• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x

Daar komt bij, dat hij de waarheid des geloof s moet onderwijzen. Maar nooit wordt het onderricht in den godsdienst waardig en met goed gevolg gegeven, als niet de deugd de leidsvrouwe en leermeesteres is bij dit onderricht, volgens het bekende gezegde woorden wekken, voorbeelden trekken.

Zo ook: de evangelische wet moet door hem worden verkondigd. Maar als hij zelf verlangt, dat zijn hoorders die wet aanvaarden, dan bestaat er, met de hulp van de goddelijke genade, daarvoor geen geschikter en geen krachtiger middel dan dat het Christenvolk de verkondiger der heilige waarheid de voorschriften die hij verkondigt, door zijn eigen voorbeeldig leven ijverig ziet onderhouden. De reden daarvoor wordt door de H. Gregorius de Grote als volgt duidelijk uiteengezet: “Dat woord dringt gemakkelijker in het hart der hoorders door, dat het leven van den spreker tot aanbeveling heeft. Want dan helpt hij door zijn voorbeeld om te doen, wat hij door zijn woorden beveelt.” H. Paus Gregorius de Grote, Epistolae. Lib. 1, ep. 25. Zo heeft, volgens het verhaal der H. Schrift, de Goddelijke Verlosser gehandeld, die “begon te doen en te leren” (Hand. 1, 1) en de scharen juichten Hem blijde toe niet alleen “omdat nooit een mens gesproken had zoals deze mens” Vgl. Joh. 7, 46 , maar vooral omdat “Hij alles wel gedaan had” Vgl. Mc. 7, 37 . Daarentegen zij “die zeggen en niet doen” kunnen vergeleken worden met de Schriftgeleerden en de Phariseeën, over wie Christus, zonder het gezag van Gods Woord dat zij wettig verkondigden aan te tasten, Zijn afkeuring uitsprak in de vermaning tot het luisterende volk: “Op de stoel van Mozes zitten de Schriftgeleerden en Phariseeën. Onderhoudt en doet dus alles wat zij u zeggen, maar handelt niet naar hun werken.” (Mt. 23, 2.3) Al wie de waarheid die hij onderwijst niet door het voorbeeld van zijn eigen leven aanbeveelt, breekt zeker wat hij met de ene hand opbouwt, met de andere op treurige wijze af. Daarentegen ondersteunt God met Zijn overvloedige genade de arbeid van de Evangeliepredikers die op de eerste plaats met heel hun hart zich ijverig toeleggen op eigen heiliging. Dan immers verschijnen en openen zich in rijke overvloed de bloemen, die door hun zweet zijn besproeid ; dan zwellen en rijpen de vruchten ervan, en zoo zullen zij ten tijde van den oogst “komen met gejubel, beladen met hun garven”. (Ps. 125, 6)

