenken, dat volgens de getuigenis van den Zaligmaker zelf „zij tegen Christus zijn, die niet met Christus zijn" (Lc. 11, 23), dat zij rampzalig verstrooien, die niet met Hem verzamelen, dat „zij daarom onherroepelijk voor eeuwig verloren zullen gaan, als zij niet het katholiek geloof belijden en ongerept en zuiver bewaard hebben." Geloofsbelijdenis, Pseudo Athanasiaanse Geloofsbelijdenis, Quicumque (30 nov 429), 1. 2 Laten zij naar den H. Hiëronymus luisteren: deze vertelt dat hij, toen de Kerk door een schisma in drieën verdeeld was, trouw aan zijn beginsel telkens wanneer iemand hem naar zijn kant trachtte over te halen, uitriep: „Indien iemand verbonden is aan de Stoel van Petrus, dan is hij mijn man." H. Hiëronymus, 57e brief Ten onrechte zou iemand zich gerust stellen met de gedachte, dat ook hij in water herboren is. Want heel raak zou Augustinus hem antwoorden: „Een rank afgesneden van de wijnstok behoudt nog wel de uiterlijke vorm: maar wat baat haar de uiterlijke vorm, als zij niet leeft op, de wortel?" H. Augustinus in zijn psalm tegen de Donatisten (PL 43, 23-32).

b. „Vrijheid van geweten" is waanzin

Uit dit indifferentisme vloeit als uit een onreine bron het dwaze en valse beginsel, hetwelk men eerder waanzin zou kunnen noemen, nl. dat „vrijheid van geweten" voor iedereen moet opgeëist en gewaarborgd worden. En de weg tot deze allerverderfelijkste dwaling wordt bereid door die volslagen en onbegrensde vrijheid van gedachte, welke, tot ondergang van Kerk en staat wijd en zijd ingang vindt, terwijl sommigen dan nog zo onbeschaamd zijn om te verkondigen, dat deze vrijheid enig voordeel voor de godsdienst oplevert. Maar — zo sprak Augustinus — „wat brengt eerder de doodsteek toe aan de ziel, dan de vrijheid om te dwalen?" H. Augustinus, 166e brief Immers, wanneer alle banden afgeworpen worden, waardoor de mensen op het pad der waarheid gehouden worden, dan mogen wij, daar de natuur der mensen ten kwade geneigd is en dus toch al haar ondergang tegemoet snelt, wel te recht zeggen, dat nu „de put van de afgrond" (Openb. 9, 3) open ligt, waaruit Johannes een rook zag opstijgen, waardoor de zon verduisterd werd, waaruit sprinkhanen verdelgend neerzwierven op de aarde. Want hierin is de oorzaak gelegen van de ommekeer der geesten, de diepe verdorvenheid van de jeugd, de minachting der mensen voor de heiligste zaken en eerbiedwaardigste wetten, in één woord, van de meest dodelijke ziekte der maatschappij. Een ondervinding immers van jaren her getuigt, dat staten schitterend door rijkdom, macht en roem ten onder zijn gegaan alleen door deze ramp, de bandeloze vrijheid van denken en spreken en de zucht naar vernieuwing.

