• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x
Daarentegen die ware en oprechte onthechting aan de aardse goederen wint aller harten voor de priester, en dit des te meer omdat met die onbaatzuchtigheid, als zij gevoed wordt door de innerlijke kracht van het Christelijk geloof, altijd dat innige medelijden gepaard gaat met allerlei ongelukken, dat de bedienaar Gods tot vader maakt der armen, die hij, het woord van Christus indachtig: „Wat gij voor één van Mijn geringste broeders gedaan hebt, dat hebt gij voor Mij gedaan” (Mt. 25, 40) als den Verlosser zelf met bijzondere liefde vereert en bemint.

Vrij derhalve van de banden die hem al te nauw aan het aardse zouden binden, n.l. de banden van een eigen gezin en van eigen belang, zal de drager der H. Wijding lichter ontvlamd worden door dat hemelse liefdevuur, de liefde n.l. voor de zielen: dat vuur, dat uit het binnenste van Jezus Christus' hart naar buiten breekt en niets anders zoekt dan de apostolische harten aan te grijpen en alle mensen te ontvlammen. Vgl. Lc. 12, 49 Deze vurige ijver voor de glorie van God en het heil der zielen moet, gelijk de H. Schrift het ons leert van de Verlosser Vgl. Ps. 68, 10 Vgl. Joh. 2, 17 de bedienaar der Kerk in vlam zetten en als verteren. Het moet maken, dat hij met achterstelling van zichzelf en van zijn eigen gemak zich geheel zal wijden aan zijn verheven roeping en dat hij iedere dag met groter zorg de middelen zal zoeken om het werk van zijn bediening met de dag beter en rijker te volbrengen.

Kan wel een priester de lessen van het Evangelie overwegen en de klacht van de Goede Herder vernemen: “Ik heb ook nog andere schapen, die niet uit deze schaapstal zijn. Ook hen moet ik leiden” (Joh. 10, 16); kan hij de velden aanschouwen “hoe ze reeds wit staan voor den oogst”, zonder zich zelf aan “de Heer van de oogst” (Joh. 4, 35) als een onvermoeibare werken aan te bieden en zonder door een gloeiende ijver te worden aangespoord om zulke dwalende schapen op den waren weg te brengen? Kan hij wel zovele en zo talrijke scharen aanschouwen die daar “liggen als schapen zonder herder” (Mt. 9, 36) - niet alleen in de verre missielanden, maar helaas ook in de steden en dorpen, waar het Christendom reeds lang heerst - zonder, te delen in dat innige medelijden, dat de goddelijke ziel van Jezus Christus zo diepe en zo voortdurend ontroerde? Vgl. Mt. 9, 36 Vgl. Mt. 14, 14 Vgl. Mt. 25, 32 Vgl. Mc. 6, 34 Vgl. Mc. 8, 2 Wij bedoelen een priester, die beseft, dat uit zijn mond de woorden des levens en uit zijn hand de middelen tot wedergeboorte en zaligheid kunnen komen?

