• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x
Het woord van God wordt gericht aan iedere mens, op elk moment en op iedere plaats ter wereld; en de mens is van nature wijsgeer. De theologie, als beschouwende, wetenschappelijke uitwerking van het verstaan van dit Woord in het licht van geloof, moet van haar kant in relatie treden, in sommige van haar procedures en in de uitvoering van haar specifieke taken, met de filosofieën die door de eeuwen heen zijn ontwikkeld. Ik heb niet de wens om theologen bepaalde methoden aan te bevelen, aangezien dat niet de bevoegdheid is van het leergezag, maar om enkele bijzondere taken van de theologie in herinnering te brengen, die, krachtens het wezen van het geopenbaarde Woord, niet zonder het wijsgerig onderzoek kunnen.
Theologie is opgebouwd als een wetenschap van het geloof in het licht van een tweevoudig methodologisch beginsel: de auditus fidei en de intellectus fidei. Met de eerste maakt de theologie zich de inhoud van de openbaring eigen, zoals die zich geleidelijk aan heeft ontvouwen in de Heilige Traditie, de Heilige Schrift en het levende Leergezag van de Kerk. Vgl. 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Goddelijke openbaring, Dei Verbum (18 nov 1965), 10 Met de tweede tracht de theologie door speculatief onderzoek te antwoorden op de specifieke vragen van het denken.

De filosofie draagt specifiek bij aan de theologie in de voorbereiding op een correcte auditus fidei met haar studie van de opbouw van kennis en persoonlijke communicatie, speciaal de verschillende vormen en functies van de taal. Niet minder belangrijk is de bijdrage van de filosofie aan een meer coherent begrip van de Traditie van de Kerk, de uitspraken van het Leergezag en de leer van de grote meesters van de theologie, die dikwijls begrippen en denkvormen overnemen van een bepaalde wijsgerige traditie. In dit geval wordt van de theoloog gevraagd om niet alleen de begrippen en termen die de Kerk gebruikt in haar denken en in de ontwikkeling van haar leer, uit te leggen, maar ook om de wijsgerige systemen ten diepste te kennen, die deze begrippen en termen hebben beïnvloed, om correcte en consistente interpretaties ervan te formuleren.

Wat de intellectus fidei betreft, moet vooral bedacht worden dat de goddelijke waarheid, "die ons in de door de leer der Kerk juist uitgelegde Heilige Schrift wordt gepresenteerd", H. Thomas van Aquino, Summa Theologiae. II, II, 5, 3 ad 2 een eigen, in haar logica zo consequente rationaliteit bezit, dat zij een echt weten vormt. De intellectus fidei legt deze waarheid uit doordat hij niet alleen de logische en begripsstructuur van de proposities opneemt, waarin de leer van de Kerk is gekaderd, maar ook en vooral door de heilsbetekenis van deze uitspraken voor het individu en voor de mensheid, in het licht te stellen. Van het geheel van deze uitspraken komt de gelovige tot kennis van de heilsgeschiedenis, die in de persoon van Jezus Christus en in zijn paasmysterie haar hoogtepunt heeft. Door zijn instemming uit het geloof heeft hij aan dit mysterie deel.

De dogmatische theologie moet van haar kant in staat zijn, de universele betekenis van het mysterie van de drie-ene God en van het heilsplan, zowel op vertellende manier alsook vooral in de vorm van de redenering te presenteren. Dat moet zij met andere woorden doen met behulp van uitdrukkingen en begrippen die geformuleerd zijn op kritische en algemeen te communiceren wijze. Want zonder de bijdrage van de wijsbegeerte zouden theologische inhouden, zoals bijvoorbeeld het spreken over God, de relaties tussen de personen binnen de Drie-eenheid, het scheppende werken van God in de wereld, de relatie tussen God en de mens, de identiteit van Christus, die ware God en ware mens is, niet aanschouwelijk te maken zijn. Datzelfde geldt voor verschillende thema's van de moraaltheologie, waar heel duidelijk begrippen als bijvoorbeeld zedenwet, geweten, vrijheid, persoonlijke verantwoordelijkheid, schuld enzovoorts toegepast worden, die gedefinieerd worden in het kader van de filosofische ethiek.

