• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x

H. PETRUS, DE APOSTEL

Dierbare broeders en zusters

in deze catechesen zijn we aan het mediteren over de Kerk. We hebben gezegd dat de Kerk leeft in personen en we zijn daarom in de Paus Benedictus XVI - Audiëntie
H. Petrus, de visser
(17 mei 2006)
begonnen met te mediteren over de gestalte van de afzonderlijke Apostelen, te beginnen bij Petrus. Wij hebben twee beslissende etappes van zijn leven gezien: de roeping bij het meer van Galilea en vervolgens de geloofsbelijdenis: “Gij zijt de Christus, de Messias”. Daarvan hebben we gezegd dat het een belijdenis was die nog onvoldoende was, meer een begin, maar wel open. Sint Petrus begint er aan een weg van navolging. Zo bevat deze beginnende belijdenis, als in kiem, in zich al het toekomstige geloof van de Kerk. Vandaag willen wij twee andere belangrijke gebeurte-nissen in het leven van de heilige Petrus beschouwen: de broodvermenigvuldiging - wij hebben in de zojuist gelezen passage de vraag van Jezus gehoord en het antwoord van Petrus - en vervolgens de Heer, die Petrus roept om herder te zijn van de universele Kerk.

Beginnen we met het gebeuren van de broodvermenigvuldiging. Zoals u weet had het volk urenlang naar Jezus geluisterd. Aan het eind zegt Jezus: Ze zijn moe, ze hebben honger, we moeten deze mensen te eten geven. De Apostelen vragen: Maar hoe dan? En Andreas, de broer van Petrus, vestigt Jezus’ aandacht op een jongen die vijf broden bij zich heeft en twee vissen. Maar wat is dat voor zoveel mensen, vragen de Apostelen zich af. De Heer geeft echter opdracht de mensen te doen zitten en deze vijf broden en twee vissen uit te delen. En allen eten tot ze verzadigd zijn. Sterker nog: de Heer draagt de Apostelen op, waaronder Petrus, de overgebleven brokken op te halen: twaalf manden met brood Vgl. Joh. 6, 12-13 . Bij het zien van dit wonder - dat de hernieuwing lijkt te zijn waar ze zo naar hadden uitgezien, van de gave van het brood uit de hemel, een nieuw “manna” - willen de mensen Hem tot hun koning maken. Maar Jezus aanvaardt dat niet en trekt zich terug in het gebergte, om er te bidden, helemaal alleen. De volgende dag, aan de andere oever van het meer, in de synagoge van Kafarnaüm, legt Jezus het wonder uit, niet in de zin van een koningschap over Israël met wereldse macht, zoals de menigte hoopte, maar in de zin van de gave van zichzelf: “Het brood dat Ik zal geven is mijn vlees voor het leven van de wereld” (Joh. 6, 51). Jezus kondigt het kruis aan, en met het kruis de ware broodvermenigvuldiging, het eucharistisch brood - zijn volstrekt nieuwe manier van koning zijn, die volledig tegengesteld is aan wat de mensen verwachten.
Wij kunnen begrijpen dat deze woorden van de Meester - die niet elke dag een broodvermenigvuldiging wil voltrekken, en die aan Israël geen macht wil bieden van deze wereld - voor de mensen echt moeilijk waren, ja onaanvaardbaar. “Hij geeft zijn vlees”: wat wil dat zeggen? Ook voor de leerlingen lijkt wat Jezus op dit moment zegt onaanvaardbaar. Het was en is voor ons hart, voor onze mentaliteit, “harde” taal die het geloof op de proef stelt (Joh. 6, 60). Veel van de leerlingen trokken zich terug. Zij wilden iemand die de Staat Israël, die zijn volk werkelijk vernieuwde, en niet iemand die zei: “Ik geef mijn vlees”. We kunnen ons indenken dat de woorden van Jezus ook moeilijk waren voor Petrus, die zich in Caesarea van Filippus verweerd had tegen de aankondiging van het kruis. Toch reageerde Petrus, toen Jezus aan de twaalf vroeg: “Wilt ook gij soms gaan?”, met de vurigheid van zijn edelmoedig en door de heilige Geest geleid hart. In naam van allen antwoordde hij met de onsterfelijke woorden die ook de onze zijn: “Heer, naar wie zouden wij gaan? Uw woorden zijn woorden van eeuwig leven, en wij geloven en weten dat Gij de heilige Gods zijt” (Joh. 6, 66-69).
Hier, net zoals in Caesarea, maakt Petrus met zijn woorden een begin met de belijdenis van het christologisch geloof van de Kerk, en wordt hij de woordvoerder van de andere Apostelen en van ons, de gelovigen van alle tijden. Dat wil niet zeggen dat hij het mysterie van Christus al in heel zijn diepte had begrepen. Zijn geloof stond nog aan het begin, was een geloof onderweg. Het zou pas tot zijn ware volheid komen door middel van de gebeurtenissen van Pasen. Toch was het al geloof, dat open stond naar de grotere werkelijkheid - vooral daarom open omdat het geen geloof in “iets” was, maar geloof in Iemand: in Hem, in Christus. Zo is ook ons geloof altijd een beginnend geloof en hebben wij nog een lange weg te gaan. Wezenlijk is, dat het een open geloof is en dat wij ons door Jezus laten leiden, want Hij kent niet alleen de Weg, maar is de Weg.
De onstuimige edelmoedigheid van Petrus spaart hem echter niet voor de risico’s die met de menselijke zwakheid verbonden zijn. Dat is overigens iets dat ook wij kunnen herkennen, op basis van ons leven. Met enthousiasme is Petrus Jezus achterna gegaan, en heeft hij de beproeving van het geloof doorstaan door helemaal op Hem te vertrouwen. Toch komt het moment waarop ook hij wijkt voor de vrees en ten val komt: hij verraadt de Meester Vgl. Mc. 14, 66-72 . De school van het geloof is geen triomfmars, maar een weg die overdekt is met lijden en met liefde, met beproevingen en met dagelijks te hernieuwen trouw. Petrus, die absolute trouw had beloofd, kent de bitterheid en de vernedering van de verloochening: de overmoedige leert door schade en schande de nederigheid. Ook Petrus moest leren dat hij zwak was en vergeving nodig had. Wanneer hem tenslotte het masker afvalt en hij de waarheid leert kennen van zijn zwakke hart van gelovige zondaar, barst hij uit in bevrijdende tranen van berouw. Na deze tranen is hij klaar voor zijn zending.
Op een lentemorgen zal hem deze zending worden toevertrouwd door de verrezen Jezus. De ontmoeting zal plaats hebben aan de oever van het meer van Tiberias. Het is de evangelist Johannes die het gesprek weergeeft dat bij die gelegenheid plaats heeft tussen Jezus en Petrus. Daarin valt een heel betekenisvol woordspel op. Het Griekse werkwoord “filéo” drukt de vriendschapsliefde uit, die teder is maar niet totaal, terwijl het woord “agapáo” de totale en onvoorwaardelijke liefde zonder voorbehoud betekent. Jezus vraagt Petrus de eerste keer: “Simon..., heb je mij lief (agapais me)” met deze totale en onvoorwaardelijke liefde Vgl. Joh. 21, 15 ? Vóór de ervaring van het verraad zou de Apostel beslist hebben gezegd: “Ik heb U onvoorwaardelijk lief (agapô se)”. Maar nu hij de bittere droefheid heeft leren kennen van de ontrouw, het drama van de eigen zwakheid, zegt hij nederig: “Heer, ik houd van U (filô se)”, dat wil zeggen: “Ik houd van u met mijn armzalige menselijke liefde.” Christus dringt aan: “Simon, heb je Mij lief met die totale liefde die ik verlang?” En Petrus herhaalt het antwoord van zijn nederige menselijke liefde: “Kyrie, filô se”, “Heer, ik houd van U, zoals ik kan liefhebben”. De derde keer zegt Jezus tegen Simon alleen maar “Fileis me?”, “Houd je van Mij?” Simon begrijpt dat zijn armzalige liefde voor Jezus genoeg is, de enige waartoe hij in staat is, en toch is hij bedroefd dat Jezus hem dat moest zeggen. Daarom antwoordt hij Hem: “Heer, U weet alles, U weet dat ik van U houd (filô se)” Dat betekent dat Jezus zich veeleer aangepast heeft aan Petrus, dan Petrus aan Jezus! Juist deze goddelijke aanpassing geeft hoop aan de leerling die het lijden van de ontrouw heeft leren kennen. Hier ontstaat het vertrouwen dat hem in staat stelt tot de navolging ten einde toe: “Hiermee zinspeelde Hij op de dood waardoor hij God zou verheerlijken. En na deze woorden zei Hij hem: ‘Volg Mij’” (Joh. 21, 19).

