• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x

De Kerk biedt niet een eigen wijsbegeerte aan en evenmin geeft Zij aan een of andere particuliere wijsbegeerte de voorkeur tot schade van andere. Vgl. Paus Pius XII, Encycliek, Over sommige valse meningen die de grondslagen van de Katholieke leer dreigen te ondermijnen, Humani Generis (12 aug 1950), 42 De diepere reden voor deze terughoudendheid ligt in het feit dat de wijsbegeerte, ook wanneer ze in relatie treedt met de theologie, moet optreden volgens haar eigen regels en methoden; anders zou er niet de garantie zijn dat zij op de waarheid gericht blijft en naar de waarheid streeft met een door het verstand geleid proces. Een wijsbegeerte die niet in het licht van het verstand volgens eigen beginselen en de voor haar specifieke methoden te werk zou gaan, zou niet erg behulpzaam zijn. Ten diepste is de oorsprong van de autonomie die de filosofie geniet, te kennen aan het feit dat het verstand naar zijn wezen georiënteerd is op de waarheid en bovendien in zichzelf is toegerust met de voor het bereiken daarvan noodzakelijke middelen. Een wijsbegeerte die zich hiervan bewust is als van haar grondwet, moet ook de eisen en inzichten van de geopenbaarde waarheid respecteren.

Toch heeft de geschiedenis laten zien op welke dwaalwegen en in welke dwalingen vooral het moderne wijsgerige denken niet zelden is geraakt. Het is noch de taak, noch de bevoegdheid van het leergezag om in te grijpen, om de lacunes van een falend filosofisch betoog aan te vullen. Het is daarentegen zijn plicht om duidelijk en beslist te reageren, wanneer twijfelachtige filosofische opvattingen het juiste begrip van het geopenbaarde bedreigen, en wanneer valse en partijdige theorieën verspreid worden, die doordat ze de eenvoud en zuiverheid van het geloof van het Godsvolk in verwarring brengen, zeer ernstige dwalingen veroorzaken.

Het kerkelijk leergezag kan en moet daarom in het licht van het geloof met gezag zijn taak van kritische onderscheiding tegenover filosofieën en opvattingen uitoefenen, die niet overeenstemmen met de christelijke leer Vgl. 1e Vaticaans Concilie, 4e Zitting - Dogmatische Constitutie over de Kerk van Christus, Pastor Aeternus (18 juli 1870), 21 Vgl. 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk, Lumen Gentium (21 nov 1964), 25. c. Het is vooral de opgave van het leergezag om aan te geven welke filosofische vooronderstellingen en conclusies onverenigbaar zijn met de geopenbaarde waarheid en tegelijkertijd de eisen te formuleren die aan de wijsbegeerte, vanuit het aspect van het geloof opgelegd worden. In de loop van de ontwikkeling van de wijsgerige kennis zijn bovendien verschillende denkscholen ontstaan. Ook dit pluralisme legt het leergezag de verantwoordelijkheid op om zijn oordeel uit te spreken over de verenigbaarheid respectievelijk de onverenigbaarheid van de basisprincipes, waarop deze scholen steunen, met de aanspraken van het woord van God en het theologisch onderzoek.

De Kerk heeft de plicht om te laten zien wat in een wijsgerig systeem onverenigbaar met haar geloof kan blijken. Want veel wijsgerige inhouden, zoals de thema's God, mens, zijn vrijheid en zijn morele handelen, appelleren direct aan de Kerk, omdat zij raken aan de door haar behoede geopenbaarde waarheid. Wij bisschoppen hebben, wanneer we deze onderscheiding toepassen, de opdracht, "getuigen van de waarheid" te zijn, bij de uitoefening van een deemoedige maar onvermoeibare dienst, die iedere filosoof zou moeten erkennen, tot voordeel van de recta ratio, dat wil zeggen het verstand dat op de juiste wijze nadenkt over het ware.