Vandaar dat het verstand van de gelovige zich een natuurlijke, ware en consistente kennis van de geschapen dingen, van de wereld en van de mens moet verwerven, die ook voorwerp van de goddelijke openbaring zijn; meer nog: het verstand van de gelovige moet in staat zijn deze kennis uit te drukken in begrippen en in de vorm van de redenering. De speculatieve dogmatische theologie veronderstelt daarom impliciet een op de objectieve waarheid gefundeerde filosofie van de mens, van de wereld en, radicaler, van het zijn.

De fundamentele theologie zal zich vanwege het karakter van deze theologische discipline, welker opgave de rekenschap over het geloof is Vgl. 1 Pt. 3, 15 , moeten bekommeren om het rechtvaardigen en het verklaren van de relatie tussen het geloof en het filosofische denken. Reeds Vaticanum I had de Paulijnse leer Vgl. Rom. 1, 19-20 opnieuw naar voren gebracht en er de aandacht op gevestigd, dat er waarheden zijn die langs natuurlijke weg kenbaar zijn. Daarom zijn zij het ook langs filosofische weg. En de aanvaarding van de openbaring van God veronderstelt noodzakelijkerwijs kennis van deze waarheden. Bij het bestuderen van de openbaring en haar geloofwaardigheid, begeleid door de overeenkomstige geloofsakt, zal de fundamentele theologie moeten laten zien dat in het licht van de kennis door het geloof enkele waarheden aan het licht komen die het verstand reeds op zijn zelfstandige zoektocht bereikt. De openbaring verleent aan deze waarheden hun volste betekenis doordat zij ze stuurt naar de rijkdom van het geopenbaarde geheim waarin ze hun uiteindelijke doel vinden. Men denke bijvoorbeeld aan de natuurlijke Godskennis, aan de mogelijkheid van het onderscheiden van de goddelijke openbaring van andere verschijnselen of aan de erkenning van haar geloofwaardigheid, aan het vermogen van de menselijke taal om uitdrukkelijk en naar waarheid ook te spreken van datgene dat boven iedere menselijke ervaring uitgaat. Door al deze waarheden wordt de geest ertoe gebracht, het bestaan van een werkelijk op het geloof voorbereidende weg te erkennen die kan uitlopen op het aanvaarden van de openbaring zonder de eigen beginselen en hun autonomie ook maar in het geringste aan te tasten. H. Paus Johannes Paulus II, Brief, Aan de deelnemers aan het Internationale Congres voor Fundamentele Theologie bij de 125ste verjaardag van de publicatie van "Dei Filius" (30 sept 1995), 4. "Het onderzoek naar de voorwaarden waaronder de mens vanuit zichzelf de eerste fundamentele vragen stelt naar de zin van het leven, naar het doel dat hij eraan wil geven, en naar dat wat hem na de dood wacht, vormt voor de fundamentele theologie de noodzakelijke inleiding, opdat ook vandaag het geloof de rede bij haar oprechte zoeken naar de waarheid volledig de weg kan wijzen."

Op gelijke wijze zal de fundamentele theologie moeten laten zien dat er een innerlijke verenigbaarheid bestaat tussen het geloof en zijn fundamentele eis om zich te presenteren door een verstand dat in staat is in volle vrijheid zijn toestemming te geven. Zo zal het geloof "aan een verstand dat oprecht naar de waarheid zoekt" volledig de weg kunnen wijzen. Op deze wijze kan het geloof "als geschenk van God, ook als het niet op het verstand steunt, zeker niet daarvan afzien; tegelijkertijd blijkt het voor het verstand nodig om van het geloof gebruik te maken om de horizonten te ontdekken die het alleen niet zou kunnen bereiken". H. Paus Johannes Paulus II, Brief, Aan de deelnemers aan het Internationale Congres voor Fundamentele Theologie bij de 125ste verjaardag van de publicatie van "Dei Filius" (30 sept 1995), 4

