• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x
Met de oprichting van de eerste universiteiten zag de theologie zich rechtstreeks geconfronteerd met andere vormen van onderzoek en wetenschappelijke kennis. De H. Albertus Magnus en de H. Thomas waren de eersten die, ofschoon zij vasthielden aan een organische verbinding tussen de wijsbegeerte en de godgeleerdheid, aan de wijsbegeerte en de wetenschappen de nodige autonomie toekenden, die ze nodig hebben om zich succesvol te wijden aan de verschillende onderzoeksgebieden. Vanaf de late Middeleeuwen verkeerde het legitieme onderscheid tussen de beide kennisvormen langzamerhand echter in een onzalige scheiding. Als gevolg van een overheersende geest van overdreven rationalisme bij enkele denkers werden de posities radicaler, tot men feitelijk bij een gescheiden en tegenover de geloofsinhouden absoluut autonome wijsbegeerte belandde. Tot de gevolgen van deze scheiding hoorde onder andere ook een groeiende argwaan jegens het verstand. Sommigen begonnen zich te bekennen tot een algemeen, sceptisch en agnostisch wantrouwen, ofwel om het geloof meer ruimte te gunnen ofwel echter om elke van zijn maar mogelijke betrekkingen met het verstand in diskrediet te brengen.

Wat het patristische en middeleeuwse denken had bedacht en verwerkelijkt als diepe eenheid, die een kennis voortbracht die tot de hoogste vormen van speculatief denken in staat was, werd tenslotte vernietigd door die systemen die stonden voor een van het geloof gescheiden en in zijn plaats tredende verstandskennis.

De opvallendste radicaliseringen zijn bekend en vooral in de geschiedenis van het Avondland duidelijk zichtbaar. Het moderne wijsgerige denken heeft zich, zo kan men zonder overdrijving zeggen, voor een goed deel ontwikkeld in een geleidelijke afwending van de openbaring, tot het tenslotte uitkwam bij duidelijke tegenposities. In de vorige eeuw heeft deze beweging haar hoogtepunt bereikt. Enkele vertegenwoordigers van het idealisme hebben op de meest verschillende manieren geprobeerd het geloof en zijn inhouden, ja zelfs het mysterie van dood en opstanding van Jezus Christus in rationeel te vatten dialectische structuren om te vormen. Tegen dit denken keerden zich verschillende in filosofische termen uitgedrukte vormen van een atheïstisch humanisme, die het geloof presenteerden als schadelijk en vervreemdend voor de ontwikkeling van de volle rationaliteit. Zij ontzagen zich niet, zich als nieuwe religies te presenteren; daarmee was het uitgangspunt geschapen voor doelstellingen die op politiek-maatschappelijk vlak uitgroeiden tot totalitaire systemen en daarmee tot een trauma voor de mensheid.

Op het gebied van het wetenschappelijk onderzoek groeide een positivistische denkwijze, die zich niet alleen verwijdert van iedere betrekking met de christelijke wereldbeschouwing maar die ook en vooral elke verwijzing naar een metafysische en morele visie heeft laten vallen. Het gevolg daarvan is dat bepaalde wetenschappers, die geen zedelijk referentiepunt hebben, het risico lopen dat niet langer de mens en het geheel van zijn leven in het middelpunt van hun interesse staat. Meer nog: enkelen van hen, die de mogelijkheden van technologische vooruitgang zien, schijnen niet alleen toe te geven aan een logica die op de markt is gebaseerd, maar ook aan de verleiding van quasi-goddelijke macht over de natuur en zelfs over de mens.

Als gevolg van de crisis van het rationalisme is tenslotte het nihilisme verschenen. Als filosofie van het niets slaagt het erin zijn fascinatie op onze tijdgenoten over te brengen. Zijn aanhangers stellen theorieën op, dat het zoeken doel in zichzelf is, zonder enige hoop of mogelijkheid, het doel van de waarheid ooit te bereiken. Volgens de nihilistische uitleg is het bestaan alleen maar een gelegenheid voor indrukken en ervaringen, waarin het vluchtige voorrang heeft. Het nihilisme staat aan het begin van die wijdverbreide geesteshouding, volgens welke men geen definitieve verplichting meer moet aangaan, omdat immers alles vergankelijk en voorlopig is.

Anderzijds mag men niet vergeten dat in de moderne cultuur de rol van de wijsbegeerte zelf veranderd is. Van wijsheid en universele kennis is zij geleidelijk ineengeschrompeld tot een van de vele gebieden van menselijke kennis; ze is zelfs in bepaald opzicht in een volledige bijrol gedrongen. Intussen zijn andere vormen van rationaliteit met steeds groter gewicht opgekomen en hebben daarbij benadrukt dat filosofische kennis bijzaak is. Deze vormen van rationaliteit zijn niet op de beschouwing van de waarheid en het zoeken naar het uiteindelijke doel en de zin van het leven gericht, maar, als 'instrumentele rede' actueel of potentieel op het dienen van utilitaristische doelen, het genot of de macht.

