• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x
De Heilige Schrift bevat zowel in impliciete als in expliciete vorm een aantal elementen, die ons een mensbeeld en een visie op de wereld bieden van uitzonderlijke filosofische kracht. De christenen werden zich langzamerhand bewust van de rijkdom die in de heilige boeken vervat lag. Uit die pagina's spreekt, dat de werkelijkheid die wij ervaren, niet het absolute is: ze is noch ongeschapen, noch brengt zij zichzelf voort. Slechts God is de Absolute. Uit de pagina's van de bijbel spreekt bovendien een kijk op de mens als imago Dei, beeld van God, die precieze aanwijzingen over zijn zijn, zijn vrijheid en de onsterfelijkheid van zijn ziel bevat. Omdat de geschapen wereld zichzelf niet voldoende is, leidt iedere illusie van autonomie, die de essentiële afhankelijkheid uit het oog verliest, waarmee ieder schepsel, inclusief de mens, voor God staat, tot conflicten die de rationele zoektocht naar de harmonie en de zin van het menselijk bestaan te niet doen.

Ook het probleem van het zedelijk kwaad - de meest tragische vorm van het kwaad - wordt in de Bijbel behandeld, hetgeen ons leert dat dergelijk kwaad niet van een of ander gebrek in de materie afkomstig is, maar een wonde is die is toegebracht door de ongeordende uitoefening van de menselijke vrijheid. Tenslotte stelt het woord van God het probleem van de zin van het leven aan de orde en onthult zijn antwoord door de mens te wijzen op Jezus Christus, het mensgeworden Woord van God, die de volmaakte verwerkelijking is van het menselijk bestaan. Andere aspecten zouden door lezing van de heilige teksten verduidelijkt kunnen worden; in elk geval blijkt daaruit de afwijzing van iedere vorm van relativisme, materialisme en pantheïsme.

De fundamentele overtuiging van de 'filosofie' die in de bijbel wordt gevonden, is dat de wereld en het menselijk leven een betekenis hebben en uitzien naar hun vervulling, die komt in Jezus Christus. Het mysterie van de menswording zal altijd het centrale referentiepunt blijven om het raadsel van het menselijk bestaan, de geschapen wereld en God zelf te begrijpen. De uitdaging van dit mysterie drijft de wijsbegeerte naar haar grenzen, omdat de rede wordt opgeroepen, zich een logica eigen te maken die de muren neerhaalt waarachter ze zich dreigt te verschansen. Eerst hier echter bereikt de zin van het bestaan zijn hoogtepunt. Want de intiemste essentie van God en van de mens worden begrijpbaar: in het mysterie van het mensgeworden Woord worden de goddelijke en de menselijke natuur ieder in hun eigen autonomie bewaard, en tegelijk openbaart zich de unieke band, die ze onvermengd in wederkerige betrekking zet. Vgl. Concilie van Chalcedon, 5e Zitting - Over de twee naturen in Christus, Sessio V - Definitio de duabus naturis Christi (22 okt 451), 3

We moeten vaststellen dat een van de belangrijkste aspecten van onze huidige situatie de 'zinscrisis' is. De dikwijls wetenschappelijk gestempelde opvattingen over leven en wereld zijn zo talrijk geworden, dat we werkelijk beleven hoe het verschijnsel van de fragmentatie van de kennis om zich heen grijpt. Juist dát maakt het zoeken naar een zin moeilijk en vaak vruchteloos. Nog dramatischer is het dat veel mensen, in de maalstroom van gegevens en feiten waarin we leven en die het eigenlijke weefsel van het leven schijnen te vormen, zich afvragen of het nog wel zin heeft om over "zin" te praten. De meerderheid van de theorieën die als om strijd een antwoord geven, respectievelijk de verschillende manieren van zien en beoordelen met betrekking tot de wereld en het leven van de mens, maken deze twijfel alleen maar erger, zodat hij gemakkelijk kan uitlopen op een toestand van scepsis en onverschilligheid, of op verschillende vormen van nihilisme.

Als gevolg daarvan dringt dikwijls een tweeduidig denken de menselijke geest binnen, dat leidt tot een steeds diepere 'introvertheid' die is opgesloten binnen de grenzen van haar eigen immanentie zonder enige vorm van referentie aan het transcendente. Een wijsbegeerte die niet langer de vraag naar de zin van het leven stelt zou het ernstige risico lopen de rede te herleiden tot louter instrumentele functies, zonder werkelijke hartstocht voor de waarheid.

