• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x
Wat het begrip van de openbaring betreft heeft de theologie altijd op verschillende historische momenten moeten antwoorden op de vragen van verschillende culturen, om dan de inhoud van het geloof te bemiddelen voor die culturen op een samenhangende en begripsmatig heldere wijze. Ook vandaag heeft zij een dubbele opgave. Want enerzijds moet zij de verplichting nakomen, die Vaticanum II haar destijds oplegde: vernieuwing van haar methoden met het oog op een effectievere dienst aan de evangelisering. Zou men in dit verband niet denken aan de woorden van Paus Johannes XXIII bij de opening van het Concilie? Hij zei toen: "Het is nodig dat men tegemoet komt aan de levende verwachting van hen die waarlijk de christelijke, katholieke en apostolische godsdienst liefhebben, en dat deze leer op een bredere en diepere wijze bekend wordt; het is nodig dat de mensen afzonderlijk beter onderwezen en gevormd worden; het is nodig dat de zekere en onveranderlijke leer, waaraan men zich getrouw dient te houden, verdiept en gepresenteerd wordt op een wijze die overeenkomt met de behoeften van onze tijd". H. Paus Johannes XXIII, Toespraak, Openingstoespraak Tweede Vaticaans Concilie, Gaudet Mater Ecclesia (11 okt 1962), 30

Anderzijds moet de theologie de ogen richten op de laatste waarheid, die haar met de openbaring wordt toevertrouwd, zonder zich tevreden te stellen met een verblijf in tussenstadia. De theoloog doet er goed aan zich te herinneren, dat zijn arbeid "overeenkomt met de dynamiek die in het geloof zelf woont" en dat het eigenlijke object van zijn arbeid "de Waarheid, namelijk de levende God en zijn in Jezus Christus geopenbaarde heilsplan" is. Congregatie voor de Geloofsleer, Instructie over de Kerkelijke Roeping van de Theoloog, Donum Veritatis (24 mei 1990), 7-8 Deze taak, die in eerste instantie de theologie aangaat, daagt tegelijkertijd de wijsbegeerte uit. De veelheid van problemen die zich tegenwoordig opdringen, vraagt inderdaad om een gemeenschappelijke, zij het ook met verschillende methoden doorgevoerde arbeid, opdat de waarheid weer gekend en tot uitdrukking wordt gebracht. De Waarheid, die Christus is, legt zichzelf op als een universele autoriteit die zowel de theologie alsook de filosofie leidt, aanspoort en doet groeien Vgl. Ef. 4, 15 .

Het mogelijk achten een universeel geldige waarheid te kennen is geenszins een aanmoediging tot intolerantie; integendeel, het is de essentiële voorwaarde voor een oprechte en authentieke dialoog tussen personen. Alleen op deze basis is het mogelijk om de scheidende onenigheden te overwinnen en gezamenlijk de weg in te slaan naar de hele, ongedeelde waarheid, terwijl we die paden volgen die alleen de Geest van de opgestane Heer kent. H. Paus Johannes Paulus II, Encycliek, Over de Heilige Geest in het leven van de Kerk en de wereld, Dominum et vivificantem (18 mei 1986), 6. In de encycliek schreef ik als commentaar op Joh. 16, 12-13: 'Jezus presenteert de Vertrooster, de Geest van de waarheid, als Degene die zal "onderwijzen" en "in herinnering brengen", als Degene die "getuigenis zal afleggen" van Hem. Nu zegt Hij: "Hij zal u leiden in de volle waarheid". Dit "leiden in de volle waarheid", dat verwijst naar wat de apostelen "nu niet kunnen verdragen", is noodzakelijk verbonden met Christus' ontlediging door zijn lijden en dood aan het kruis, dat toen Hij deze woorden sprak, juist op het punt stond te gebeuren. Later wordt het echter duidelijk dat dit "leiden in de volle waarheid" niet alleen verbonden is met het scandalum Crucis, maar ook met alles wat Christus 'deed en leerde' (Hand.1, 1). Want het mysterium Christi als geheel genomen vraagt geloof, aangezien het het geloof is dat de mens binnenleidt in de werkelijkheid van het geopenbaarde mysterie. Het 'leiden in de volle waarheid' wordt daarom bereikt in en door het geloof: en dit is het werk van de Geest der waarheid en het resultaat van zijn activiteit in de mens. De heilige Geest moet hierbij de hoogste Leider van de mens zijn en het Licht van de menselijke geest' Op dit punt wil ik de specifieke vorm aangeven die de roep om eenheid thans aanneemt, gegeven de actuele taak van de theologie.