Deze onderscheiding mag echter niet in eerste instantie negatief begrepen worden, alsof het leergezag de bedoeling had ieder mogelijke bemiddeling uit te sluiten of in te perken. Integendeel, zijn interventies zijn er vooral op gericht, het wijsgerige denken op te wekken, te bevorderen en te bemoedigen. De filosofen begrijpen overigens als eersten de noodzaak van zelfkritiek, van correctie van eventuele dwalingen en de noodzaak om de al te enge grenzen te overschrijden waarbinnen hun denken zich voltrekt. In het bijzonder moet in het oog gehouden worden dat de waarheid één is ofschoon haar formuleringen het stempel van de geschiedenis dragen en bovendien het werk zijn van een door de zonde aangetast en verzwakt menselijk verstand. Daarom kan geen historische vorm van wijsbegeerte er legitiem aanspraak op maken de totale waarheid te bevatten; dit geldt ook voor de volledige verklaring van de mens, de wereld en de betrekking van de mens met God.

In de huidige tijd is, gezien de verbreiding van de vaak uiterst gedetailleerd geconcipieerde wijsgerige systemen, methoden, begrippen en argumenten een kritische onderscheiding in het licht van het geloof des te dringender gevraagd: een zeker niet eenvoudige onderscheiding: want als reeds het kennen van de aangeboren en onvervreemdbare mogelijkheden van het verstand met hun inherente en historische grenzen moeilijk is, dan kan het soms nog problematischer blijken om in de afzonderlijke filosofische noties dat wat zij vanuit het standpunt van het geloof aan geldigs en vruchtbaars bieden, te onderscheiden van wat bij hen verkeerd of gevaarlijk is. De Kerk weet echter dat de "schatten van wijsheid en kennis" in Christus verborgen zijn Vgl. Kol. 2, 3 ; daarom grijpt zij in en spoort het wijsgerig onderzoek aan, zichzelf niet de weg te versperren die leidt tot de kennis van het mysterie.

Het leergezag van de Kerk heeft niet pas in de jongste tijd ingegrepen, om haar standpunt tegenover bepaalde wijsgerige doctrines bekend te maken. Als voorbeelden in de loop van de eeuwen mogen hier genoemd zijn: de verklaringen tegen de theorieën die de preëxistentie van de zielen aannamen Vgl. Synode van Constantinopel, DS 403. , alsook tegen verschillende vormen van afgoderij en bijgelovige esoterie, die in astrologische opvattingen besloten liggen; Vgl. Concilie van Toledo I, DS 205; Concilie van Braga I, DS 459-460; Sixtus V, Bulle Coeli et terrae Creator (5 januari 1586): Bullarium Romanum 4/4, Rome 1747, 176-179; Urbanus VIII, Inscrutabilis iudiciorum (1 april 1631): Bullarium Romanum 6/1, Rome 1758, 268-270. niet te vergeten de meer systematische teksten tegen enkele met het christelijk geloof onverenigbare opvattingen van het Latijnse averroïsme. Vgl. Concilie van Vienne, Constitutie, Dwalingen toegeschreven aan Petrus Johannes Olivi, Fidei catholicae (6 mei 1312), 2 Vgl. 5e Concilie van Lateranen, Bul, Sessie 8 - Over de onsterfelijkheid van de ziel en tegen de neo-Aristotelianisme (fragment), Sessio VIII - Apostolici regiminis (19 dec 1513), 1