Om in harmonie te zijn met het woord van God moet de filosofie allereerst haar wijsheidsdimensie hervinden, als een zoektocht naar de uiterste en omvattende zin van het leven. Dit eerste vereiste draagt in feite ten zeerste bij aan het stimuleren van de wijsbegeerte om in het reine te komen met haar eigen natuur. Door dat te doen zal zij niet alleen de beslissende kritische factor zijn die de grondslagen en de grenzen van de verschillende gebieden van wetenschappelijke kennis bepaalt, maar zal ze ook haar plaats innemen als uiteindelijke raamwerk van de eenheid van de menselijke kennis en actie, en ze leiden naar een uiteindelijke bestemming en betekenis. Deze wijsheidsdimensie is tegenwoordig te meer nodig, omdat de reusachtige uitbreiding van de technische capaciteit van de mens vraagt om een vernieuwd en aangescherpt gevoel voor de laatste waarden. Als deze technologie niet wordt geordend naar iets dat groter is dan een puur nuttigheidsdoel, dan zou ze spoedig inhumaan kunnen blijken en zelfs een potentiële vernietigster van het menselijk ras worden. Vgl. H. Paus Johannes Paulus II, Encycliek, De Verlosser van de mensen, Redemptor Hominis (4 mrt 1979), 15

Het woord van God openbaart de uiteindelijke bestemming van de mens en verschaft een harmoniserende uitleg van alles wat hij doet in de wereld. Daarom nodigt het de wijsbegeerte uit om mee te doen in het zoeken naar een natuurlijke fundering van deze zin, die overeenkomt met de religieuze impuls die iedere mens als persoon eigen is. Een filosofie die de mogelijkheid van een uiteindelijke en omvattende betekenis ontkent zou niet alleen slecht berekend zijn op haar taak, maar vals.

Toch zou deze wijsheidsfunctie niet verricht kunnen worden door een wijsbegeerte die zelf geen ware en authentieke kennis was, d.w.z. niet alleen gericht op bijzondere en ondergeschikte aspecten van de werkelijkheid - functionele, formele of utilitaire - maar op zijn totale en definitieve waarheid, op het zijn zelf van het kennisobject. Daarbij geldt een tweede vereiste: dat de wijsbegeerte het menselijke vermogen om de waarheid te kennen verifieert, om te komen tot een kennis die objectieve waarheid kan bereiken door middel van die adaequatio rei et intellectus waarnaar de scholastieke geleerden verwijzen. Vgl. H. Thomas van Aquino, Summa Theologiae. I, 16, 1 Vgl. H. Bonaventura, Collationes in Hexaëmeron. 3, 8, 1 Dit postulaat, eigen aan het geloof, werd uitdrukkelijk herbevestigd door Vaticanum II: "De rede is niet beperkt tot de verschijnselen alleen. Ze kan met ware zekerheid de geestelijke diepere structuren van de werkelijkheid zelf bereiken, ofschoon als gevolg van de zonde die zekerheid gedeeltelijk verduisterd en verzwakt is." Vgl. 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk in de wereld van deze tijd, Gaudium et Spes (7 dec 1965). 15

Een radicaal fenomenalistische of relativistische filosofie zou ongeschikt zijn om te helpen bij de diepere verkenning van de rijkdom die in het woord van God te vinden is. De heilige Schrift neemt altijd aan dat het individu, ook al is het schuldig aan dubbelzinnigheid en leugenachtigheid, de heldere en eenvoudige waarheid kan bevatten. De Bijbel, en het Nieuwe Testament in het bijzonder, bevat teksten en verklaringen die een waarlijk ontologische draagwijdte hebben. De geïnspireerde schrijvers wilden ware verklaringen formuleren, d.w.z. die de objectieve werkelijkheid weer konden geven. Men kan niet zeggen dat de katholieke traditie dwaalde toen zij bepaalde teksten van St. Jan of St. Paulus begreep als uitspraken over het zijn van Christus zelf. Wanneer zij deze verklaringen tracht te begrijpen en uit te leggen, heeft de theologie daarom de bijdrage nodig van een filosofie die de mogelijkheid van een objectief ware, zij het altijd nog te vervolmaken kennis niet loochent. Dit geldt ook voor de oordelen van het zedelijk geweten, waarvan de heilige Schrift aanneemt dat ze objectief waar kunnen zijn. Vgl. H. Paus Johannes Paulus II, Encycliek, Over kerkelijke moraalleer, Veritatis Splendor (6 aug 1993), 57-61