Hoe gevaarlijk het is deze weg te verabsoluteren, heb ik reeds in mijn eerste encycliek aangegeven, waar ik schreef: "De hedendaagse mens wordt kennelijk steeds meer bedreigd door wat hij zelf voortbrengt: door de resultaten van de arbeid van zijn hand en nog meer door die van zijn geestesarbeid en van zijn wilsbeschikkingen. Niet alleen leiden de vruchten van deze veelvormige activiteit tot 'vervreemding' doordat zij eenvoudigweg worden ontnomen aan wie ze heeft voortgebracht; maar al te snel en vaak onvoorzien keren de resultaten zich, tenminste ten dele, in een bepaalde loop van hun gevolgen tegen de mens zelf, al is het dan soms onrechtstreeks. Ze zijn feitelijk of mogelijkerwijs tegen hem gericht. Dit schijnt het belangrijkste hoofdstuk te zijn van het drama van het huidige menselijke bestaan in zijn breedste en meest universele dimensie. Het doet de mens in groeiende angst leven Hij vreest, dat wat hij voortbrengt zich wel eens radicaal tegen hem zou kunnen keren, niet alles natuurlijk, zelfs niet het meeste, maar precies dat waarin de mens een aanzienlijk deel van zijn creativiteit heeft geïnvesteerd." H. Paus Johannes Paulus II, Encycliek, De Verlosser van de mensen, Redemptor Hominis (4 mrt 1979), 15

Als gevolg van deze culturele veranderingen hebben enkele filosofen het opgegeven de waarheid omwille van haarzelf te willen zoeken, en als hun enige doel genomen: het bereiken van subjectieve zekerheid of praktisch nut. Dat resulteerde in een verduistering van de echte waardigheid van het verstand, dat niet langer is toegerust, het ware te kennen en naar het absolute te zoeken.

Uit dit laatste deel van de filosofiegeschiedenis kan men dus constateren, dat er een voortgaande scheiding is tussen geloof en wijsgerige rede. Wel is het juist, dat bij aandachtige beschouwing ook in het wijsgerig denken van hen die bijgedragen hebben aan een vergroting van de afstand tussen geloof en rede, soms waardevolle aanzetten in hun denken zijn te zien die, als ze met juist gestemde geest en hart verdiept en ontwikkeld worden, kunnen helpen om de weg van de waarheid te ontdekken. Deze aanzetten zijn bijvoorbeeld te vinden in de grondige analyses over waarneming en ervaring, over persoonlijkheid en intersubjectiviteit, over vrijheid en waarden, over tijd en geschiedenis; ook het thema dood kan voor iedere denker een ernstige oproep zijn om in zichzelf de echte zin van zijn bestaan te zoeken. Dat neemt echter niet weg dat de hedendaagse verhouding van geloof en rede een subtiel onderzoek vereist omdat beide zonder de ander zijn verarmd en verzwakt. Toen het verstand zonder de bijdrage van de openbaring bleef, sloeg het zijwegen in, die het gevaar inhouden dat het zijn einddoel uit het oog verliest. Het geloof waaraan het verstand ontbreekt, heeft de nadruk gelegd op gevoel en ervaring en loopt daarmee het risico dat het geen universeel aanbod meer is. Het is een illusie te menen dat het geloof grotere overtuigingskracht bezit tegenover een zwakke rede: integendeel, het loopt het grote gevaar te verworden tot mythe respectievelijk bijgeloof. In dezelfde mate zal een verstand dat geen rijp geloof voor zich heeft, nooit aanleiding zien om de blik te richten op de nieuwheid en de radicaliteit van het zijn.

Daarom doe ik deze sterke en indringende oproep en, naar ik vertrouw, op het juiste moment, dat het geloof en de wijsbegeerte de diepe eenheid herstellen die hen in staat stelt om in harmonie met hun natuur te staan, zonder hun wederzijdse autonomie afbreuk te doen. De parrhesia (vrijmoedigheid) van het geloof moet opgewassen zijn tegen de stoutmoedigheid van de rede.

Document

Naam: FIDES ET RATIO
Over de verhouding van Geloof en Rede
Soort: H. Paus Johannes Paulus II - Encycliek
Auteur: H. Paus Johannes Paulus II
Datum: 14 september 1998
Copyrights: © 1998 - Colomba
Bewerkt: 27 juni 2020

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Inhoudsopgave van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2020, Stg. InterKerk, Schiedam