c. Vrijheid van drukpers geeft de dwaling vrij spel en moet dus afgewezen worden

Hiertoe moet ook gerekend worden de onzalige, doemenswaardige en verfoeilijke vrijheid van drukpers, om maar allerlei soort geschriften te publiceren, een vrijheid, die sommigen onder luidruchtig ge schreeuw durven opeisen en bevorderen. Het is huiveringwekkend te zien, eerbiedwaardige broeders, door welke afschuwelijke leerstellingen, of liever, door welke monsterachtige dwalingen wij overstelpt worden. Overal wijd en zijd worden deze dwalingen verspreid door een ontzaglijke massa boeken, brochures en geschriften, klein wel van omvang, maar bovenmate slecht, ten gevolge waarvan tot onze diepe droefheid een vloek is gegaan over het oppervlak der aarde. En dan zijn er nog, helaas! mensen, die in hun verregaande onbeschaamdheid hardnekkig verklaren, dat deze rampzalige stortvloed van dwalingen ruimschoots goed gemaakt wordt door het verschijnen van een of ander boek, dat te midden van deze van alle kanten opstekende storm van boosheid de godsdienst verdedigt. Het is toch zeker ongeoorloofd en in strijd met alle wetten, opzettelijk een zeker en groot kwaad te bedrijven, omdat er misschien kans bestaat, dat er enig goed uit zal volgen. Zou wel iemand met gezond verstand kunnen beweren, dat vergif ongehinderd uitgedeeld, publiek verkocht, vervoerd, ja zelfs gedronken moet worden, omdat er wellicht een geneesmiddel voorhanden is, door het toedienen waarvan het soms lukt de mensen van de dood te redden?

d. De praktijk van de oude Kerk hieromtrent

Heel anders echter was de praktijk van de Kerk bij het uitroeien van de pest der slechte boeken reeds ten tijde van de apostelen, van wie wij lezen dat zij een grote menigte boeken in het openbaar lieten verbranden. Vgl. Openb. 19 Het zij voldoende de wetten door te lezen, op het vijfde Concilie van Lateranen betreffende deze zaak gegeven, en de constitutie, die daarop door onzen voorganger Leo X is uitgevaardigd. Hij wijst er op, dat „de heilzame uitvinding, die de voortplanting van het geloof en de uitbreiding van kunsten en wetenschappen ten doel had, niet in tegenovergestelde richting mag aangewend worden en zo schade zou berokkenen aan het heil der christengelovigen.” Acta van het Vijfde Concilie van Lateranen, 10e zitting, waar ook staat de constitutie van Leo X. Men leze ook de vroegere constitutie Inter multiplices van Alexander VI, waar veel betreffende deze zaak te vinden is. Deze zaak was ook een voorwerp van zorg voor de Vaders van Trente, die als geneesmiddel tegen dit noodlottig kwaad het heilzame besluit uitvaardigden, om een index samen te stellen van boeken, waarin een niet-zuivere leer verkondigd werd. Concilie van Trente, sessies 18 en 25 „Wij moeten ons met kracht te weer stellen", aldus spreekt onze voorganger Clemens XIII, in zijn encycliek over het verbod van slechte boeken „wij moeten ons met kracht te weer stellen, naarmate de zaak het eist, en het dodelijk verderf van zo veel boeken naar best vermogen uitroeien: want nooit zal het ontstaan van dwaling gekeerd worden, als niet die misdadige boeken, de kiemen van het kwaad, verbrand en vernietigd worden." Paus Clemens XIII, Encycliek, Over het verbod van slechte boeken, Christianae (25 nov 1766)

Uit deze blijvende bezorgdheid, waarmede ten allen tijde de Apostolische Stoel er steeds op uit was, verdachte en schadelijke boeken te veroordelen en aan de handen van de mensen te ontrukken, blijkt klaar en duidelijk, hoe vals, vermetel en beledigend voor diezelfde H. Stoel en hoe onheilsvol voor het christenvolk de leer is van hen, die niet alleen de boekencensuur als te streng en lastig verwerpen, maar zelfs in verregaande verdorvenheid deze in strijd verklaren met de juiste rechtsbeginselen en aan de Kerk het recht durven ontzeggen, deze censuur uit te oefenen en te handhaven.

Document

Naam: MIRARI VOS ARBITRAMUR
Over liberalisme en godsdienstig relativisme
Soort: Paus Gregorius XVI - Encycliek
Auteur: Paus Gregorius XVI
Datum: 15 augustus 1832
Copyrights: © 1950, Eccelsia Docens, uitg. Gooi&Sticht, Hilversum 0174
Vert.: L. Zeinstra OFM
Bewerkt: 17 september 2020

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Inhoudsopgave van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2020, Stg. InterKerk, Schiedam