De beide reeds genoemde postulaten brengen een derde mee: er moet een wijsbegeerte van echt metafysische draagwijdte zijn, dat wil zeggen: die in staat is boven de empirische gegevens uit te stijgen om bij haar zoeken naar de waarheid iets absoluuts te bereiken, iets ultiems en fundamenteels. Dit postulaat geldt gelijkelijk voor wijsheids- en analytische kennis; en in het bijzonder dient het om het zedelijk goede te kennen, dat zijn diepste grond heeft in het Hoogste Goed, God zelf. Ik wil hier niet spreken over metafysica in de zin van een speciale school of een bijzondere denkrichting. Ik wil alleen bevestigen dat de werkelijkheid en de waarheid boven het feitelijke en het empirische uitstijgen. Bovendien wil ik het vermogen van de mens erkennen, deze transcendente en metafysische dimensie werkelijk, zij het op onvolkomen en analoge wijze, te kennen. Zo begrepen mag de metafysica niet als alternatief voor de antropologie beschouwd worden, aangezien het juist de metafysica is die het mogelijk maakt om het begrip van de menselijke waardigheid een grondslag te geven. Op een speciale manier vormt de persoon een bevoorrechte plaat voor de ontmoeting met het zijn en dus met het metafysisch onderzoek.

Waar de mens ook maar een verwijzing naar het absolute en transcendente ontdekt, opent zich de metafysische dimensie van de werkelijkheid voor hem: in waarheid, in schoonheid, in zedelijke waarden, in andere personen, in het zijn zelf, in God. We treffen een grote uitdaging aan het einde van dit millennium, de overgang te voltrekken van fenomeen naar fundament, een even noodzakelijke als dringend stap. We kunnen onmogelijk halt houden bij de ervaring alleen; ook als deze de innerlijkheid van de mens en zijn spiritualiteit uitdrukt en verduidelijkt, moet het speculatieve denken het geestelijke midden en het dragende fundament bereiken. Een wijsgerig denken dat elke metafysische opening afwees, zou daarom volkomen ongeschikt zijn om bij het begrijpen van de openbaring als middelares te functioneren.

Het woord van God refereert voortdurend aan wat uitstijgt boven de menselijke ervaring en zelfs diens denken; maar dit "mysterie" zou niet geopenbaard kunnen worden, en de theologie zou het niet op enigerlei wijze begrijpbaar kunnen maken Vgl. 1e Vaticaans Concilie, 3e Zitting - Dogmatische Constitutie over het Katholieke Geloof, Dei Filius (24 apr 1870), 18, als de menselijke kennis strikt beperkt was tot de wereld van de zintuiglijke waarneming. Aldus speelt de metafysica een essentiële bemiddelende rol bij het theologisch onderzoek. Een theologie zonder een metafysische horizon zou niet in staat zijn, om verder te gaan dan de analyse van de religieuze ervaring; bovendien zou zij het de intellectus fidei, onmogelijk maken, de universele en transcendente waarde van de geopenbaarde waarheid omvattend uit te drukken.

Als ik zo sterk het metafysische element onderstreep, dan is dat omdat ik ervan overtuigd ben dat dit de te nemen weg is om de crisissituatie te overwinnen die tegenwoordig grote delen van de wijsbegeerte in haar greep heeft, en om aldus verschillende in onze samenleving wijdverbreide verkeerde gedragswijzen te corrigeren.