De moraaltheologie heeft misschien in nog grotere mate de bijdrage van de wijsbegeerte nodig. Want in het nieuwe verbond is het menselijk leven veel minder door voorschriften geregeld dan in het oude verbond. Het leven in de Heilige Geest brengt hen die geloven tot een vrijheid en verantwoordelijkheid die uitgaan boven de wet zelf. Niettemin bieden het evangelie en de geschriften van de apostelen zowel algemene beginselen van een christelijke levenswijze alsook precieze leerstellingen en geboden. Om ze toe te passen op de bijzondere levensomstandigheden van het individu en van de samenleving, moet de christen in staat zijn zijn geweten en zijn denkkracht tot het uiterste in te zetten. Dat wil, met andere woorden, zeggen: de moraaltheologie moet zich bedienen van een juiste filosofische visie, zowel op de menselijke natuur en samenleving alsook op de algemene beginselen van een morele beslissing.
Men kan hier wellicht tegen inbrengen dat de theoloog in de huidige situatie zich niet zozeer van de wijsbegeerte als wel van de hulp van andere vormen van menselijke kennis zou moeten bedienen, zoals de geschiedenis en vooral de natuurwetenschappen, waarvan de jongste buitengewone ontwikkelingen door allen bewonderd worden. Anderen daarentegen huldigen, als gevolg van een toegenomen gevoeligheid voor de relatie tussen geloof en cultuur, de opvatting dat de theologie zich beter zou wenden tot de traditionele wijsheidsvormen in plaats van een filosofie van Griekse en Eurocentrische oorsprong. Weer anderen loochenen, uitgaande van een valse voorstelling van het pluralisme van de culturen, eenvoudigweg de universele waarden van het door de Kerk ontvangen wijsgerige erfgoed.

De hier geciteerde opvattingen, die we onder andere reeds in de leer van het Concilie tegenkomen, Vgl. 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk in de wereld van deze tijd, Gaudium et Spes (7 dec 1965), 15 Vgl. 2e Vaticaans Concilie, Decreet, Over de missie-activiteit van de Kerk, Ad Gentes Divinitus (7 dec 1965), 22 zijn gedeeltelijk waar. De verwijzing naar de natuurwetenschappen is in veel gevallen nuttig, omdat zij een completere kennis van het onderzoeksobject mogelijk maakt; ze mag echter niet de noodzakelijke toepassing van een typisch wijsgerige, kritische en algemene geldigheid nastrevende reflectie doen vergeten, die, trouwens bevorderd wordt door een vruchtbare uitwisseling tussen de culturen. Wat ik met nadruk zou willen onderstrepen, is de plicht om niet bij het concrete, afzonderlijke geval te blijven staan, en daarmee de voornaamste taak te verwaarlozen, die erin bestaat het universele karakter van de geloofsinhoud te laten zien. Bovendien mag men niet vergeten dat de bijzondere bijdrage van het wijsgerige denken het mogelijk maakt om zowel in de verschillende levensopvattingen alsook in de culturen te leren kennen, "niet wat de mensen denken, maar wat de objectieve waarheid is". H. Thomas van Aquino, De Caelo et mundo. 1, 22 Niet de verschillende menselijke meningen maar alleen de waarheid kan de theologie behulpzaam zijn.

Het thema van de relatie met de culturen verdient een speciale, zij het noodgedwongen niet uitputtende, beschouwing vanwege de daaruit voortkomende implicaties zowel op filosofisch als op theologisch gebied. Het proces van de ontmoeting en confrontatie met de culturen is een ervaring die de Kerk vanaf het begin van de verkondiging van het evangelie heeft beleefd. Het gebod van Christus aan de leerlingen om overal heen te gaan, "tot aan de grenzen der aarde" (Hand. 1, 8), om de door Hem geopenbaarde waarheid door te geven, bracht de christelijke gemeente er reeds zeer vroeg toe om de universaliteit van de verkondiging en de hindernissen die uit de diversiteit van de culturen ontstonden, te erkennen. Een passage uit de brief van de heilige Paulus aan de christenen van Efeze biedt een goede hulp om te begrijpen hoe de eerste gemeente met dit probleem is omgegaan. De apostel schrijft: "Nu echter zijn jullie, die eens veraf waren, door Christus Jezus, en wel door zijn bloed, dichtbij gekomen. Want Hij is onze vrede. Hij verenigde de beide delen (joden en heidenen), en haalde door zijn sterven de scheidingswand van de vijandschap omlaag" (Ef. 2, 13-14).