Het hoofddoel dat de theologie nastreeft is begrip van de openbaring en de inhoud van het geloof te verschaffen. Het feitelijke middelpunt van haar reflectie zal daarom de beschouwing van het mysterie van de drie-ene God zijn. Daar heeft men toegang toe, wanneer men nadenkt over het mysterie van de incarnatie van Gods Zoon: zijn menswording en het consequent op zich nemen van lijden en dood, een mysterie dat zal uitmonden in zijn glorierijke opstanding en verheffing aan de rechterhand van Vader; vandaar zal Hij de Geest der waarheid uitzenden, om zijn Kerk te stichten en te bezielen. Tegen deze achtergrond zal de eerste opgave van de theologie zijn: het begrijpen van de kenosis van God, een waarlijk groot geheim voor de menselijke geest, voor wie het onhoudbaar schijnt dat lijden en dood de liefde kunnen uitdrukken die zich wegschenkt, zonder daarvoor iets terug te vragen. Vanuit dit perspectief is een zorgvuldige analyse van de teksten fundamenteel en dringend geboden; allereerst de schriftteksten, dan die teksten waarin de levende traditie van de Kerk zich uitdrukt. In samenhang hiermee doen zich tegenwoordig veel, slechts ten dele nieuwe problemen voor, waarvoor men geen toereikende oplossing zal kunnen vinden zonder de hulp van de filosofie.
Een eerste problematisch aspect vormt de verhouding tussen betekenis en waarheid. Zoals iedere andere tekst brengen de bronnen die de theologie interpreteert allereerst een betekenis over die opgepakt en uitgelegd moet worden. Nu presenteert die betekenis zich als de waarheid over God, die door God zelf middels de heilige tekst meegedeeld wordt. Zo belichaamt de menselijke taal de taal van God, die door de wonderbare "medeneerdaling" die de logica van de menswording weerspiegelt, zijn waarheid meedeelt. Vgl. 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Goddelijke openbaring, Dei Verbum (18 nov 1965), 13 De theoloog moet zich dus bij de uitleg van de bronnen van de openbaring de vraag stellen, wat de diepe en onvervalste waarheid is, die de teksten willen meedelen, zij het binnen de grenzen van de taal.

Wat de bijbelse teksten en in het bijzonder de evangelies betreft, is hun waarheid zeker niet beperkt tot de vertelling van eenvoudige, historische gebeurtenissen of de onthulling van neutrale feiten, zoals het historicistische positivisme graag zou willen Vgl. Pauselijke Bijbelcommissie, Instructie over de historische waarheid van de Evangeliën, Sancta Mater Ecclesia - De historica evangeliorum veritate (21 apr 1964). Integendeel, deze teksten berichten van gebeurtenissen waarvan de waarheid achter het gewone historische gebeuren ligt: ze ligt in hun betekenis in en voor de heilsgeschiedenis. Deze waarheid wordt volledig uitgewerkt in de voortdurende lezing door de Kerk van deze teksten door de eeuwen heen, een lezing die hun oorspronkelijk betekenis intact laat. Er bestaat daarom een dringende behoefte om de betrekking tussen feit en betekenis, een betrekking die de specifieke zin van de geschiedenis vormt, ook vanuit het wijsgerige standpunt te onderzoeken.

Het woord van God richt zich niet tot één apart volk of tot een specifieke periode in de geschiedenis. Zo ook formuleren dogmatische verklaringen, terwijl ze soms de cultuur van de periode waarin ze werden gedefinieerd weerspiegelen, een onveranderlijke en definitieve waarheid. Dit werpt de vraag op hoe iemand de absoluutheid en de universaliteit van de waarheid kan verzoenen met de onvermijdelijke historische en culturele afhankelijkheid van de formules die deze waarheid uitdrukken. De standpunten van het historicisme zijn, zoals ik eerder zei, onhoudbaar. Maar de toepassing van een hermeneutiek die openstaat voor de aanspraak van de metafysica kan laten zien hoe het mogelijk is om van de historische omstandigheden en toevalligheden waarin de teksten zich ontwikkelden naar de waarheid die zij uitdrukken over te gaan, een waarheid die boven die omstandigheden uitstijgt.