De betekenis van de metafysica wordt nog duidelijker wanneer we stilstaan bij de huidige ontwikkelingen in de hermeneutische wetenschappen en in de taalanalyse. De resultaten van dergelijke studies kunnen ten zeerste bijdragen aan het geloofsbegrip, aangezien zij de structuur van ons denken en spreken blootleggen en de betekenis die de taal heeft. Maar sommige wetenschappers die op deze gebieden werken neigen ertoe om stil te staan bij de vraag, hoe de werkelijkheid begrepen en verwoord wordt, zonder verder te gaan om te zien of de rede de essentie ervan kan ontdekken. We kunnen toch niet anders dan in een dergelijk denkraam de bevestiging zien van onze huidige vertrouwenscrisis ten aanzien van de macht van de rede? Als deze standpunten, op basis van a-prioristische opvattingen, ertoe neigen de geloofsinhouden te verduisteren of hun algemene geldigheid te ontkennen, dan onderdrukken zij de rede niet alleen, maar zetten ze ook zichzelf buitenspel. Want het geloof veronderstelt duidelijk dat de taal van de mens in staat is om de goddelijke en transcendente werkelijkheid op universele wijze te verwoorden - analoog, dat is waar, maar daarom niet minder betekenisvol. Vgl. 4e Concilie van Lateranen, Hfd 2. Over de dwalingen van abt Joachim de Fiore, Caput 2. De errore Abbatis Ioachim (11 nov 1215), 4 Ware dit niet zo, dan zou het woord van God, dat altijd een goddelijk woord is in menselijke taal, niet in staat zijn iets over God te zeggen. De interpretatie van dit woord kan ons niet slechts voortdurend verwijzen naar de ene interpretatie na de andere, zonder ons ooit te brengen tot een uitspraak die eenvoudigweg waar is; anders zou er geen openbaring van God zijn, maar alleen de uitdrukking van menselijke noties over God en over hetgeen God waarschijnlijk van ons denkt.
Ik ben me er wel van bewust dat deze eisen die het woord van God aan de wijsbegeerte stelt, moeilijk kunnen schijnen voor veel mensen die betrokken zijn bij het huidige filosofisch onderzoek. Daarom herneem ik wat de pausen sedert generaties onophoudelijk leren en wat ook het Tweede Vaticaans Concilie bekrachtigd heeft, en wil met alle duidelijkheid de overtuiging tot uitdrukking brengen, dat de mens in staat is, te komen tot een uniforme en organische visie op de wetenschap. Dit is een van de taken die het christelijke denken moet opnemen in het volgende millennium van het christelijke tijdvak. De fragmentarisering van de kennis, met haar versplinterde benadering van de waarheid en een daaruit volgende verbrokkeling van de zin, houdt de mens van vandaag ervan af, te komen tot een innerlijke eenheid. Hoe zou de Kerk hier niet bezorgd over kunnen zijn? Het is het evangelie dat aan de herders deze wijsheidstaak direct oplegt, en zij kunnen niet weglopen voor de plicht om dat te ondernemen.

Ik geloof dat die wijsgeren die vandaag een antwoord willen geven op de eisen die het woord van God aan het menselijk denken stelt, hun denken zouden moeten ontwikkelen op basis van deze postulaten en in organische continuïteit met de grootse traditie die, te beginnen bij de Ouden, via de Kerkvaders en de meesters van de Scholastiek loopt en die de fundamentele resultaten van het moderne en hedendaagse denken insluit. Als de filosofen hun plaats kunnen innemen in deze traditie en er hun inspiratie uit kunnen putten, zullen ze zeker de autonomie-eis van de wetenschap kunnen respecteren.

In de huidige situatie is het daarom zeer betekenisvol dat enkele filosofen de herontdekking bevorderen van de bepalende rol van deze traditie bij een juiste benadering van de kennis. Het beroep op de traditie is niet louter een herinnering aan het verleden; het vormt veeleer de erkenning van een culturele erfenis die aan de hele mensheid behoort. Er mag inderdaad gezegd worden dat wij behoren tot de traditie en dat het niet aan ons is om er naar eigen goeddunken over te beschikken. Juist door in de traditie geworteld te zijn, zullen we vandaag in staat zijn om voor de toekomst een oorspronkelijke, nieuwe en constructieve wijze van denken te ontwikkelen. Hetzelfde appèl geldt in hoge mate ook voor de theologie. Niet alleen omdat de theologie de levende Traditie van de Kerk als haar oorspronkelijke bron heeft Vgl. 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Goddelijke openbaring, Dei Verbum (18 nov 1965), 24 Vgl. 2e Vaticaans Concilie, Decreet, Over de priesteropleiding, Optatam Totius Ecclesiae (28 okt 1965), 16, maar ook omdat zij daardoor in staat moet zijn om zowel de diepe theologische overlevering die de voorbije tijden gestempeld heeft, alsook de ononderbroken wijsgerige traditie te herwinnen, die door haar authentieke wijsheid boven de grenzen van tijd en ruimte uit kan stijgen.