Maar ja, Wij brengen eeuwigen dank ervoor aan God dat het licht van zulk een apostelvuur, als een heerlijk sieraad het voorhoofd der gewijde bedienaren omglanst. Wij zijn dankbaar, dat Wij tot grote troost voor Ons Vader hart mogen aanschouwen, hoe Onze Eerbiedwaardige Broeders en Onze beminde Zonen, de bisschoppen en de priesters, als het ware aaneengesloten tot een dichte uitgelezen legerschare, gehoorgevend aan de oproep van het Opperhoofd der Kerk, in dagelijks snellere opmars tot de verste grenzen der aarde, om de vredebrengende maar moei1ijke strijd te strijden van de waarheid tegen de dwaling, van het licht tegen de duisternis, van het Godsrijk tegen het rijk van Satan.
Maar juist uit deze eigenschap van vaardig en flink strijder volgt, voor den Katholieken priester de noodzakelijkheid van den geest van krijgstucht, of om het beter in christelijke termen te zeggen: den geest van gehoorzaamheid. Het is deze gehoorzaamheid, die de verschillende rangen der kerkelijke hiërarchie tot een harmonieuze eenheid verbindt.
En “de Kerk met een waarlijk wonderschone verscheidenheid omkleedt, siert en bestuurt, doordat sommigen in haar tot Bisschoppen, anderen tot priesters van lagere rang worden gewijd, en uit vele ledematen van verschillende waardigheid één lichaam van Christus wordt gevormd” Pontificale Romanum, De ordinat. Presb. Deze gehoorzaamheid hebben de bedienaars der heilige geheimen, nog pas tot priester gewijd, elk aan hun eigen bisschop beloofd. Evenzo hebben de bisschoppen, op de dag waarop zij tot de volheid van het priesterschap verheven zijn, haar aan het zichtbaar Opperhoofd der Katholieke Kerk, de opvolger van den H. Petrus en de plaatsbekleder van Jezus Christus, met de heiligste eed bezworen. De onderhouding van deze gehoorzaamheid moet derhalve de verschillende rangen der hiërarchie en de leden daarvan dagelijks nauwer onderling en met den Opperpriester verbinden en zo moet zij werkelijk de strijdende Kerk voor Gods haters schrikwekkend maken ,”als een leger in slagorde” Vgl. Hoogl. 6, 3.9 . Zij moet de ijver matigen van degenen, die misschien door al te grote vurigheid zich laten drijven ; aan anderen, die aan slapheid en traagheid lijden, de sporen geven. Zij moet ieder zijn post, ieder zijn bediening aanwijzen. Allen moeten dan daaraan hun krachten wijden zonder zich ooit tegen het wettig gezag te verzetten, wat zeker tot niets anders zou strekken dan tot belemmering van de grootse arbeid der Kerk. Ieder moet de bepalingen van zijn Oversten aanvaarden als de bevelen van Jezus Christus zelf; Hij is waarlijk de ene, aan wie wij allen moeten gehoorzamen, het hoofd en de stichter van de Katholieken godsdienst, die voor ons “gehoorzaam is geworden, tot de dood, ja tot de dood aan het kruis” (Hebr. 10, 5-7)
Inderdaad, de Goddelijke Hogepriester heeft gewild, dat Zijn volmaakte gehoorzaamheid aan de eeuwige Vader ons op een geheel bijzondere wijze zou blijken. Daarom zijn de getuigenissen voor Zijn gehoorzaamheid over talrijk in de boeken der Evangelisten en der Profeten : “Bij zijn komst in de wereld zegt Hij : offers noch gaven hebt Gij gewild, maar een lichaam hebt Gij Mij bereid... toen zeide ik: Zie ik kom; in de boekrol staat het van Mij geschreven, om Uwen wil te doen, o God” (Hebr. 10, 5-7). “Mijn spijs is, den wil te vol brengen van Hem die Mij heeft gezonden” (Joh. 4, 34). Zo ook gaf Hij aan het kruis Zijn ziel niet eerder in de handen van Zijn Vader, dan na de plechtige verzekering, dat alles wat de H. Schrift omtrent Hem voorspeld had geheel en al was vervuld, d.i. heel de zending Hem door den Vader toevertrouwd, tot die geheimzinnige klacht toe: “Ik heb dorst”, die Hij uitsprak “opdat de Schriftuur vervuld zou worden” (Joh. 19, 28). Door deze handelwijze wilde Hij ongetwijfeld uitdrukkelijk tonen, dat zelfs de vurigste zielenijver altijd volkomen onderworpen moet zijn aan de goddelijke Wil; altijd nl. moet die ijver in overeenstemming gebracht worden met de wil van diegenen, die de plaats van den Goddelijke Vader bekleden en ons diens bevelen meedelen, nl. de wettige hiërarchische Overheden.

Document

Naam: AD CATHOLICI SACERDOTII FASTIGIUM
Over het Katholieke priesterschap
Soort: Paus Pius XI - Encycliek
Auteur: Paus Pius XI
Datum: 20 december 1935
Copyrights: © 1936, Firma J.M.W. Waanders, Zwolle
Vert.: F.A.J. Van Nimwegen, C.ss.R.
Bewerkt: 22 oktober 2020

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Inhoudsopgave van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2020, Stg. InterKerk, Schiedam