De mens is in staat om met behulp van zijn beperkte historische taal waarheden tot uitdrukking te brengen die boven het verschijnsel taal uitgaan. De waarheid kan nooit beperkt worden tot tijd en cultuur: ze wordt binnen de geschiedenis gekend maar ze stijgt boven de geschiedenis uit.

Dit te zien is een glimp van de oplossing van een ander probleem: dat van de blijvende geldigheid van de in de conciliedefinities gebruikte begrippentaal. Reeds mijn eerwaarde voorganger Pius XII heeft dit probleem aangevat in zijn encycliek Paus Pius XII - Encycliek
Humani Generis
Over sommige valse meningen die de grondslagen van de Katholieke leer dreigen te ondermijnen
(12 augustus 1950)
. Paus Pius XII, Encycliek, Over sommige valse meningen die de grondslagen van de Katholieke leer dreigen te ondermijnen, Humani Generis (12 aug 1950), 16. "Het is duidelijk dat de Kerk zich niet kan binden aan een willekeurig, voorbijgaand, wijsgerig systeem; maar wat door de katholieke theologen in overeenstemming in eeuwenlange arbeid is opgesteld, om enigszins tot een begrijpen en bevatten van het dogma te komen, berust niet op een zo bouwvallige fundering. Want het berust op beginselen en begrippen die afgeleid zijn uit de ware en juiste kennis van de geschapen dingen: in dit proces van afleiding van deze kennis gaf de goddelijke openbaring als een ster verlichting aan de menselijke geest, door de Kerk. Daarom is het niet verbazend dat enkele van deze begrippen door de oecumenische Concilies niet alleen gebruikt zijn, maar zelfs vastgelegd, zodat het verkeerd is om daarvan afstand te nemen" Vgl. Internationale Theologische Commissie, Interpretationis problema (1 okt 1989)

Het is een ingewikkeld probleem om te overdenken, aangezien men ernstig rekening moet houden met de betekenis die woorden aannemen in verschillende tijden en culturen. Niettemin, de geschiedenis van het denken laat zien dat bepaalde grondbegrippen doorheen de ontwikkeling en de veelheid van culturen hun universele kenniswaarde houden en daarmee de waarheid van de zinnen waarin zij wordt verwoord, bewaren. Congregatie voor de Geloofsleer, Verklaring ter bescherming van de Katholieke Leer over de Kerk tegen enkele hedendaagse dwalingen, Mysterium Ecclesiae (24 juni 1973), 5. "Wat de betekenis van de dogmatische formules betreft, deze blijft altijd waar en constant in de Kerk, zelfs wanneer zij wordt verwoord met grotere helderheid of verder ontwikkeld. De gelovigen moeten daarom allereerst de opvatting vermijden dat dogmatische formules (of bepaalde soorten ervan) de waarheid niet op bepaalde wijze zouden kunnen beduiden, maar alleen veranderlijke benaderingen ervan zouden kunnen bieden, die haar in zekere zin zouden deformeren of veranderen" ware dit niet het geval, dan zouden de wijsbegeerte en de natuurwetenschappen niet met elkaar kunnen communiceren noch overgenomen worden door culturen die zijn verschillend van degene, waarin ze bedacht en uitgewerkt werden. Het hermeneutische probleem bestaat, zeker; maar is oplosbaar. Bovendien sluit de objectieve waarde van veel concepten niet uit dat hun betekenis vaak onvolmaakt is. Daarom kan wijsgerige speculatie zeer dienstig zijn. We mogen dan ook hopen dat de filosofie het zich tot een bijzondere zorg zal rekenen om het verstaan van de betrekking tussen begrippentaal te verdiepen, en wegen voor te stellen die zullen leiden tot een juist verstaan van die betrekking.