Dit beklemtonen van de noodzaak van een nauwe blijvende betrekking tussen de hedendaagse wijsbegeerte en de wijsbegeerte die is ontwikkeld in de christelijke traditie, is bedoeld om het gevaar af te wenden dat schuilt in sommige denkrichtingen die tegenwoordig sterk verbreid zijn. Ik denk dat het gepast is om -zij het kort- daarop in te gaan, teneinde hun dwalingen aan te stippen en de daaruit volgende risico's voor het wijsgerige werk.

De eerste draagt de naam eclecticisme, waarmee de benadering bedoeld wordt van hen die bij hun onderzoek, onderwijs en argumentatie, zelfs in de theologie, ertoe neigen om gebruik te maken van losse ideeën die uit verschillende filosofieën stammen, zonder bekommernis om hun innerlijke samenhang, hun plaats binnen een systeem of hun historische context. Ze lopen daarom het gevaar, niet in staat te zijn om het waarheidsgehalte van een bepaalde doctrine te onderscheiden van elementen eruit die misschien vals zijn of niet 'to the point'. Een extreme vorm van eclecticisme komt ook voor in het retorische misbruik van wijsgerige termen waaraan sommige theologen zich soms overgeven. Een dergelijke manipulatie draagt niet bij aan het zoeken naar de waarheid en oefent het verstand niet, theologisch noch wijsgerig, om zijn argumenten ernstig en wetenschappelijk te formuleren. De consequente en grondige studie van wijsgerige doctrines, hun specifieke terminologie en de context waarin ze ontstonden, helpt eraan mee om het gevaar van eclecticisme te overwinnen en maakt het mogelijk ze te integreren in de theologische argumentatie op een wijze die aangepast is aan de opdracht.

Eclecticisme is een methodische dwaling, maar kan ook opvattingen in zich bergen die typisch zijn voor het historicisme.Om een doctrine uit het verleden juist te verstaan is het nodig die te plaatsen in zijn eigen historische en culturele context. De grondstelling van het historicisme luidt daarentegen dat de waarheid van een filosofie bepaald wordt op basis van haar geschiktheid voor een bepaalde periode en een bepaald historisch doel. Daarom wordt, tenminste impliciet, de blijvende waarde van het ware ontkend. Wat waar was in een bepaalde periode, beweren historici, is misschien niet waar in een andere. Zo wordt voor hen de geschiedenis van het denken weinig meer dan een archeologische vindplaats, nuttig om opvattingen van vroeger te illustreren, maar voor het grootste deel achterhaald en zonder betekenis voor het heden. Men mag daarentegen niet vergeten dat, zelfs wanneer een formulering in zekere zin gebonden is aan tijd en cultuur, de waarheid of de valsheid ervan in elk geval kan worden vastgesteld en als zodanig geëvalueerd, ondanks de afstand in tijd en ruimte. In het theologisch denken dient het historicisme zich meestal aan onder het mom van 'moderniteit'. Omwille van de terechte zorg, het theologisch betoog actueel en voor de tijdgenoten verstaanbaar te maken, bedient men zich alleen van de meest recente filosofische uitspraken en het meest recente filosofisch taalgebruik, en gaat daarbij voorbij aan de kritische bezwaren die in het licht van de traditie misschien daartegen ingebracht zouden moeten worden. Omdat deze vorm van moderniteit actualiteit met waarheid verwart, toont het zich niet bij machte te voldoen aan de eisen van de waarheid waaraan de theologie moet gehoorzamen.
Een andere bedreiging waarmee rekening gehouden moet worden is het sciëntisme. Deze wijsgerige opvatting weigert de waarde van kennisvormen toe te geven, anders dan die van de positieve wetenschappen; en het verwijst godsdienstige, theologische, ethische en esthetische kennis naar het rijk van de pure fantasie. In het verleden maakte dezelfde gedachte opgang in het positivisme en neonpositivisme, die metafysische uitspraken betekenisloos achtten. De kritische kennisleer heeft deze opvatting in diskrediet gebracht, maar nu zien we haar herleven in de nieuwe vermomming van sciëntisme, dat waarden afdoet als louter producten van de emoties en dat kennis van het zijn verwerpt om de weg vrij te maken voor pure en eenvoudige feitelijkheid. Zo zou de wetenschap zich erop voorbereiden alle aspecten van het menselijk leven te beheersen door technologische vooruitgang. De niet te ontkennen triomf van het wetenschappelijk onderzoek en van de hedendaagse technologie hebben ertoe bijgedragen een sciëntistische visie te propageren die nu grenzeloos lijkt, gegeven zijn ingang in verschillende culturen en de radicale veranderingen die het heeft veroorzaakt.