Wanneer het leergezag zich sinds het midden van de vorige eeuw vaker heeft doen horen, dan is dat daarom, omdat in die tijd nogal wat katholieken het als hun taak zagen, de verschillende stromingen van het moderne denken te confronteren met hun eigen filosofie. Hier werd het de plicht van het kerkelijk leergezag ervoor te waken dat deze filosofieën van hun kant niet afgleden op wegen die verkeerd en negatief waren. Zo werden tegelijkertijd veroordeeld: enerzijds het fideïsme Vgl. Theses a Ludovico Eugenio Bautain iussu sui Episcopi subscriptae (8 september 1840), DS 2751-2756; Theses a Ludovico Eugenio Bautain ex mandato S.Cong.Episcoporum et Religiosorum subscriptae (26 april 1844), DS 2765-2769. en het radicale traditionalisme Vgl. Heilige Congregatie van de Index, Decreet Theses contra Traditionalismum Augustini Bonnetty (11 juni 1855), DS 2811-2814. vanwege hun wantrouwen jegens de natuurlijke mogelijkheden van de rede; anderzijds het rationalisme Vgl. Pius IX, Breve Eximiam tuam (15 juni 1857), DS 2828-2831; Breve Gravissimas inter (11 december 1862), DS 2850-2861. en het ontologisme Vgl. Heilige Congregatie van het Heilig Officie, Decreet Errores ontologistarum (18 september 1861), DS 2841-2847. , omdat zij aan het natuurlijke verstand iets toeschreven wat alleen in het licht van het geloof kenbaar is. De positieve inhouden van dit debat werden in de dogmatische constitutie 1e Vaticaans Concilie
Dei Filius
3e Zitting - Dogmatische Constitutie over het Katholieke Geloof
(24 april 1870)
geformaliseerd, waarmee voor het eerst een oecumenisch concilie, namelijk Vaticanum I, zich plechtig uitsprak ter zake van de betrekkingen tussen rede en geloof. De in die tekst vervatte leer karakteriseerde krachtig en positief het filosofische onderzoek van vele gelovigen en vormt ook vandaag nog een normatief referentiepunt voor een correct en consequent christelijk denken op dit gebied.

Meer dan met afzonderlijke wijsgerige opvattingen hebben de oordelen van het leergezag zich beziggehouden met de noodzaak van verstandelijke kennis en dus uiteindelijk wijsgerige kennis voor het geloofsinzicht. Het Eerste Vaticaans Concilie dat de leer die het gewone leergezag voortdurend aan de gelovigen had voorgehouden in een synthese plechtig en opnieuw bevestigde, onderstreepte hoe onscheidbaar en tegelijkertijd onafhankelijk van elkaar natuurlijke Godskennis en openbaring, verstand en geloof zijn. Het Concilie ging uit van het door de openbaring zelf vooronderstelde basiscriterium van de natuurlijke kenbaarheid van het bestaan van God, de oorsprong en het doel van alle dingen, Vgl. 1e Vaticaans Concilie, 3e Zitting - Dogmatische Constitutie over het Katholieke Geloof, Dei Filius (24 apr 1870), 5.28 en sloot met de reeds geciteerde plechtige afkondiging: "Er bestaat een tweevoudige orde van kennis, niet alleen onderscheiden in hun vertrekpunt, maar ook in hun object." Vgl. 1e Vaticaans Concilie, 3e Zitting - Dogmatische Constitutie over het Katholieke Geloof, Dei Filius (24 apr 1870), 17 Vgl. 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk in de wereld van deze tijd, Gaudium et Spes (7 dec 1965), 59 Het onderscheid tussen geloofsgeheimen en wijsgerige ontdekkingen en de transcendentie en prioriteit van de eerste tegenover de laatste moesten dus tegenover iedere soort van rationalisme bekrachtigd worden; anderzijds was het nodig om tegenover de bekoringen van het fideïsme de eenheid van de waarheid te onderstrepen en daarmee ook de positieve bijdrage die de verstandelijke voor de geloofskennis kan en moet leveren: "Maar ook al staat het geloof boven het verstand, toch kan er nooit een echte divergentie zijn tussen geloof en verstand: want dezelfde God die de geheimen openbaart en het geloof meedeelt, heeft in de menselijke geest het licht van het verstand gelegd; God echter kan zichzelf niet verloochenen, noch (kan) het ware het ware weerspreken." 1e Vaticaans Concilie, 3e Zitting - Dogmatische Constitutie over het Katholieke Geloof, Dei Filius (24 apr 1870), 19

