• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x
Inderdaad, bij een aandachtig volgen van de roeping tot het priesterschap, vanaf het begin tot aan haar volledige ontplooiing, zien men, dat ze, hoewel op de eerste plaats een geschenk Gods, toch de edelmoedige steun nodig heeft van velen uit de geestelijkheid en de lekenstand. Want, terwijl de moderne beschaving bij het christenvolk de appreciatie en het zoeken van de stoffelijke goederen sterk heeft verhoogd, is bij velen de waardering voor de onvergankelijke en bovennatuurlijke goederen afgenomen.
Hoe kan in zulke omstandigheden bij veel jongens van goede wil de roeping rijpen tot het priesterschap, als zij thuis en op school alleen maar horen spreken over de waarde en de voordelen van de burgerlijke beroepen? Jammer genoeg denken maar weinig christenen ernstig na over de vermaning na over de vermaning van onze Verlosser: „Wat voor nut heeft het voor een mens heel de wereld te winnen als dit ten koste gaat van eigen leven?” (Mc. 8, 36) Het is inderdaad moeilijk om temidden van de vele genoegens van deze wereld met hun grote aantrekkingskracht de woorden te beleven van de apostel: „Wij houden het oog gericht niet op het zichtbare, maar op het onzichtbare; wat wij zien gaat voorbij, maar de onzichtbare dingen duren eeuwig.” Vgl. 2 Kor. 4, 18 Heeft Christus de Heer, toen Hij de arme vissers van Galilea riep om zijn medehelpers te worden bij zijn goddelijke zending, hun hart niet gericht op de beschouwing en de verwachting van het hemelse loon? Want, toen Hij de twee broers, Simon en Andreas, bezig zag met het vissen, zei Hij hun: „Komt, volgt Mij; Ik zal u vissers van mensen maken.” (Mt. 4, 19) En aan Petrus, die Hem in naam van de andere apostelen vroeg, wat voor loon zij zouden ontvangen, omdat zij toch ter wille van Hem alles hadden verlaten, gaf Jezus Christus de plechtige belofte: „Voorwaar, Ik zeg u: Bij de wedergeboorte, wanneer de Mensenzoon zal gezeten zijn op de troon zijner heerlijkheid, zult ook gij die Mij gevolgd zijt, gezeten zijn op twaalf tronen en heersen over de twaalf stammen van Israel.” (Mt. 19, 28)
Wil men dus aan de kinderen en jongens de mogelijkheid geven, hoogachting en steeds groeiende waardering op te vatten voor het priesterleven en daarvoor een heilig enthousiasme op te brengen, dan moet men daarvoor zowel in het gezin als op school een gunstige sfeer scheppen. Ofschoon slechts weinig christenen worden geroepen tot het priesterschap of het kloosterleven, dienen allen toch te leven en te denken overeenkomstig de geest van het bovennatuurlijk geloof Vgl. Hebr. 10, 38 ; en daarom moeten zij de grootste hoogachting en eerbied hebben voor hen, die heel hun leven wijden aan hun eigen heiliging, het geestelijk heil van de mensheid en aan de meerdere eer van God. Zó alleen zal het christenvolk steeds meer worden doordrongen van de gevoelens van Christus Vgl. 1 Kor. 2, 16 en zal het aantal priesterroepingen gemakkelijker stijgen.