Met deze tekst voor ogen breidt onze overweging zich uit naar de verandering die bij de heidenen is opgetreden, die eens tot het geloof zijn gekomen. In het licht van de volheid van het door Christus volbrachte heil vallen de scheidingsmuren tussen de verschillende culturen. De belofte van God wordt nu in Christus tot een aanbod voor allen: ze is niet meer tot de eigen aard van een volk, zijn taal en zijn gebruiken beperkt, maar wordt als een schat waar ieder vrij uit putten kan, tot allen uitgebreid. Van verschillende plaatsen en tradities zijn allen er in Christus toe geroepen, aan de eenheid van de familie van Gods kinderen deel te hebben. Christus staat beide volkeren toe, 'een' te worden. Zij die 'veraf' waren, zijn dankzij het nieuwe dat het passmysterie bewerkte, 'dichtbij gekomen'. Jezus haalt de scheidingsmuren omlaag en voltrekt de vereniging op een unieke, verheven manier door de deelname aan zijn mysterie. Deze eenheid is zo diep, dat de Kerk met de H. Paulus kan zeggen: "Jullie zijn dus geen vreemden meer, zonder burgerrecht, maar medeburgers van de heiligen en huisgenoten van God" (Ef. 2, 19).

In zo'n eenvoudige zin wordt een geweldige waarheid beschreven: de ontmoeting van het geloof met de verschillende culturen heeft inderdaad een nieuwe werkelijkheid doen ontstaan. Wanneer de culturen hun wortels diep in de menselijke natuur hebben, getuigen zij van de typische openheid van de mens voor het universele en het transcendente. Daarom vormen zij verschillende wijzen van toenadering tot de waarheid; ze blijken zonder twijfel nuttig voor de mens die ze wijzen op waarden die zijn bestaan steeds menselijker kunnen maken. Vgl. 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk in de wereld van deze tijd, Gaudium et Spes (7 dec 1965), 53-59 Waar de culturen zich beroepen op de waarden van de antieke overleveringen, bevatten zij - weliswaar onuitgesproken, maar daarom niet minder reëel - een verwijzing naar Gods zelfopenbaring in de natuur, zoals we eerder bij de bespreking van de wijsheidsteksten en de leer van de H. Paulus hebben gezien.

Omdat de culturen in nauwe verbinding staan met de mensen en hun geschiedenis, delen ze dezelfde dynamische krachten die het menselijk leven laat zien. Dientengevolge kan men veranderingen en vooruitgang constateren die voortkomen uit de onderlinge ontmoetingen van mensen en de uitwisseling van hun levenswijzen. Culturen worden gevoed door het delen van waarden, en hun levenskracht en bloei danken zij aan het vermogen, open te blijven voor de opname van het nieuwe. Welke verklaring is er voor deze dynamische krachten? Iedere mens is vervlochten met een cultuur, is ervan afhankelijk en beïnvloedt haar. Hij is tegelijk kind en vader van de cultuur waarin hij is ingebed. In elk van zijn uitingen draagt hij iets wat hem boven de schepping uittilt: zijn voortdurende openheid voor het mysterie en zijn onuitputtelijk verlangen naar kennis. Dientengevolge draagt iedere cultuur het merkteken van een spanning die op voltooiing is gericht, en laat het doorschijnen. Je kunt dus zeggen dat de cultuur de mogelijkheid in zich draagt om de goddelijke openbaring aan te nemen.

De wijze waarop de christenen het geloof (be-)leven is ook doordrongen van de cultuur van hun omgeving en draagt er van haar kant toe bij, beetje bij beetje die cultuur te vormen. De christenen brengen in iedere cultuur de door God in de geschiedenis en in de cultuur van een volk geopenbaarde, onveranderlijke waarheid van God. Zo plant in de loop van de eeuwen de gebeurtenis zich steeds verder voort, getuigen waarvan de pelgrims waren op die Pinksterdag in Jeruzalem: "Zijn dat niet allemaal Gallileeërs, die hier spreken. Hoe kan ieder van ons hen dan in zijn moedertaal horen: Parthen, Meden en Elamieten, bewoners van Mesopotamië, Judea en Cappadocië, van Pontus en de provincie Asia, van Phrygië en Pamphylië, van Egypte en het gebied van Libië naar Cyrene toe, ook de Romeinen die hier zijn, joden en proselieten, Kretenzers en Arabieren, we horen hen in onze talen Gods grote daden verkondigen" (Hand. 2, 7-11). De verkondiging van het evangelie in de verschillende culturen vraagt van de afzonderlijke ontvangers vast te houden aan het geloof; ze belet de ontvangers echter niet, hun culturele eigenheid te bewaren. Dat brengt geen spanning, omdat het volk der gedoopten zich kenmerkt door een universaliteit die iedere cultuur kan opnemen, waardoor de verdere ontwikkeling van wat impliciet aanwezig is tot zijn volle ontplooiing in de waarheid wordt begunstigd.