Ook in onze eeuw is het leergezag herhaaldelijk op het thema teruggekomen en heeft gewaarschuwd voor de rationalistische bekoring. In dit scenario horen de interventies van Paus Pius X, die vaststelde, dat aan het modernisme filosofische overtuigingen van fenomenalistische, agnostische en immanentistische aard ten grondslag lagen. Vgl. H. Paus Pius X, Encycliek, Over de leerstellingen van het modernisme, Pascendi Dominici Gregis (8 sept 1907) Ook de betekenis die toekwam aan de katholieke afwijzing van de marxistische filosofie en het atheïstische communisme mag niet vergeten worden. Vgl. Paus Pius XI, Encycliek, Over het goddeloze communisme, Divini Redemptoris (19 mrt 1937)

Later verhief Paus Pius XII zijn stem, toen hij in de encycliek Paus Pius XII - Encycliek
Humani Generis
Over sommige valse meningen die de grondslagen van de Katholieke leer dreigen te ondermijnen
(12 augustus 1950)
waarschuwde voor verkeerde verklaringen in samenhang met de opvattingen van evolutionisme, existentialisme en historicisme. Hij stelde duidelijk, dat deze opvattingen niet door theologen zijn bewerkt en voorgelegd, aangezien zij hun oorsprong hebben "buiten de schaapstal van Christus"; Paus Pius XII, Encycliek, Over sommige valse meningen die de grondslagen van de Katholieke leer dreigen te ondermijnen, Humani Generis (12 aug 1950) hij voegde er echter aan toe dat dergelijke dwalingen niet eenvoudigweg verworpen, maar kritisch onderzocht moeten worden: "Nu mogen echter de katholieke theologen en filosofen, op wie de zware taak rust, de goddelijke en menselijke waarheid te beschermen en haar in de harten van de mensen te planten, deze meer of minder van de rechte weg afdwalende opvattingen niet negeren of veronachtzamen. Ja, ze moeten deze opvattingen zelfs grondig kennen, zowel omdat ziektes niet adequaat genezen kunnen worden als zij van te voren niet goed gekend waren, alsook omdat soms zelfs in valse opinies een korreltje waarheid verborgen ligt, tenslotte ook omdat deze de geest uitdagen, bepaalde waarheden, zowel wijsgerige alsook theologische, preciezer te bespreken en te evalueren." Paus Pius XII, Encycliek, Over sommige valse meningen die de grondslagen van de Katholieke leer dreigen te ondermijnen, Humani Generis (12 aug 1950), 9

Tenslotte moest ook de Congregatie voor de Geloofsleer in de vervulling van haar bijzondere opdracht in de dienst van het universele leergezag van de Paus Vgl. H. Paus Johannes Paulus II, Apostolische Constitutie, Over de hervorming van de Romeinse Curie, Pastor Bonus (28 juni 1988), 48-49 Vgl. Congregatie voor de Geloofsleer, Instructie over de Kerkelijke Roeping van de Theoloog, Donum Veritatis (24 mei 1990), 18 ingrijpen, om nadrukkelijk te wijzen op het gevaar dat een onkritisch overnemen van opvattingen en methoden uit het marxisme door enkele bevrijdingstheologen met zich brengt. Vgl. Congregatie voor de Geloofsleer, Instructie over bepaalde aspecten van de "Theologie van de Bevrijding", Libertatis nuntius (6 aug 1984), 52-102. Hoofdstukken VII-X

Het leergezag heeft dus in het verleden herhaaldelijk en op verschillende manieren de kritische onderscheiding gehanteerd ten aanzien van het terrein van de wijsbegeerte. Alles wat mijn eerwaarde voorgangers daartoe gepresteerd hebben vormt een waardevolle bijdrage die niet in vergetelheid mag raken.