De juiste interpretatie van de bronnen is een belangrijke opgave voor de theologie; maar een nog delicatere en meer eisende taak is het verstaan van de geopenbaarde waarheid, respectievelijk het proces van de intellectus fidei. De intellectus fidei, zo heb ik aangegeven, vraagt de bijdrage van de filosofie van het zijn, die het vooral de dogmatische theologie mogelijk maakt, haar functies naar behoren uit te voeren. Het dogmatische pragmatisme van het begin van deze eeuw, volgens hetwelk de geloofswaarheden alleen maar gedragsregels waren, is reeds afgewezen en verworpen; Vgl. Heilig Officie, Syllabus van dwalingen van de modernisten, Lamentabili sane exitu (3 juli 1907), 26 niettemin blijft steeds de bekoring bestaan, deze waarheden puur functioneel te verstaan. In dit geval zou men vervallen tot een ongeschikt en gereduceerd schema, dat de speculatieve helderheid mist. Een christologie bijvoorbeeld, die eenzijdig uitging 'van onderen' zoals men tegenwoordig pleegt te zeggen, of een ecclesiologie die uitsluitend naar het voorbeeld van burgerlijke maatschappijen is opgebouwd, zouden het gevaar van een dergelijke reductie nauwelijks kunnen vermijden.

Als de intellectus fidei de hele rijkdom van de theologische traditie wil integreren, moet hij zich bedienen van de filosofie van het zijn. Deze filosofie van het zijn zal in staat moeten zijn het probleem van het zijn opnieuw aan te pakken - en dit in harmonie met de eisen en inzichten van de gehele filosofische traditie, inclusief de filosofie van recentere tijden, zonder te vervallen in het steriel herhalen van verouderde schemata. De filosofie van het zijn is binnen het kader van de christelijke metafysische overlevering een dynamische filosofie die de werkelijkheid beziet in haar ontologische, oorzakelijke en communicatieve structuren. Ze is sterk en bestendig omdat ze steunt op de zijnsakt zelf, die een volledige en omvattende openheid voor de werkelijkheid als geheel toelaat.; daarbij overschrijft zij elke grens, tot zij Hem bereikt die alles tot vervulling brengt. Vgl. H. Paus Johannes Paulus II, Toespraak, Pauselijke Universiteit van het "Angelicum", Tot de deelnemers aan het Internationaal Congres ter gelegenheid van de 100ste verjaardag van de encycliek Aeterni Patris (17 nov 1979), 6 In de theologie, die haar beginselen ontvangt uit de openbaring als nieuwe kennisbron, wordt dit perspectief bevestigd door de intieme relatie die bestaat tussen geloof en metafysische rationaliteit.

Deze overwegingen zijn ook van toepassing op de moraaltheologie. Het is zeker zo dringend nodig dat de wijsbegeerte wordt herontdekt voor het geloofsverstaan dat betrekking heeft op het handelen van de gelovigen. Ten aanzien van de uitdagingen op sociaal, economisch en wetenschappelijk gebied is het morele geweten van de mens gedesoriënteerd. In de Encycliek H. Paus Johannes Paulus II - Encycliek
Veritatis Splendor
Over kerkelijke moraalleer
(6 augustus 1993)
heb ik geschreven, dat veel van de problemen van de hedendaagse wereld voortkomen uit een "crisis omtrent de waarheid". "Nadat de idee van een voor het menselijk verstand kenbare universele waarheid over het goede verloren was gegaan, is onvermijdelijk ook het begrip van het geweten veranderd; het geweten wordt niet meer in zijn oorspronkelijke staat gezien, dat wil zeggen als een handeling van het inzicht van de persoon wiens taak het is, om de algemene kennis van het goede op een bepaalde situatie toe te passen en zo een oordeel te vellen over het juiste, hier en nu te kiezen gedrag; men kwam ertoe, aan het geweten van het individu het voorrecht te verlenen om de criteria voor goed en kwaad autonoom vast te leggen en dienovereenkomstig te handelen. Deze visie is niets anders dan een individualistische ethiek op grond waarvan ieder zich geconfronteerd ziet met zijn waarheid, die van de waarheid van de anderen verschillend is". H. Paus Johannes Paulus II, Encycliek, Over kerkelijke moraalleer, Veritatis Splendor (6 aug 1993), 32