Helaas, zo moet men vaststellen, verwijst het sciëntisme alles wat te maken heeft met de kwestie van de zin van het leven naar het rijk van het irrationele of imaginaire. Niet minder teleurstellend is de wijze waarop het de andere grote problemen van de wijsbegeerte benadert, die, als ze al niet genegeerd worden, onderworpen worden aan analyses die gebaseerd zijn op oppervlakkige analogieën, zonder enige rationele grondslag. Dit leidt tot de verarming van het menselijk denken, dat zich niet langer bezighoudt met de eschatologische problemen die de mens, als animal rationale,constant heeft opgeworpen vanaf het begin van de tijd. En aangezien zij geen ruimte laat voor kritiek die het ethische oordeel biedt, is de sciëntistische mentaliteit erin geslaagd velen te laten denken dat als iets technisch mogelijk is, het daarom ook moreel toelaatbaar is.

Niet minder gevaarlijk is het pragmatisme, een geesteshouding die bij het maken van haar keuzes, theoretische beschouwingen oordelen die op ethische principes zijn gevestigd, buitensluit. De praktische consequenties van deze wijze van denken zijn aanzienlijk. In het bijzonder is er een groeiende steun voor een opvatting van democratie die niet gefundeerd is op enige referentie aan onveranderlijke waarden: of een handeling toelaatbaar is of niet wordt beslist bij parlementaire meerderheid. Vgl. H. Paus Johannes Paulus II, Encycliek, Over de waarde en de onaantastbaarheid van het menselijk leven, Evangelium Vitae (25 mrt 1995), 69 De consequenties hiervan zijn duidelijk: in de praktijk worden de grote morele beslissingen ondergeschikt aan beslissingen die een voor een genomen worden door institutionele organen. Bovendien wordt de antropologie zelf ernstig gecompromitteerd door een eendimensionale visie op de mens, een visie die de grote ethische dilemma's en de existentiële analyses van de betekenis van lijden en offer uitsluit.
De tot nog toe onderzochte visies leiden van hun kant tot een meer algemene opvatting die tegenwoordig voor veel filosofieën die de zin van het zijn hebben verworpen, de horizon schijnt te vormen. Ik bedoel de nihilistische interpretatie, die tegelijkertijd de verwerping is van alle grondslagen en de loochening van alle objectieve waarheid. Helemaal los van het feit dat het strijdig is met de eisen en de inhoud van het woord van God, is nihilisme de ontkenning van de humaniteit van de mens en van zijn identiteit. Want men mag niet over het hoofd zien, dat de veronachtzaming van het zijn onvermijdelijk leidt tot verlies van contact met de objectieve waarheid en daarmee met de eigenlijke basis van de menselijke waardigheid. Dit maakt het op zijn beurt mogelijk om van de mens de trekken van zijn gelijkenis met God van het gelaat te wissen, en hem zo te brengen tot ofwel een vernietigende zucht naar macht ofwel een eenzaamheid zonder hoop. Als de waarheid aan de mensen eenmaal ontzegd is, is het een illusie te trachten hen vrij te maken. Waarheid en vrijheid gaan ofwel samen hand in hand of gaan beide ellendig ten gronde. H. Paus Johannes Paulus II, Encycliek, De Verlosser van de mensen, Redemptor Hominis (4 mrt 1979), 12. In dezelfde zin schreef ik in mijn eerste encycliek als commentaar op het woord uit het St.-Jansevangelie: "Jullie zullen de waarheid kennen, en de waarheid zal jullie vrijmaken" (Joh. 8, 32): "Deze woorden houden tegelijkertijd een fundamentele eis en een waarschuwing in: de eis van oprechtheid tegenover de waarheid als voorwaarde voor een authentieke vrijheid; en de waarschuwing alle schijn-vrijheid te vermijden, alle oppervlakkige en eenzijdige vrijheid, en alle vrijheid die niet de bodem raakt van de waarheid over mens en wereld. Ook vandaag, na tweeduizend jaar, is Christus Degene die de mens de vrijheid brengt die gegrondvest is op de waarheid; Hij die de mens bevrijdt van alles wat de vrijheid in zijn geest, zijn hart en zijn geweten beperkt, vermindert en als het ware tot in de wortels vernielt"
Bij de bespreking van deze denkrichtingen was het niet mijn bedoeling om een compleet beeld te geven van de huidige staat van de wijsbegeerte die hoe dan ook moeilijk terug te brengen zou zijn tot één uniforme visie. En zeker wil ik benadrukken dat ons erfgoed aan kennis inderdaad is verrijkt op verschillende terreinen. We hoeven alleen maar de logica te vermelden, de taalfilosofie, de epistemologie, de filosofie van de natuur, de antropologie, diepgravende analyses van de affectieve dimensies van kennis en de existentiële benadering van de analyse van de vrijheid. Sinds de vorige eeuw heeft echter de bevestiging van het principe van de immanentie, het hart van de rationalistische argumentatie, een reactie uitgelokt die, met betrekking tot postulaten die men voor niet discutabel hield, voor een radicaal verlies hebben gezorgd. Op deze wijze zijn irrationele stromingen ontstaan, terwijl de kritiek de onvruchtbaarheid aantoonde van het postulaat van de absolute zelfbevestiging van de rede.

