• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x

IN HET CONCENTRATIE- EN VERNIETIGINGSKAMP AUSCHWITZ - BIRKENAU

Op deze plaats van ellende, een opeenhoping van misdaden tegen God en de mensen zonder weerga in de geschiedenis, te spreken is haast onmogelijk - is schier moeilijk en belastend voor een Christen, een Paus, die uit Duitsland komt. Op deze plaats schieten woorden tekort, is alleen maar een groot zwijgen geboden - zwijgen, dat een innerlijke roep tot God is: Waarom heeft U gezwegen? Waarom heeft U dit alles laten gebeuren? In zulk een zwijgen buigen we ons inwendig voor de ontelbare schaar van hen, die hier geleden hebben en ter dood zijn gebracht: dit zwijgen wordt dan echter een luide bede om vergeving en verzoening, tot een roep tot de levende God, opdat Hij dit nooit opnieuw laat gebeuren.

27 jaar geleden, op 7 juni 1979, stond hier Paus Johannes Paulus II. Hij zei toen: "Nu kom ik als pelgrim. Het is bekend, dat ik hier al veel ben geweest. Hoe vaak! En vaak ben ik binnengegaan in de dodencel van Maximilian Kolbe en ben stil blijven staan voor de executiemuur, ben ik over de ruïnes van de crematoria van Birkenau gelopen. Ik kon als Paus onmogelijk niet hierheen komen."

Paus Johannes Paulus II stond hier als kind van het volk, dat na het Joodse volk het meeste op deze plaats en überhaupt gedurende de oorlog geleden heeft: "6 miljoen Polen hebben hun leven tijdens de Tweede Wereldoorlog verloren, éénvijfde van deze natie", herinnerde de Paus toen. Hij heeft hier een appèl doen uitgaan om de rechten van de mens en van de naties te eerbiedigen, die zijn voorgangers Johannes XXIII en Paulus VI voor de wereld ook deden uitgaan, en hij heeft eraan toegevoegd: "Ik verkondig dit recht als een zoon van een natie, die in haar verre en nabije geschiedenis vaak de last van anderen ondervonden heeft. Ik zeg dit niet, om aan te klagen, maar om te herinneren. Ik spreek in naam van alle naties, waarvan de rechten worden geschonden en vergeten worden...."

Paus Johannes Paulus II stond hier als zoon van het Poolse volk. Ik sta hier als zoon van het Duitse volk en juist daarom moet ik, mag ik zoals hij zeggen: Ik kon onmogelijk niet hierheen komen. Ik moest komen. Het was en het is een plicht van de waarheid, het recht van degenen, die geleden hebben, een plicht jegens God, als opvolger van Johannes Paulus II en als kind van het Duitse volk hier te staan - als zoon van het volk, waarover een bende schurken met valse beloftes, met de voorspelling van welvaart en ook met terreur en inperking van macht gewonnen hebben, zodat ons volk als instrument van hun storm van vernietiging en overheersing gebruikt en misbruikt kon worden.

Ja, ik kon onmogelijk niet hierheen komen. Op 7 juni 1979 heb ik als Aartsbisschop van München en Freising tezamen met de vele Bisschoppen hier gestaan, die de Paus begeleidden, en naar hem geluisterd en met hem gebeden. 1980 ben ik hier nogmaals met een delegatie Bisschoppen uit Duitsland naar deze plaats van ellende gekomen, geschokt over het kwaad en dankbaar voor het feit dat boven die duisternis de ster van verzoening opgegaan is. Daartoe ben ik ook nu hier gekomen: de genade van de verzoening af te vragen - op de eerste plaats aan God, die alleen onze harten kan openen en reinigen kan; aan de mensen, die hier geleden hebben en tenslotte de genade en verzoening voor allen, die in deze uren van de geschiedenis op nieuwe wijze onder de macht van de haat en het door haat ingegeven geweld lijden.

Hoeveel vragen houden ons bezig op deze plaats! Steeds weer is er de vraag: Waar was God in die dagen? Waarom heeft Hij gezwegen? Hoe kon Hij deze overmatige vernietiging, deze triomf van het kwade dulden? De woorden van Psalm 44 komen in ons op, de klacht van het lijdende Israël:

"Toch hebt u ons naar de jakhalzen verbannen en ons met diepe duisternis bedekt. ...
Toch worden wij dag na dag om u gedood en afgevoerd als schapen voor de slacht.
Word wakker, Heer, waarom slaapt u? Ontwaak! Verstoot ons niet voor eeuwig.
Waarom verbergt u uw gelaat, waarom vergeet u onze ellende, onze nood?
Onze ziel ligt neergebogen in het stof, ons lichaam vastgekleefd aan de aarde.
Sta op, kom ons te hulp, verlos ons, omwille van uw trouw.
" (Ps. 44, 20.23-27).