In de hele Encycliek heb ik de fundamentele rol die aan de waarheid toekomt op het gebied van de moraal, helder en duidelijk onderstreept. Wat het merendeel van de dringendste ethische problemen betreft verlangt deze waarheid van de kant van de moraaltheologie een attente reflectie, die kan wijzen op zijn wortels in het woord van God. Om deze opdracht te kunnen vervullen, moet de waarheid zich bedienen van een filosofische ethiek die gericht is op de waarheid van het goede; een ethiek dus, die noch subjectivistisch noch utilitaristisch is. De gewenste ethiek impliceert en veronderstelt een wijsgerige antropologie en een metafysica van het goede. Wanneer de moraaltheologie deze organische visie huldigt, die noodzakelijkerwijze verbonden is met de christelijke heiligheid en met de beoefening van de menselijke en bovennatuurlijke deugden, zal zij in staat zijn zeer passend en doelmatig de verschillende problemen aan te vatten, waarvoor zij competent is: de vrede, sociale rechtvaardigheid, gezin, de verdediging van het leven en het milieu.

Het theologische werk in de Kerk staat allereerst in dienst van de geloofsverkondigingen van de catechese. Vgl. H. Paus Johannes Paulus II, Postsynodale Apostolische Exhortatie, Catechese geven in onze tijd, Catechesi Tradendae (16 okt 1979), 30 Vgl. Congregatie voor de Geloofsleer, Instructie over de Kerkelijke Roeping van de Theoloog, Donum Veritatis (24 mei 1990), 7 Verkondiging of kerygma is een oproep tot bekering, door de bekendmaking van de waarheid van Christus, die haar hoogtepunt bereikt in zijn Paasmysterie; want alleen in Christus is het mogelijk om de volheid van de waarheid die redt, te kennen Vgl. Hand. 4, 12 Vgl. 1 Tim. 2, 4-6 .

In dit verband is het goed te begrijpen waarom behalve aan de theologie ook aan de verwijzing naar de catechese groot belang toekomt, aangezien de catechese filosofische implicaties heeft die in het licht van het geloof verdiept moeten worden. De in de catechese doorgegeven leer draagt bij aan de vorming van de persoon. Als een manier van taalcommunicatie moet de catechese de leer van de Kerk presenteren in haar volledigheid Vgl. H. Paus Johannes Paulus II, Postsynodale Apostolische Exhortatie, Catechese geven in onze tijd, Catechesi Tradendae (16 okt 1979), 30, en ook het verband van die leer met het leven van de gelovigen. Vgl. H. Paus Johannes Paulus II, Postsynodale Apostolische Exhortatie, Catechese geven in onze tijd, Catechesi Tradendae (16 okt 1979), 22 Het resultaat is een unieke verbinding van leer en leven die op een andere manier niet te bereiken valt, aangezien dat wat in de catechese wordt meegedeeld niet een verzameling begripswaarheden is, maar het mysterie van de levende God. Vgl. H. Paus Johannes Paulus II, Postsynodale Apostolische Exhortatie, Catechese geven in onze tijd, Catechesi Tradendae (16 okt 1979), 7

Het wijsgerig onderzoek kan er veel toe bijdragen dat de betrekking tussen waarheid en leven, tussen gebeurtenis en doctrinaire waarheid, en bovenal tussen transcendente waarheid en menselijk begrijpbare taal wordt verhelderd. Vgl. H. Paus Johannes Paulus II, Postsynodale Apostolische Exhortatie, Catechese geven in onze tijd, Catechesi Tradendae (16 okt 1979), 59 De wisselwerking die ontstaat tussen de theologische vakken en de resultaten die door de verschillende wijsgerige stromingen zijn behaald, kan echt vruchtbaar blijken voor de communicatie en het diepere begrip van de waarheid.

Document

Naam: FIDES ET RATIO
Over de verhouding van Geloof en Rede
Soort: H. Paus Johannes Paulus II - Encycliek
Auteur: H. Paus Johannes Paulus II
Datum: 14 september 1998
Copyrights: © 1998 - Colomba
Bewerkt: 28 januari 2018

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Inhoudsopgave van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2019, Stg. InterKerk, Schiedam