Om het aantal priesterroepingen te doen toenemen, moeten de gelovigen dit op de eerste plaats aan God vragen door hun gebed, volgens het bevel van Christus: „De oogst is wel groot, maar arbeiders zijn er weinig. Vraagt daarom de Heer van de oogst, arbeiders te sturen om te oogsten” (Mt. 9, 37-38) Uit deze woorden van de goddelijke Verlosser blijkt duidelijk, dat de eerste bron van het priesterschap is: de barmhartige en vrije uitverkiezing van God. Daarom zei Christus tot zijn apostelen: „Niet Gij hebt Mij uitgekozen, maar Ik u en Ik heb u de taak gegeven op tocht te gaan en vruchten voort te brengen, die blijvend mogen zijn.” (Joh. 15, 16) En ofschoon Sint-Paulus het priesterschap van Jezus Christus in waardigheid stelde boven dat van het Oude Testament, leerde hij toch ook, dat elk wettig priesterschap, omdat het van nature een middelaarfunctie is tussen God en de mensen, vooral afhangt van Gods wil: „Elke hogepriester, uit de mensen genomen, wordt aangesteld voor de mensen ten behoeve van hun verhouding tot God... En niemand eigent zich deze waardigheid toe, maar men wordt evenals Aäron door God geroepen” (Hebr. 5, 1.4) Des te meer moet men dus de roeping om te delen is het priesterschap van Christus beschouwen als iets hoogs en als onverdiend. Over dit priesterschap van Christus schrijft dezelfde apostel: „Zo heeft ook Christus zichzelf niet tot de eer van het hogepriesterschap verheven;... en tot volkomenheid gebracht en door God uitgeroepen tot Hogepriester naar de wijze van Melchisedek, is Hij voor allen, die Hem gehoorzamen, oorzaak geworden van eeuwig heil.“ (Hebr. 5, 5.9-10) Met recht dus schrijft Sint-Johannes Chrysostomus in zijn werk Over het priesterschap:

„Het priesterschap wordt uitgeoefend op aarde, maar wordt in rang gerekend tot de hemelse orde, en terecht. Want niet een mens, niet een engel, niet een aartsengel, geen enkele andere aardse macht, maar de Heilige Geest zelf heeft dit ambt ingesteld. Hij gaf aan stervelingen het verlangen in naar een bediening van engelen.” H. Johannes Chrysostomos, Over het priesterschap, De sacerdotio. III, n. 4: P.G. 48, 642

Men moet er echter aan denken, dat deze goddelijke roeping tot het priesterschap niet alleen te maken heeft met de geestelijke vermogens, d.i. het verstand en de vrije wil van de kandidaten, maar ook met de psyche en het lichaam zelf; want de gehele mens moet opgewassen zijn tegen de zware verplichtingen van dit heilig ambt, verplichtingen, die vaak gepaard gaan met grote ongemakken en die soms zelfs, op het voorbeeld van de Goede Herder Jezus Christus, het offer van het leven vragen. Daarom moeten jongens of jonge mensen geacht worden geen roeping tot het priesterschap te hebben, als zij geen voldoende gaven van verstand en wil bezitten of een aangeboren psychische zwakheid of lichaamsgebrek hebben; want dan zijn zij niet in staat de talrijke verplichtingen van hun ambt waardig te vervullen en de lasten van geestelijke stand te dragen. Daartegenover staat de troostvolle uitspraak van de H. Thomas, die verklaart, dat voor iedere priester geldt, wat de apostel zegt over de eerste evangeliepredikers, Sint-Thomas schrijft aldus:

„Aan, hen, die God tot iets uitverkiest, geeft Hij zulk een voorbereiding en zulke kwaliteiten, dat zij geschikt zijn voor datgene, waartoe zij worden uitverkoren, volgens het woord van 2 Kor. 3, 6:: Hij is het die ons bekwaam heeft gemaakt dienaars te zijn van een nieuw verbond.” H. Thomas van Aquino, Summa Theologiae. III, q. 27, art. 4, corpus

Daarom moeten de ouders, de zielzorgers en allen, die belast zijn met de opvoeding van de jeugd, niet alleen een gunstige sfeer scheppen voor priesterroepingen en Gods genade afsmeken voor een groter aantal roepingen, maar ook op verstandige manier moeite doen om de jongens te plaatsen in een seminarie of religieus instituut, zodra zij duidelijk blijk geven van verlangen naar het priesterschap en van geschiktheid daarvoor. Want zó alleen zullen zij meer beveiligd zijn tegen de verleiding van de wereld en in een geschikt milieu de kiem van de roeping kunnen ontwikkelen. Daar begint dan de eigen taak van directeuren, de geestelijke leiders en de leraren nauwkeuriger op grond van bepaalde aanwijzingen te beoordelen, of Christus deze jongens werkelijk uitverkiest tot zijn priesters, en verder om de kandidaten te helpen zich waardig voor te bereiden op hun verheven ambt. Dit grootse en moeilijke werk van de fysieke, religieuze, morele, intellectuele vorming van de kandidaten in het seminarie wordt zeer juist getekend door de woorden van het decreet van Trente in het desbetreffende hoofdstuk: onderhoud, godsdienstige vorming en onderricht in de kerkelijke wetenschappen. Mansi, o.c. XXIII, 147