Wanneer we de huidige situatie in ogenschouw nemen, zien we dat de problemen van toen terugkeren, waarbij zich echter nieuwigheden voordoen. Het gaat niet alleen meer om kwesties die afzonderlijke personen of groepen betreffen, maar om opvattingen die in de samenleving zo wijd verbreid zijn, dat ze in zekere mate tot een gemeenschappelijke wijze van denken worden. Dat geldt bijvoorbeeld voor het radicale wantrouwen tegen de rede dat de jongste ontwikkelingen van veel wijsgerige studies vertonen. Van verschillende kanten is daaromtrent sprake van het 'einde van de metafysica': men wil dat de filosofie zich met bescheidener opgaven tevredenstelt, zich dus alleen aan de verklaring van het feitelijke wijdt of aan de studie van alleen maar bepaalde gebieden van de menselijke kennis of haar structuren.

In de theologie zelf duiken weer de bekoringen van vroeger op. In enkele hedendaagse theologieën baant zich bijvoorbeeld de laatste tijd een zeker rationalisme een weg, vooral wanneer meningen die men filosofisch goed gefundeerd acht, als normatief voor het theologisch onderzoek worden beschouwd. Dat gebeurt vooral dan, wanneer de theologie bij gebrek aan wijsgerige vakkennis zich onkritisch laat beïnvloeden door uitspraken die in de gangbare taal en cultuur wel ingang gevonden hebben, maar die zonder voldoende rationele grondslag zijn. Vaticanum I heeft in even duidelijke als gebiedende woorden deze dwaling reeds veroordeeld, waarbij het enerzijds zei:

"Dit geloof echter (...) is volgens de belijdenis van de katholieke Kerk een bovennatuurlijke deugd, waardoor wij gesteund en geholpen door de genade van God geloven dat het door Hem geopenbaarde waar is, niet vanwege de door het natuurlijke licht van de rede doorgronde intrinsieke waarheid van de dingen, maar vanwege het gezag van de zich openbarende God zelf, die noch zichzelf misleiden, noch misleiden kan." : 1e Vaticaans Concilie, 3e Zitting - Dogmatische Constitutie over het Katholieke Geloof, Dei Filius (24 apr 1870), 10.33.

Anderzijds verklaarde het Concilie dat de rede nooit

"in staat is (deze mysteries) precies zo te doorgronden als de waarheden, die haar eigenlijke (kennis-)object vormen": 1e Vaticaans Concilie, 3e Zitting - Dogmatische Constitutie over het Katholieke Geloof, Dei Filius (24 apr 1870), 18.

Daaruit trok het de praktische conclusie:

"daarom is het niet alleen aan alle gelovige Christenen verboden dergelijke meningen, waarvan men weet dat ze tegengesteld zijn aan de geloofsleer -vooral wanneer ze door de Kerk zijn verworpen-, als legitieme wetenschappelijke conclusies te verdedigen, maar sterker nog, zij zijn streng verplicht die als dwalingen te beschouwen, die de bedrieglijke schijn van waarheid uitstralen": 1e Vaticaans Concilie, 3e Zitting - Dogmatische Constitutie over het Katholieke Geloof, Dei Filius (24 apr 1870), 20

Ook komt een gevaarlijk terugvallen in het fideïsme voor, dat de betekenis van de verstandelijke kennis en het filosofisch debat voor het geloofsinzicht, ja voor de mogelijkheid om überhaupt in God te geloven, niet erkent. Een tegenwoordig wijdverbreid symptoom van deze fideïstische tendens is het 'biblicisme' dat ertoe neigt om de lezing en uitleg van de heilige Schrift tot enig criterium van de waarheid te maken. Zo komt men ertoe het woord van God alleen met de heilige Schrift te vereenzelvigen en aldus de kerkelijke leer te ondergraven, die het Tweede Vaticaans Concilie uitdrukkelijk bevestigd heeft. Nadat de constitutie 2e Vaticaans Concilie - Constitutie
Dei Verbum
Over de Goddelijke openbaring
(18 november 1965)
erop gewezen heeft dat het Woord van God zowel in de heilige Teksten alsook in de Overlevering aanwezig is Vgl. 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Goddelijke openbaring, Dei Verbum (18 nov 1965), 9-10 , gaat het met nadruk verder: "De Heilige Overlevering en de Heilige Schrift vormen de ene heilige Schat van Gods Woord die aan de Kerk is overgelaten. Vol aanhankelijkheid daaraan volhardt het hele heilige volk, verenigd met zijn herders, blijvend in de leer van de apostelen." 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Goddelijke openbaring, Dei Verbum (18 nov 1965), 10 De Heilige Schrift is dus niet het enige referentiepunt voor de Kerk. Want het "hoogste richtsnoer van haar geloof" 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Goddelijke openbaring, Dei Verbum (18 nov 1965), 21 ontvangt zij uit de eenheid tussen de Heilige Overlevering, de Heilige Schrift en het Leergezag van de Kerk, die de heilige Geest zo heeft verbonden, dat geen van de drie zonder de andere kan bestaan. Vgl. 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Goddelijke openbaring, Dei Verbum (18 nov 1965), 10