Dit betekent dat geen enkele cultuur ooit beoordelingscriterium kan worden, veel minder nog laatste waarheidscriterium met betrekking tot Gods openbaring. Het evangelie staat niet in tegenstelling tot deze of gene cultuur, alsof het in de ontmoeting daarmee haar zou willen ontzeggen wat haar toebehoort en haar dwingen uiterlijke vormen aan te nemen die niet bij haar passen. Integendeel, de verkondiging die de gelovige uitdraagt in de wereld en in de culturen, is een echte vorm van bevrijding van elke door de zonde ingevoerde wanorde en tegelijk een oproep tot de volle waarheid. Bij deze ontmoeting wordt de culturen niets ontzegd: ze worden zelfs aangemoedigd zich open te stellen voor het nieuwe dat de waarheid van het evangelie bevat, om daaruit aansporingen te ontvangen voor nieuwe ontwikkelingen.

Bij de verkondiging van het evangelie ontmoette het christendom allereerst de Griekse wijsbegeerte; maar dit betekent helemaal niet dat andere benaderingen uitgesloten waren. In onze tegenwoordige tijd, waarin het evangelie geleidelijk in aanraking komt met culturen die zich tot nu toe buiten het verbreidingsgebied van het christendom bevonden, zijn er nieuwe inculturatie-taken. Voor onze generatie doen zich dezelfde problemen voor, als die waarmee de Kerk in de eerste eeuwen geconfronteerd werd.

Mijn gedachten gaan spontaan naar de landen van het Oosten, die zo rijk zijn aan zeer oude godsdienstige en wijsgerige tradities. Daaronder neemt India een bijzondere plaats in. Een geweldige geestelijke impuls leidt het Indiase denken ertoe, te zoeken naar een ervaring, die absolute waarde heeft doordat zij de geest bevrijdt van de kluisters van tijd en ruimte. De dynamiek van dit zoeken naar bevrijding verschaft het kader voor grote metafysische systemen.

De christen van vandaag, vooral die in India, heeft de opgave om uit dit rijke erfgoed de elementen te nemen die met zijn geloof verenigbaar zijn, zodat het tot een verrijking van het christelijke denken komt. Voor dit werk van onderscheiding, waartoe de concilieverklaring 2e Vaticaans Concilie - Verklaring
Nostra Aetate
Over de houding van de Kerk tegenover niet-christelijke godsdiensten
(28 oktober 1965)
aanzet, moet hij een rij criteria hanteren.

  • Het eerste is de universaliteit van de menselijke geest, wiens eerste behoeften in de verschillende culturen hetzelfde zijn.
  • Het tweede, dat voortkomt uit het eerste, is aldus: wanneer de Kerk met grote culturen in contact treedt, waarmee zij voordien nog niet in aanraking was geweest, mag zij zich niet losmaken van wat zij zich eigen heeft gemaakt door de inculturatie in het Grieks-Latijnse denken. Afzien van een dergelijk erfgoed zou het plan van Gods Voorzienigheid doorkruisen, die zijn Kerk leidt langs de wegen van de tijd en de geschiedenis. Dit criterium geldt overigens voor de Kerk van ieder tijdperk, ook voor de Kerk van morgen, die zich verrijkt zal voelen door verworvenheden uit de huidige toenadering tot de oosterse culturen. Zij zal in dit erfgoed nieuwe aanwijzingen vinden om in een vruchtbare dialoog te treden met die culturen, die de mensheid op haar weg naar de toekomst tot bloeien kunnen brengen.
  • Ten derde moet men ervoor waken, de gewettigde aanspraak van het Indiase denken op bijzonderheid en oorspronkelijkheid niet te verwisselen met het idee als zou een culturele traditie zich moeten inkapselen in haar anderszijn en zich sterk maken in haar tegenstelling tot de andere tradities; dat zou het wezen van de mens tegenspreken.