Deze kreten om hulp van het lijdende Israël naar God in tijden van uiterste verdrukking is tegelijk een noodkreet van allen uit de geschiedenis - gisteren, heden en morgen - die vanwege de wil van God, vanwege de waarheid en het goede te lijden hebben, en dat zijn er velen, ook nu.

Wij kunnen niet achter het geheim van God kijken - wij zien alleen maar fragmenten en treden buiten onze grenzen wanneer wij ons tot rechter van God en de geschiedenis maken. Dan verdedigen we niet de mensen, maar dragen juist bij aan hun vernietiging. Neen - uiteindelijk moeten wij deemoedig, maar indringend tot God blijven smeken: Waakt op! Vergeet Uw schepping, de mens niet!

En onze smeekbede tot God, dat Hij de mens tot inzicht moet brengen, opdat zij erkennen, dat geweld geen vrede brengt, alleen maar opnieuw geweld oproept - een spiraal van vernietiging, waarbij uiteindelijk we allemaal verliezers zijn. De God, waarin wij geloven, is een God van het verstand - een verstand, dat weliswaar niet de neutrale mathematiek is van het heelal, maar een met liefde, die met het goede is.

Wij bidden God en roepen het tot de mensen, dat dit verstand, het verstand van de liefde, het inzicht in de kracht van de verzoening en de vrede de overhand laat krijgen te midden van de bedreigingen van het onverstand of een valse, van God verlaten verstand.

De plaats waar we nu staan, is een plaats van herdenkingen. Het verleden is nooit zomaar geschiedenis. Het gaat ons aan en toont ons aan, welke wegen we niet mogen gaan en welke we moeten zoeken. Zoals Johannes Paulus II ben ik langs de stenen gegaan, die in verschillende talen aan de slachtoffers van deze plaats herinneren: in het Wit-Russisch, Tjechisch, Duits, Frans, Grieks, Hebreeuws, Kroatisch, Italiaans, Jiddisch, Hongaars, Nederlands, Noors, Pools, Russisch, Roma, Roemeens, Slowaaks, Servisch, Oekraïens, Joods-Spaans en Engels.

Al deze gedenkstenen getuigen van menselijk leed, laten ons het cynisme van de macht zien, die mensen als materiaal behandelen en ze niet als persoon erkennen, waarin het evenbeeld van God zichtbaar wordt. Sommige stenen nodigen uit tot een bijzondere gedachtenis. Zo is er de gedenksteen in het Hebreeuws. De machthebbers van het Derde Rijk wilden het Joodse volk in hun geheel vernietigen, van de landkaart van de mensheid wegvagen; op vruchtbare wijze heeft zich het Psalmwoord bevestigd: "Als schapen werden ze behandeld, die voor de slachtbank bestemd waren." In wezen wilden deze misdadigers met het uitroeien van dit volk de God doden, die Abraham geroepen heeft, die in de Sinaï gesproken heeft en daar de blijvende geldige maat van de mensheid opgericht heeft.

Wanneer dit volk alleen al door haar aanwezig zijn getuige is van God, die tot de mensen gesproken heeft en hun ter verantwoording neemt, zo zal deze God definitief dood zijn en de heerschappij alleen nog aan de mens behoren - zijzelf die zich voor sterker hielden, die de wereld aan zich wilden binden. Met de vernietiging van Israël zou ook de laatste wortel uitgetrokken worden waarop het christelijke geloof berust en definitief door een zelfgemaakte geloof aan de heerschappij van de mensen, van de sterken, vervangen worden. Dan is er de steen in het Pools: men wilde tevens en vooreerst de geestelijke leiderschap van Polen vernietigen en daarmee het volk als eigen historische subject wegvagen om het, voorzover het verder bestaan zou, tot een volk van slaven te vernederen.

Dan nodigt een bijzondere steen tot nadenken uit, die in de taal van de Sinti en de Roma geschreven is. Ook hier zou het hele volk verdwijnen, dat kris en kras door de diverse volken gaat en leeft. Ze werden als onnutte elementen van de wereldgeschiedenis gerekend, in een wereldideologie, waarin alleen nog het meetbare nut gelden zou; alle het andere zou naar hun voorstelling als onwaardige leven gerekend worden. Dan is er de gedenksteen in het Russisch, dat ons aan de ongekende bloedoffers van Russische soldaten in hun strijd tegen het nationaal-socialistische terreur-regime herinnert en eigenlijk direct aan de tragische dubbele bedoeling van hun inzet herinneren laat: dat zij, terwijl zij volkeren van de ene dictatuur bevrijdden, zij ook ertoe moesten dienen, diezelfde volkeren aan een nieuwe dictatuur te onderwerpen, namelijk die van Stalin en die van de communistische ideologie. Ook alle andere stenen in de vele talen van Europa spreken ons van het lijden van mensen van dit gehele continent; zij zullen eerst ten volle tot ons hart spreken, wanneer wij niet meer alleen hun offer als geheel gedenken, echter de individuele geschiedenissen van mensen zien zullen, die hier in het duister van de terreur eindigden. Het was mij een innerlijke plicht, ook voor de gedenksteen in het Duits in het bijzonder stil te staan.

