• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x
IV.2
De radicale ervaring van de christelijke vrijheid' vormt hier het eerste verwijspunt. Christus onze Bevrijder heeft ons bevrijd van de zonde en van de slavernij van de wet en het vlees, welke het kenmerk zijn van de situatie van de zondaar. Het nieuwe genadeleven, vrucht van de rechtvaardiging, maakt ons dus vrij. Dat betekent, dat de meest radicale slavernij de slavernij van de zonde is. De andere vormen van slavernij vinden daarom hun diepste wortels in de slavernij van de zonde. Daarom mag de vrijheid in volle christelijke zin, welke wordt gekenmerkt door het leven in de Geest, niet worden verward met verlof om aan de verlangens van het vlees toe te geven. Ze is een nieuw leven in de liefde.
IV.3
De 'theologieën van de bevrijding' beroepen zich ruimschoots op het verhaal van de Uittocht. Dit is namelijk de fundamentele gebeurtenis in de wording van het uitverkoren volk. Het is de bevrijding uit vreemde overheersing en uit de onderdrukking. Bedacht moet worden dat deze gebeurtenis zijn bijzondere betekenis krijgt vanuit zijn doel, want deze bevrijding is gericht op de stichting van het volk van God en op de dienst van het verbond dat gevierd werd op de berg Sinaï. Vgl. Ex. 24 Daarom mag de bevrijding van de Uittocht niet teruggebracht worden tot een bevrijding van vooral en uitsluitend politieke aard. Het is overigens veelbetekenend dat het woord bevrijding in de Schrift soms wordt vervangen door het zeer nauw verwante woord verlossing.
IV.4
De stichtingsgebeurtenis van de Uittocht zal nooit uit het geheugen van Israël worden gewist. Daarnaar wordt verwezen, wanneer men na de verwoesting van Jeruzalem en de ballingschap van Babylon in de verwachting van een nieuwe bevrijding leeft en daarbij in de verwachting van een definitieve bevrijding. In deze ervaring wordt God erkend als de Bevrijder. Hij zal met zijn volk een nieuw verbond sluiten, dat gekenmerkt wordt door de gave van zijn Geest en de bekering van de harten. Vgl. Sef. 3, 12. vv. 5
IV.5

De benauwenissen en noden waardoor de mens die trouw is aan de God van het verbond, wordt beproefd, vormen het thema van verscheidene psalmen: klachten, noodkreten en dankzeggingen maken melding van godsdienstig heil en bevrijding. In dit verband wordt de nood niet enkel en alleen vereenzelvigd met een sociale situatie van ellende of die van wie politieke onderdrukking ondergaat. Ze omvat tenminste de haat van de vijanden, het onrecht, de dood, de misstap. De psalmen wijzen ons op een wezenlijk religieuze ervaring: van God alleen wordt het heil en het geneesmiddel verwacht. God, en niet de mens, heeft de macht om de noodsituaties te veranderen. Zo leven de 'armen van Jahwe' in een totale afhankelijkheid van en vertrouwen op de liefhebbende voorzienigheid van God. Vgl. Sef. 3, 12. vv. En gedurende heel de tocht door de woestijn bleef de Heer trouwens zorg dragen voor de geestelijke bevrijding en zuivering van zijn volk.

IV.6
In het Oude Testament houden de profeten na Amos niet op met buitengewone kracht aan de eisen van rechtvaardigheid en solidariteit te herinneren en een uitermate streng oordeel te vellen over de rijken die de armen onderdrukken. Zij komen op voor de weduwe en de wees. Zij uiten bedreigingen tegen de machthebbers: de opeenhoping van ongerechtigheden kan alleen maar leiden tot verschrikkelijke straffen. De trouw aan het verbond kan niet worden begrepen zonder de beoefening van de rechtvaardigheid. De rechtvaardigheid ten opzichte van God en de rechtvaardigheid ten opzichte van de mensen zijn onafscheidelijk. God is de Verdediger en Bevrijder van de armen.
IV.7
Deze eisen worden teruggevonden in het Nieuwe Testament. Ze worden er zelfs geradicaliseerd, zoals de rede van de zaligsprekingen aantoont. De bekering en vernieuwing moeten in het diepst van het hart worden verwezenlijkt.
IV.8

Zo verschaft het gebod van de broederlijke liefde, dat reeds in het Oude Testament werd aangekondigd, en zich uitstrekt tot alle mensen, ook de hoogste regel van het sociale leven. Vgl. Deut. 10, 18-19 In de erkenning van iedere mens als naaste mag geen onderscheid worden gemaakt en er mogen geen beperkingen aan worden gesteld. Vgl. Lev. 10, 25-37