Hier stelt zich de zeer belangrijke vraag: wat is het meest karakteristieke en het onontbeerlijke teken van de roeping tot het priesterschap? En van welk criterium vooral moeten dus de personen uitgaan, die in het seminarie belast zijn met de vorming en het onderricht van de kandidaten, allereerst de geestelijke leider? Dit criterium bestaat ongetwijfeld in de juiste bedoeling, d.i. de duidelijke en besliste wil om zich geheel te wijden aan de dienst van God. Dit blijkt uit het voorschrift van de canon van Trente, waarin bepaald wordt, dat alleen de jongens in het seminarie mogen worden opgenomen, „wier karakter en wil de verwachting wettigt, dat zij zich altijd aan de kerkelijke bediening zullen blijven wijden”. Concil. Oecumen. Decr.: Centro di Documentazione, Instituto per le Scienze Religiose, Herder 1962, p. 726, 38-39 Vandaar dat onze voorganger Pius XI z.g., waar hij spreekt over de juiste bedoeling in zijn beroemde encycliek Ad Catholici Sacerdotli, niet aarzelt te verklaren:

„Wie naar deze heilige levensstaat streeft, uitsluitend om deze edele beweegreden, nl. zich te wijden aan de dienst van God en het heil van de zielen, en dan tevens een degelijke godsvrucht, een beproefde reinheid van leven en een behoorlijke wetenschap in de bovengenoemde zin bezit of tracht te verkrijgen, die is zeer zeker, gelijk duidelijk blijkt, door God tot de priesterlijke bediening geroepen.” Paus Pius XI, Encycliek, Over het Katholieke priesterschap, Ad Catholici Sacerdotii fastigium (20 dec 1935)

Maar al is het voor de toelating tot het seminarie voldoende, dat de jongens althans de eerste tekenen vertonen van een juiste bedoeling en van een karakter, dat geschikt is voor het priesterschap en de daaraan verbonden lasten, toch mogen de seminaristen slechts dan worden toegelaten tot de heilige wijdingen en vooral tot het priesterschap, als de bisschop of de religieuze overste in hen zulk een rijpheid constateert van heilige voornemens, dat zij in geweten de zekerheid hebben, dat zij, die voor hen staan, Gods uitverkorenen zijn. Vgl. 1 Sam. 16, 6
Er rust op de Ordinarii een zware en ontzagwekkende last en verantwoordelijkheid, want zij hebben de taak, het definitief oordeel uit te spreken over de tekenen van roeping in de kandidaten voor de heilige wijdingen, en zij alleen hebben het recht, hen tot het priesterschap te roepen, waardoor zij dan voor de Kerk de goddelijke roeping tot het priesterschap bekrachtigen en in werking stellen, die in de jonge mensen langzaam tot rijpheid is gekomen. Dit is de zin van de woorden uit de catechismus van het concilie van Trente: „Zij worden geacht door God geroepen te worden, die geroepen worden door de wettige dienaren van de Kerk.” Catechismus-Compendium, Catechismus van het Concilie van Trente, Catechismus Romanus Concilii Tridentini. p. III, de Ordine, 3 Gezien het droevige feit, dat verschillende priesters ontrouw zijn geworden aan hun plichten – een ongeluk, dat misschien voorkomen had kunnen worden door een grotere gestrengheid bij de selectie en de opleiding van de priesterkandidaten – dienen de bisschoppen ook in onze tijd de ernstige vermaning van Sint-Paulus aan Timoteus voor ogen te houden: „Leg niemand overijld de handen op en maakt u niet medeplichtig aan andermans zonden.” (1 Tim. 5, 22)

Document

Naam: SUMMI DEI VERBUM
Bij het 4e eeuwfeest van de oprichting van seminaries door het Concilie van Trente
Soort: H. Paus Paulus VI - Apostolische Brief
Auteur: H. Paus Paulus VI
Datum: 4 november 1963
Copyrights: © 1965, Ecclesia Docens 0712, Uitg. Gooi & Sticht, Hilversum, pag. 9-38
Vert.: Dr. M.H. Mulders C.ss.R., Dr. J. Kahmann C.s.R.
Bewerkt: 4 mei 2020

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Inhoudsopgave van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2020, Stg. InterKerk, Schiedam