Men moet er echter op letten, dat de bedienaar der heilige geheimen in een zeer ernstig gevaar van dwaling zou vallen, als hij door valse ijver meegesleept met verwaarlozing van zijn eigen heiliging zich met al te grote vurigheid geheel aan de uitwendige, zij het ook prijzenswaardige werkzaamheden van zijn ambt zou overgeven. Immers, door zulk een handelwijze zou hij zijn eigen eeuwige zaligheid in ernstig gevaar brengen, gelijk de Apostel der heidenen voor zich zelve vreesde als hij zei de: “Ik kastijd mijn lichaam en breng het in dienstbaarheid, om niet na anderen gepredikt te hebben, zelf verloren te gaan.” (1 Kor. 9, 27) Maar ook al zou hij de goddelijke genade niet verliezen, toch zou hij ongetwijfeld verliezen dien invloed der goede raadgevingen van de H. Geest, die een geheel wonderbare kracht en succes aan de uitwendige werken van het apostolaat verleent.
Overigens, als aan alle Christenen het gebod gegeven is: “Weest volmaakt, zoals ook uw Hemelse Vader volmaakt is” (Mt. 5, 48), dan moeten de bedienaren van de heilige geheimen met nog meer recht die woorden vooral tot zich gericht achten, omdat zij door een bijzondere goddelijke ingeving tot nauwere navolging van Christus Jezus geroepen zijn. Derhalve prent de Kerk aan alle clerici ernstig den plicht in dien zij in haar wetten heeft opgenomen : „De clerici moeten zowel innerlijk als uiterlijk een heiliger leven leiden dan de leken, en hun door deugd en rechtschapen handelswijze tot een uitstekend voorbeeld zijn.” Wetboek, Codex Iuris Canonici (1917) (27 mei 1917), 124 En omdat de priester een “gezantschap waarneemt voor Christus” Vgl. 2 Kor. 5, 20 , moet hij zo leven, dat hij de woorden van de Apostel tot de zijne mag maken: “Weest mijn navolgers, gelijk ik het ben van Christus” (1 Kor. 4, 16)(1 Kor. 9, 1); hij moet leven als een andere Christus, die door de glans van Zijn deugd een licht was en blijft voor de wereld.
Maar als alle deugden moeten bloeien in de ziel van de priester, er zijn toch enkele, die op een geheel bijzondere wijze de gewijde bedienaar betamen. En wel voor eerst de godsvrucht, volgens het woord van de Apostel aan zijn beminde Timotheus: “oefen u in de godsvrucht” (1 Tim. 4, 8). Inderdaad, aangezien de verhoudingen, en betrekkingen van den priester met God zoo nauw, zoo intiem en zoo veelvuldig zijn, spreekt het van zelf, dat zij vergezeld en als geheel doorbalsemd moeten worden van den zoeten geur der godsvrucht. En omdat de godsvrucht „voor alles nuttig" (1 Tim. 4, 8) is, is zij bovenal voor het priesterlijke ambt noodzakelijk. Als de godsvrucht wordt achtergesteld of verwaarloosd, zullen zelfs de heiligste handelingen en de verhevenste liturgische functies uit sleur en automatisch geschieden. Immers de geest, het Leven zal er zonder twijfel aan ontbreken.

Evenwel, Eerbiedwaardige Broeders, de godsvrucht, waarover Wij spreken is niet die oppervlakkige en uiterlijke, die de ziel wel streelt en vleit, maar niet voedt en tot heiliging aanspoort. Neen, Wij bedoelen veeleer die solide godsvrucht, die niet afhankelijk is van de opwellingen van het gevoel, maar die steunt op de beginselen der zekere leer en een vaste overtuiging, en daardoor maakt dat wie ze bezit, weerstand kan bieden aan de aanvallen der bekoringen.

En ofschoon deze godsvrucht zich op de eerste plaats moet richten tot den hemelse Vader, moet zij zich toch ook uitstrekken tot de maagdelijke Moeder van God. Haar immers moeten de bedienaars der heilige geheimen met een vuriger liefde dan de leken beminnen, naarmate er een groter gelijkenis bestaat tussen de verhouding van den priester met Jezus Christus en de innige verhouding van Maria met den Goddelijke Verlosser.

Een ander, met de godsvrucht nauw verbonden sieraad van het Katholieke Priesterschap is de kuisheid, tot wier volkomen en ijverige beoefening de clerici in de Latijnse Kerk na het ontvangen der hogere wijding door zulk een strenge wet gehouden zijn, dat zij zich bij de overtreding ervan door het feit zelf schuldig maken aan heiligschennis Wetboek, Codex Iuris Canonici (1917) (27 mei 1917), 132. par. 1.
Al bindt deze wet de bedienaren van de Oosterse Kerk niet in haar volle strengheid, toch geldt ook bij hen het kerkelijk celibaat als een eer, en wordt het in sommige gevallen, speciaal als het gaat over de hoogste hiërarchische rangen, als een noodzakelijke vereiste en verplichting opgelegd.