Wat hier gezegd wordt over India geldt ook voor het erfgoed van de grote culturen van China, Japan en andere landen van Azië, evenals voor de schatten van de traditionele culturen van Afrika, die meestal mondeling zijn overgeleverd.

In het licht van deze beschouwingen kan de relatie tussen theologie en wijsbegeerte het beste beschreven worden als een cirkel. De bron en het startpunt van de theologie moet altijd het woord van God zijn, geopenbaard in de geschiedenis, terwijl haar uiteindelijke doel het begrijpen van dat woord zal zijn, dat toeneemt met iedere nieuwe generatie. Omdat anderzijds het woord van God Waarheid is Vgl. Joh. 17, 17 , kan het menselijke zoeken naar de waarheid - d.w.z. filosofie die zich aan haar eigen regels houdt - alleen maar helpen om Gods woord beter te verstaan. Het is niet zo maar een kwestie van theologische redenering die dit of dat begrip of element uit een filosofische structuur gebruikt; wat vooral van belang is, is dat de rede van de gelovige haar denkvermogen gebruikt in het zoeken naar de waarheid, in een beweging die gaat van het woord van God naar een beter begrip daarvan. Het is alsof de rede, die zich beweegt tussen de beide polen van Gods woord en een beter begrip daarvan, leiding geboden krijgt en gewaarschuwd wordt voor wegen die haar doen afdwalen van de geopenbaarde Waarheid en tenslotte van de pure, eenvoudige waarheid. Ze wordt daarentegen aangespoord om wegen te verkennen waarvan ze uit zichzelf niet eens zou kunnen vermoeden dat ze die kon inslaan. Deze cirkelvormige relatie met het woord van God verrijkt tenslotte de wijsbegeerte, omdat de rede nieuwe en onvermoede horizonten ontdekt.
De vruchtbaarheid van deze relatie wordt bevestigd door de ervaring van grote christelijke theologen, die zich ook onderscheidden als grote filosofen en ons geschriften hebben nagelaten van zo hoge speculatieve waarde dat zij met recht op één lijn met de meesters van de antieke wijsbegeerte gesteld kunnen worden. Dit geldt niet alleen voor de kerkvaders, onder wie tenminste de H. Gregorius van Nazianze en de H. Augustinus vermelding verdienen, en de middeleeuwse leraren met de grote driester van St. Anselmus, St. Bonaventura en St. Thomas van Aquino. We zien dezelfde vruchtbare relatie tussen de wijsbegeerte en het woord van God in het moedige onderzoek dat recentere denkers hebben verricht, onder wie ik met vreugde vermeldt, in een westerse context, figuren als John Henry Newman, Antonio Rosmini, Jacques Maritain, Étienne Gilson en Edith Stein, en, in een oosterse context, eminente geleerden zoals Vladimir S. Solovev, Pavel A. Florensky, Petr Chaadev en Vladimir N. Lossky. Zeker zouden er andere namen genoemd kunnen worden: en bij het citeren van dezen heb ik niet de bedoeling om alle visies uit hun denken te onderschrijven, maar alleen om sprekende voorbeelden te geven van een wijsgerige methode van onderzoek die uit de confrontatie met de geloofsgegevens opmerkelijke voordelen heeft geput. Eén ding is zeker: aandacht voor de geestelijke tocht van deze meesters kan alleen meer gewicht geven aan zowel het zoeken naar de waarheid als aan de poging om de resultaten van dat zoeken ten dienste van de mensheid te stellen. Het is te hopen dat er nu en in de toekomst mensen zullen zijn die deze grootse wijsgerige en theologische traditie voortzetten voor het welzijn van de Kerk én van de mensheid.

Document

Naam: FIDES ET RATIO
Over de verhouding van Geloof en Rede
Soort: H. Paus Johannes Paulus II - Encycliek
Auteur: H. Paus Johannes Paulus II
Datum: 14 september 1998
Copyrights: © 1998 - Colomba
Bewerkt: 27 juni 2020

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Inhoudsopgave van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2020, Stg. InterKerk, Schiedam