Men mag voorts het gevaar niet onderschatten dat schuilt in de opzet om de waarheid van de heilige Schrift naar voren te brengen met gebruik van slechts één methode, en daarbij de noodzaak van exegese in ruimere zin te negeren, terwijl die toch de volle betekenis van de teksten laat vinden, samen met de hele Kerk. Allen die zich aan de bijbelstudie wijden moeten steeds voor ogen houden dat ook aan de verschillende hermeneutische methoden een filosofische opvatting ten grondslag ligt: die moet vóór haar toepassing op de heilige teksten grondig beproefd worden.

Andere vormen van latent fideïsme zijn evenzeer te herkennen aan het geringe respect dat men voor de speculatieve theologie heeft alsook aan de minachting voor de klassieke wijsbegeerte, uit welker begrippenarsenaal zowel het geloofsverstaan alsook de dogmatische formuleringen hun begrippen hebben geput. Paus Pius XII zaliger gedachtenis heeft gewaarschuwd voor een dergelijke verwaarlozing van de wijsgerige traditie en voor het opgeven van de overgeleverde terminologieën. Vgl. Paus Pius XII, Encycliek, Over sommige valse meningen die de grondslagen van de Katholieke leer dreigen te ondermijnen, Humani Generis (12 aug 1950), 16

Er zijn tenslotte tekenen van een wijdverbreid wantrouwen jegens universele en absolute uitspraken, vooral bij hen die denken dat de waarheid geboren wordt uit overeenstemming en niet uit harmonie van de rede met de objectieve werkelijkheid. In een wereld die verdeeld is in zoveel specialismen is het zeer begrijpelijk dat men moeilijk volledige en ultieme betekenis van het leven kan erkennen, waarnaar de wijsbegeerte traditioneel gezocht heeft. Niettemin kan ik slechts, in het licht van het geloof dat in Jezus Christus deze laatste betekenis vindt, de christelijke en ook niet-christelijke filosofen aanmoedigen, vertrouwen te stellen in de capaciteiten van het menselijk verstand en zich bij hun filosoferen niet al te bescheiden doelen te stellen. De les van de geschiedenis van dit ten einde lopende millennium is, dat dàt de weg is die men moet inslaan: de hartstocht voor de uiteindelijke waarheid en de wens, haar te zoeken, verbonden met de moed om nieuwe wegen te ontdekken, mogen niet verloren gaan! Het is het geloof dat het verstand uitdaagt om uit elk mogelijk isolement te treden en voor alles wat mooi, goed en waar is, iets te riskeren. Zo wordt het geloof tot overtuigde en overtuigende advocaat van de rede.

Document

Naam: FIDES ET RATIO
Over de verhouding van Geloof en Rede
Soort: H. Paus Johannes Paulus II - Encycliek
Auteur: H. Paus Johannes Paulus II
Datum: 14 september 1998
Copyrights: © 1998 - Colomba
Bewerkt: 13 november 2019

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Inhoudsopgave van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2019, Stg. InterKerk, Schiedam