Onze tijd is door sommige denkers aangeduid als de tijd van de "postmoderniteit". Vaak gebruikt in heel verschillende contexten, wijst de term op de opkomst van een complex van nieuwe factoren die, wijdverbreid en machtig als ze zijn, hebben laten zien dat ze belangrijke en blijvende veranderingen teweeg kunnen brengen. De term werd eerst gebruikt met een verwijzing naar esthetische, sociale en technologische verschijnselen. Toen werd hij overgeplant naar het wijsgerige veld, maar hij is wat tweeduidig gebleven, zowel omdat het oordeel over wat 'postmodern' wordt genoemd soms positief is en soms negatief, alsook omdat er nog geen overeenstemming is over de delicate kwestie van de scheiding van de verschillende historische tijdvakken. Eén ding is echter duidelijk: de denkstromingen die postmodern willen heten verdienen de nodige aandacht. Volgens sommigen van hen is de tijd van zekerheden onherroepelijk voorbij, en moet de mens thans leren te leven binnen een horizon van totale afwezigheid van zin, waar alles voorlopig en vergankelijk is. In hun vernietigende kritiek op elke zekerheid negeren verschillende schrijvers de noodzakelijke onderscheidingen en trekken zij ook de geloofszekerheden in twijfel.

Dit nihilisme vindt een soort bevestiging in de verschrikkelijke ervaring van het kwaad die onze tijd heeft getekend. Tegenover de dramatiek van deze ervaring kon het rationalistische optimisme, dat in de geschiedenis de voortschrijdende overwinning van het verstand als bron van geluk en vrijheid zag, niet standhouden, zodat een van de ergste bedreigingen aan het einde van deze eeuw de bekoring van de wanhoop is.

Niettemin blijft het waar dat een zekere positivistische geesteshouding nog steeds de illusie voedt dat dankzij de wetenschappelijke en technische vooruitgang de mens als demiurg leeft, die uit zichzelf en volledig zijn lot in eigen hand neemt.

Document

Naam: FIDES ET RATIO
Over de verhouding van Geloof en Rede
Soort: H. Paus Johannes Paulus II - Encycliek
Auteur: H. Paus Johannes Paulus II
Datum: 14 september 1998
Copyrights: © 1998 - Colomba
Bewerkt: 27 juni 2020

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Inhoudsopgave van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2020, Stg. InterKerk, Schiedam