Daarbij komt ons het gezicht van Edith Stein, Theresia Benedicta van het Heilig Kruis, tegemoet - Jodin en Duitse, die tezamen met haar zuster in het duister van de nacht van de nazi-Duitse concentratiekampen verdwenen is, die als Christen en als Joodse met haar volk en voor haar volk sterven wilde. De Duitsers, die destijds naar Auschwitz-Birkenau gedeporteerd werden en hier gestorven zijn, werden als het schuim van de natie voorgesteld. Maar nu herdenken we hen dankbaar als de getuigen van de waarheid en het goede, dat ook in ons volk niet verdwenen was. Wij danken deze mensen, dat zij niet gezwicht zijn voor de macht van het kwaad en zo als licht in het donker van de nacht voor ons staan.

We buigen in eerbied en dankbaarheid voor al diegenen, die zoals de drie jongelingen die met de dreiging van de Babylonische vuurovens voor ogen geantwoord hebben: "want als de God die wij vereren ons uit een brandende oven en uit uw handen kan redden, zal hij ons redden. Maar ook al redt hij ons niet, majesteit, weet dan dat wij uw goden niet zullen vereren, noch zullen buigen voor het gouden beeld dat u hebt opgericht." (Dan. 3, 17-18).

Ja achter al deze gedenkstenen verbergt zich de wederwaardigheden van talloze mensen. Ze roepen ons gedenken op, ze roepen ons hart op. Niet tot haat willen ze ons brengen: zij tonen ons, hoe vruchtbaar het werk van de haat is. Zij willen ons het inzicht geven, dat het kwade als kwaad erkent en tegenspreekt; zij willen de moed tot het goede, tot de weerstand tegen het kwade in ons opwekken. Ze willen ons tot die gesteltenis brengen, die zich van de woorden bedient, die Sophocles, de Antigonist, over het duister om zich heen in de mond heeft gelegd: "Niet om ook te haten, om samen lief te hebben besta ik."

Wij danken God dat in de omgeving van deze gedenkplaatsen van het duister met de reinigende werking van het herdenken, waartoe het ons dringt, diverse initiatieven, die het kwaad een grens willen stellen, die de goede krachten willen geven. Zojuist mocht ik het centrum van dialoog en gebed inzegenen. Heel dicht daarbij voltrekt zich het verborgen leven van de Carmelitessen, die zich op een bijzondere wijze verbonden weten met het geheim van het kruis van Christus en ons aan het geloof van Christenen herinneren, dat God zelf in deze hel van het lijden afgedaald is en met ons lijdt.

In Oecwizcim bestaat het centrum van de heilige Maximilian en het Internationale Centrum voor de opvoeding over Auschwitz en de holocaust. Er is het Internationale Huis van de Jongerenontmoetingen. Bij een van de oude gebedshuizen bevindt zich het Joodse Centrum. Tenslotte is er de Academie voor de Mensenrechten, waarvan de bouw begonnen is. Zo mogen wij hopen, dat uit deze plek van duisternis bezinning groeit en het innerlijke helpt, het kwade te weerstaan en de liefde aan de zege te helpen.

De mensheid heeft in Auschwitz-Birkenau een "duistere tunnel" doorlopen. Daarom wil ik op deze plek eindigen met een gebed van vertrouwen - een Psalm van Israël, die tegelijk een gebed van de Christendom is:

    "De Heer is mijn herder, het ontbreekt mij aan niets.
    Hij laat mij rusten in groene weiden en voert mij naar vredig water,
    hij geeft mij nieuwe kracht en leidt mij langs veilige paden tot eer van zijn naam.
    Al gaat mijn weg door een donker dal, ik vrees geen gevaar, want u bent bij mij, uw stok en uw staf, zij geven mij moed.....
    ik keer terug in het huis van de Heer tot in lengte van dagen.
    (Ps. 23, 1-4.6)

Document

Naam: IN HET CONCENTRATIE- EN VERNIETIGINGSKAMP AUSCHWITZ - BIRKENAU
Soort: Paus Benedictus XVI - Toespraak
Auteur: Paus Benedictus XVI
Datum: 28 mei 2006
Copyrights: © 2006, Libreria Editrice Vaticana
Vertaling uit de Duitse vertaling van het Italiaanse orgineel,
alsmede nummering en alineaverdeling: Stg. InterKerk, Wassenaar
Bewerkt: 30 augustus 2013

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
 
|
Pagina delen: 
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2018, Stg. InterKerk, Schiedam