Dat er een zeker verband is tussen de priesterlijke bediening en deze deugd, wordt alleen al door de menselijke rede overtuigend bewezen. Immers daar “God een geest is” (Joh. 4, 24), schijnt het volkomen daarmee in overeenstemming, dat wie zich wijdt aan den goddelijke dienst enigermate “zijn lichaam aflegt”. Reeds de oude Romeinen hadden het passende hiervan ingezien. Immers, als hun grootste redenaar de oude wet aanhaalt: “Tot de goden moet men kuis naderen”', dan verklaart hij die als volgt: “De wet beveelt de goden kuis te naderen, d.w.z. kuis naar de ziel, en daar ligt alles in. Zij sluit de kuisheid van het lichaam niet uit, maar dit moet zoo begrepen worden: daar de ziel ver boven het lichaam staat en men als wet onderhoudt, dat men met een kuis lichaam nadert, geldt deze verplichting nog veel meer voor de ziel” Cicero, De leg.. Lib. II, c. 8 en 10. In de wetboeken van het Oude Verbond was aan Aäron en zijn zonen door Mozes in de naam van God bevolen, om gedurende de week van hun wijding het Tabernakel niet te verlaten en dus gedurende die dagen de onthouding te beoefenen Vgl. Lev. 8, 33-35 .

Maar van de bedienaar van het Nieuwe Verbond, die zover uitgaat boven de priester der oude Wet, wordt ongetwijfeld een veel reinere kuisheid gevorderd. De eerste schriftelijke sporen van het heilig celibaat vindt men in den 33ste canon van het Concilie van Elvira Synode van Elvira, Canones (30 nov 305), 33, dat in het begin der 4e eeuw werd gehouden, nog tijdens de vervolging van het christendom. Dit getuigt zeker voor een reeds oude praktijk. Dit wetsvoorschrift nu doet niets anders dan een nieuwe kracht bijzetten aan — Wij zouden zeggen — een zeker postulaat, dat in het Evangelie en de prediking der Apostelen zijn oorsprong heeft. Dat de Goddelijke Meester, dien Wij als “de bloem der Moedermaagd” Vgl. Breviarum Romanum, Hymn.ad Laudes in festo SS. Nom. Iesu bezingen in Zijn hoogschatting voor de gave der kuisheid haar prees als boven de gewone kracht der mensen verheven Vgl. Mt. 19, 11 ; dat Hij van Zijn tederste kindsheid af heeft willen opgevoed worden in het huisje van Nazareth, in het gezelschap van Maria en Joseph, die beiden maagd waren; dat Hij de maagdelijke, kuise zielen zoals een Joannes den Doper en Joannes den Evangelist met voorliefde beminde ; eindelijk, dat de Apostel der heidenen, de trouwe tolk der Evangelische wet en der leer van Christus, de onschatbare waarde der maagdelijkheid verkondigt, juist voor den volkomen dienst van God: “De ongehuwde is bezorgd over de dingen des Heren, hoe hij behagen zal aan den Heer” (1 Kor. 7, 32); dat alles, Eerbiedwaardige Broeders, had tot noodzakelijk gevolg, dat de bedienaars van het Nieuwe Verbond onder de indruk kwamen van de hemelse aantrekkelijkheid van deze uitgelezen deugd, en zochten gerekend te worden onder het getal van diegenen, “aan wie het gegeven is dit woord te begrijpen”. Vgl. Mt. 19, 11 Zoo legden zij zich vrijwillig de onderhouding van die levenswijze op, die kort daarop in geheel de Latijnse Kerk door een streng gebod van het kerkelijk gezag bekrachtigd is. Inderdaad, op het einde der vierde eeuw geeft het Concilie van Carthago de aansporing : “dat wij ook onderhouden, wat de Apostelen geleerd hebben en de oudheid zelve onderhouden heeft”. 15e (en 16e) Synode van Carthago, Erfzonde en genade (1 mei 418), 2