IV.9
De armoede omwille van het koninkrijk wordt geprezen. Wij worden ertoe gebracht in de gestalte van de arme het beeld en als het ware de mysterievolle aanwezigheid van de Zoon van God te erkennen, die uit liefde voor ons arm is geworden. (2 Kor. 8, 9) Dit is de basis van de onuitputtelijke woorden van Jezus over het oordeel in Mt. 25, 31-46. Vgl. Mt. 25, 31-46 Onze Heer is solidair met alle nood; alle nood is getekend door zijn aanwezigheid.
IV.10

Tegelijkertijd worden de eisen van rechtvaardigheid en barmhartigheid, welke reeds in het Oude Testament zijn vermeld, zozeer verdiept, dat ze in het Nieuwe Testament een nieuwe betekenis krijgen. Wie lijden, vervolgd worden, worden vereenzelvigd met Christus. (Mt. 25, 31-46)(Hand. 9, 4-5)(Kol. 1, 24) De volmaaktheid welke Jezus van zijn leerlingen vraagt (Mt. 5, 18), bestaat in de plicht barmhartig te zijn 'zoals uw Vader barmhartig is' (Lc. 6, 36).

IV.11
In het licht van de christelijke roeping tot broederlijke liefde worden de rijken streng aan hun plicht herinnerd. (vv) De heilige Paulus benadrukt tegenover de wanordelijkheden in de kerk van Korinte met kracht het verband tussen de deelneming aan het sacrament van de liefde en het delen met de noodlijdende broeder. Vgl. 1 Kor. 11, 17-34
IV.12
De openbaring van het Nieuwe Testament leert ons verder, dat de zonde het diepste kwaad is dat de mens in de kern van zijn persoonlijkheid aantast. De voornaamste bevrijding waarnaar alle andere verwijzen, is die van de zonde.
IV.13

Omdat het ongetwijfeld het radicale karakter van de bevrijding wil aangeven, welke door Christus is bewerkt en alle mensen wordt aangeboden of zij politiek nu vrij zijn of slaaf, eist het Nieuwe Testament als voorwaarde om in deze vrijheid binnen te treden niet op de eerste plaats een verandering van politieke en sociale stand. Maar de brief aan Filemon toont wel, dat de nieuwe vrijheid welke door de genade van Christus wordt teweeggebracht, noodzakelijk haar gevolgen moet hebben op sociaal vlak.

IV.14
Daarom mag het terrein van de zonde, waarvan het eerste gevolg de verstoring van de verhouding tussen de mens en God is, niet worden beperkt tot wat de 'sociale zonde' wordt genoemd. In feite kan alleen een juiste leer van de zonde op de ernst van de sociale gevolgen ingaan.
IV.15
Het kwaad mag ook niet hoofdzakelijk en alleen in de foutieve economische, sociale of politieke 'structuren' worden gelegd alsof alle andere kwalen hun oorzaak hebben in de structuren, zodat de schepping van een 'nieuwe mens' van de vorming van andere economische en sociaal-politieke structuren zou afhangen. Men moet inderdaad de moed hebben structuren te veranderen die onrechtvaardig zijn en die onrecht veroorzaken. Maar de goede of slechte structuren zijn als vruchten van menselijk handelen eerder gevolgen dan oorzaken. De wortels van het kwaad liggen daarom in de vrije en verantwoordelijke personen die door de genade van Jezus Christus moeten worden bekeerd om als nieuwe schepselen te leven en te handelen in liefde tot de naaste, in een daadwerkelijk streven naar rechtvaardigheid, zelfbeheersing en beoefening van de deugden. Vgl. Jer. 2. 14-26 Wanneer men echter als eerste eis de radicale omverwerping van de sociale verhoudingen stelt en daarom het streven naar persoonlijke volmaaktheid kritiseert, begeeft men zich op weg om de betekenis van de persoon en zijn transcendentie te ontkennen en vernietigt men de ethiek en de grondslag ervan, namelijk de absolute aard van het onderscheid tussen goed en kwaad. Daar trouwens de liefde het beginsel van de echte volmaaktheid is, kan deze niet worden begrepen zonder openheid voor anderen en een geest van dienstbaarheid.

Document

Naam: LIBERTATIS NUNTIUS
Instructie over bepaalde aspecten van de "Theologie van de Bevrijding"
Soort: Congregatie voor de Geloofsleer
Auteur: Joseph Kardinaal Ratzinger
Datum: 6 augustus 1984
Copyrights: © 1984, Archief van Kerken jrg. 39, nr. 10, p. 1-11
Bewerkt: 7 november 2019

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Inhoudsopgave van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2020, Stg. InterKerk, Schiedam