Van die dag af heeft Petrus de Meester “gevolgd” met een nauwkeurig besef van de eigen broosheid; maar dit besef heeft hem niet ontmoedigd. Hij wist immers dat hij kon rekenen op de aanwezigheid van de Verrezene naast zich. Van het naïeve enthousiasme van de eerste adhesie, via de pijnlijke ervaring van de verloochening en de tranen van de bekering, is Petrus gekomen tot de vertrouwvolle overgave aan die Jezus die zich aan zijn armzalig vermogen tot liefde heeft aangepast. Zo laat hij ook ons de weg zien, ondanks onze zwakheid. Wij weten dat Jezus zich aan onze zwakheid aanpast. Wij volgen Hem, met ons armzalig vermogen tot liefde, en wij weten dat Jezus goed is en ons aanvaardt. Het is voor Petrus een lange weg geweest die hem tot betrouwbare getuige heeft gemaakt, tot “steenrots” van de Kerk, omdat hij voortdurend openstaat voor de werking van de Geest van Jezus. Van zichzelf zegt Petrus: “getuige van het lijden van Christus, tevens deelgenoot van de heerlijkheid die geopenbaard zal worden” (1 Pt. 5, 1). Wanneer hij die woorden schrijft, is hij al oud, op weg naar de afsluiting van zijn leven met het zegel van het martelaarschap. Hij is dan in staat om de ware vreugde te beschrijven en aan te geven waar die kan worden geput: de bron is Christus in wie wij geloven en die wij liefhebben met onze zwakke maar oprechte geloof, ondanks onze broosheid. Daarom schrijft hij aan de christenen van zijn gemeenschap, en zegt hij ook tot ons: “Hem hebt gij lief zonder Hem ooit gezien te hebben. In Hem gelooft gij, ofschoon gij Hem ook nu niet ziet. Hoe onuitsprekelijk, hoe hemels zal uw vreugde zijn, als gij het einddoel van uw geloof, de redding van uw ziel, bereikt” (1 Pt. 1, 8-9).

Document

Naam: H. PETRUS, DE APOSTEL
Soort: Paus Benedictus XVI - Audiëntie
Auteur: Paus Benedictus XVI
Datum: 24 mei 2006
Copyrights: © 2006, Libreria Editrice Vaticana
Vert.: Past. Chr. van Buijtenen, pr.
alineaverdeling en nummering door de vertaler
Bewerkt: 30 augustus 2013

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
 
|
Pagina delen: 
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2019, Stg. InterKerk, Schiedam