Het ontbreekt ook niet aan getuigenissen van de meest beroemde Oosterse Vaders, die de voortreffelijkheid van het kerkelijk celibaat prijzen en die aantonen, dat toen op de plaatsen waar men de strengere tucht volgde, ook omtrent dit punt overeenstemming bestond tussen de Latijnse en de Oosterse Kerk. Zoo verzekert, om enkele duidelijk sprekende voorbeelden aan te halen, de H. Epiphanius eveneens op het einde der vierde eeuw, dat het celibaat zich uitstrekte tot de subdiakens. “Hij die nog in het huwelijk leeft en kinderen krijgt, al is hij ook de man van één echtgenote, wordt (door de Kerk) volstrekt niet toegelaten tot de wijding van diaken, van priester, bisschop of subdiaken, maar slechts hij die zich onthoudt van den omgang met zijn énige echtgenote, of weduwnaar is. Dit gebeurt vooral op de plaatsen, waar de kerkelijke canones nauwkeurig worden onderhouden.” H. Epiphanius van Salamis, Adversus Haeres.. Panar., 59, 4 (PG 41, 1024). Maar boven allen toont zich hieromtrent welsprekend de diaken van Edessa, Leraar der Algemene Kerk, de H. Ephrem de Syriër die terecht “de citer van den H. Geest” wordt genoemd Brev. Rom., 18 juni, lectio VI. Deze immers spreekt zijn vriend, den bisschop Abraham, in een gedicht aldus toe: “Gij beantwoordt, o Abraham, wel aan den naam, dien gij draagt, omdat ook gij vader van velen zijt geworden. Maar wijl gij geen echtgenote hebt, gelijk Abraham Sara had, zie, daarom is uw kudde uw bruid. Voed haar kinderen op in uw waarheid; mogen zij U worden kinderen van de geest en kinderen der belofte, opdat zij erfgenamen worden in Eden. O heerlijke vrucht der waarin het priesterschap zijn welbehagen heeft gevonden... De overvloeiende hoorn heeft u gezalfd, de hand is u opgelegd en heeft u uitverkoren; de Kerk heeft u gekozen en bemind.” H. Efrem de Syriër, Carmina Nisibaena. carm. 19 En op een andere plaats: “Het is voor den priester en voor zijn naam niet genoeg als hij het levend lichaam offert, zijn ziel te zuiveren, zijn tong te reinigen, zijn handen te wassen en heel zijn lichaam rein te maken; maar hij moet altijd geheel zuiver zijn, omdat hij aangesteld is tot middelaar tussen God en het mensdom. Geloofd zij Hij, die Zijn bedienaar gereinigd heeft” H. Efrem de Syriër, Carmina Nisibaena. carm. 18. Eveneens verzekert Chrysostomus: “Daarom moet degene die liet priesterschap waarneemt, zoo zuiver zijn, alsof hij in den hemel tussen die Machten was geplaatst” H. Johannes Chrysostomos, Over het priesterschap, De sacerdotio. liber III, c. 4.
Trouwens, de verhevenheid zelf en, om een uitspraak van den H. Epiphanius te gebruiken, “de ongelooflijke eer en waardigheid” H. Epiphanius van Salamis, Adversus Haeres.. Panar., 59, 4 (PG 41, 1024) van het priesterschap, die Wij boven kort en bondig hebben besproken, is een overtuigend bewijs voor de hoge betamelijkheid, van het celibaat en voor de opportuniteit van de wet, waardoor het aan de gewijde bedienaars van het altaar wordt opgelegd. Of is het niet onder alle opzichten passend dat hij die een bediening waarneemt, die in zekere zin hoger staat dan de taak der hemelse geesten “die staan voor het aanschijn van den Heer" (Tob. 12, 15) naar vermogen een hemels leven leidt? Is het niet passend, dat hij die geheel “in de dingen des Heren” (Lc. 2, 49)(1 Kor. 7, 32) moet zijn, geheel vreemd is aan aardse dingen en dat zijn „levenswandel gericht is op den hemel” (Fil. 3, 20)? Is het niet billijk, dat hij die onophoudelijk bezorgd moet wezen voor het eeuwig heil van de mensen en zoo zijn aandeel moet leveren in de voortzetting van het goddelijk Verlossingswerk, zijn geest los en vrij heeft van de zorgen voor een eigen gezin, die anders een groot deel van zijn werkzaamheden daarvan zouden afhouden en. in beslag nemen?

Document

Naam: AD CATHOLICI SACERDOTII FASTIGIUM
Over het Katholieke priesterschap
Soort: Paus Pius XI - Encycliek
Auteur: Paus Pius XI
Datum: 20 december 1935
Copyrights: © 1936, Firma J.M.W. Waanders, Zwolle
Vert.: F.A.J. Van Nimwegen, C.ss.R.
Bewerkt: 6 juli 2020

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Inhoudsopgave van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2020, Stg. InterKerk, Schiedam