• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x
Volgens het getuigenis van de Handelingen der Apostelen zag de christelijke verkondiging zich van meet af geconfronteerd met de toenmalige wijsgerige stromingen. Zo bericht het boek erover, dat de H. Paulus in Athene "met enkele epicureïsche en stoïcijnse wijsgeren" discussieerde (Hand. 17, 18). De exegetische analyse van die rede die de apostel op de Areopaag had gehouden, heeft herhaalde toespelingen op populaire overtuigingen van vooral stoïcijnse aard, aan het licht gebracht. Dat was zeker geen toeval. Om door de heidenen begrepen te worden konden de eerste christenen het in hun toespraken niet laten bij een verwijzing naar "Mozes en de profeten"; ze moesten ook wijzen op de natuurlijke Godskennis en op de stem van het morele geweten van iedere mens Vgl. Rom. 1, 19-21 Vgl. Rom. 2, 14-15 Vgl. Hand. 14, 14-16 . Omdat deze natuurlijke kennis echter in de heidense religie tot een afgodendienst was verworden Vgl. Rom. 1, 21-32 , hield de apostel het voor verstandiger, zijn rede te vervlechten met het denken van de wijsgeren die van begin af tegen de mythen en mysterieculten noties hadden verwoord die meer respect toonden voor de goddelijke transcendentie.

De godsvoorstellingen van de mensen te reinigen van mythologische vormen, dat was inderdaad een van de grootste inspanningen die de wijsgeren van het klassieke denken zich getroost hebben. Zoals wij weten was ook de Griekse religie, niet anders dan de meeste kosmische religies, polytheïstisch. Daarbij ging zij zover, dat ze dingen en natuurverschijnselen vergoddelijkte. De pogingen van de mensen, om de oorsprong van de goden en, in hen, van het heelal te begrijpen, vonden hun eerste uitdrukking in de dichtkunst. De theogonieën zijn tot nu toe het eerste getuigenis van deze zoektocht van de mens. Het was de taak van de vaders der wijsbegeerte de samenhang tussen verstand en religie zichtbaar te maken. Omdat zij hun blik verwijdden tot algemene beginselen, stelden zij zich niet meer met de oude mythen tevreden; ze wilden aan hun geloof in de godheid een rationele basis geven.

Zo werd een weg ingeslagen die, uitgaande van de verschillende oude overleveringen, uitkwam op een ontwikkeling die overeenkwam met de eisen van de universele rede. Het doel dat deze ontwikkeling nastreefde was het kritische bewustzijn van datgene waaraan men geloofde. Het eerste positieve resultaat van deze weg was het concept van de 'godheid' (divinitas). Vormen van bijgeloof werden als zodanig herkend en de religie werd door de kracht van de rationele analyse tenminste gedeeltelijk gelouterd. Op deze basis begonnen de Kerkvaders een vruchtbare dialoog met de antieke wijsgeren en baanden zo de weg voor de verkondiging en het begrip van de God van Jezus Christus.

Wanneer men wijst op deze toenaderingsbeweging van de christenen naar de wijsbegeerte moet men ook de voorzichtige houding melden die andere elementen van de heidense cultuurwereld, zoals bijvoorbeeld de gnosis, bij hen opriepen. Als praktische wijsheid en levensschool kon de wijsbegeerte gemakkelijk met een kennis van hogere, esoterische aard, die slechts aan enkele volmaakten was voorbehouden, verwisseld worden. Zonder twijfel denkt de H. Paulus aan deze manier van esoterisch speculeren, wanneer hij de Kolossenzen waarschuwt: "Past op, dat niemand u verleidt met zijn wijsbegeerte en valse leer, die enkel steunen op menselijke overlevering en die zich beroepen op de natuurmachten van de wereld, niet op Christus" (Kol. 2, 8). De woorden van de apostel schijnen uiterst actueel, als we ze betrekken op de verschillende vormen van de esoterie die tegenwoordig ook bij sommige gelovigen, die de benodigde kritische zin missen, om zich heen grijpen. Het voorbeeld van de H. Paulus volgend maakten andere schrijvers van de eerste eeuwen, in het bijzonder de H. Irenaeus en Tertullianus, van hun kant reeds een voorbehoud tegen een culturele opvatting die eiste dat de waarheid van de openbaring onderschikt werd gemaakt aan de interpretatie van de wijsgeren.
De ontmoeting van het christendom met de wijsbegeerte was daarom noch spontaan noch eenvoudig. De bezigheid van de wijsgeren en het bezoek van hun scholen scheen de eerste christenen eerder een storing dan een kans toe. Voor hen was de eerste, dringende opgave de verkondiging van de opgestane Heer in een persoonlijke ontmoeting, die de gesprekspartners zou brengen tot innerlijke omkering en tot een vraag om het doopsel. Dat wil echter niet zeggen dat zij de opgave om het geloofsbegrip en zijn motieven te verdiepen, veronachtzaamden. Integendeel: de kritiek van Celsus die de christenen ervan beticht, "onbeschaafde en lompe" Origenes van Alexandrië, Contra Celsum. 3, 55: SC 136, 130 mensen te zijn, blijkt ongegrond en onwaar te zijn. De verklaring voor hun aanvankelijke onverschilligheid moeten we elders zoeken. In werkelijkheid bood de ontmoeting met het Evangelie een dermate bevredigend antwoord op de tot dan toe onbeantwoorde vragen naar de zin van het leven, dat hun de omgang met de wijsgeren voorkwam als een verre en in zeker opzicht achterhaalde aangelegenheid.

Dat lijkt vandaag nog duidelijker, wanneer men denkt aan de bijdrage van het christendom aan de bevestiging van ieders recht op toegang tot de waarheid. Het christendom had na het neerhalen van de barrières van ras, maatschappelijke stand en geslacht, vanaf het begin de gelijkheid van alle mensen voor God verkondigd. De eerste consequentie van deze opvatting betrof het thema waarheid. Het elitaire karakter dat het waarheidszoeken bij de Ouden had, werd met beslistheid overwonnen: omdat de toegang tot de waarheid een goed is, dat het mogelijk maakt om bij God te komen, moeten allen in staat zijn deze weg te kunnen gaan. De wegen om de waarheid te bereiken zijn talrijk; toch kan, aangezien de christelijke waarheid heilswaarde bezit, elk van deze wegen alleen dan ingeslagen worden, als hij naar het laatste doel, dat wil zeggen naar de openbaring van Jezus Christus, leidt.

Als pionier van een positieve ontmoeting met het wijsgerige denken - zij het met voorzichtige onderscheiding - moet de H. Justinus genoemd worden: ofschoon hij zijn hoge achting voor de Griekse wijsbegeerte ook na zijn bekering bewaard had, stelde hij duidelijk en beslist, in het christendom "de enige zekere en nut brengende wijsbegeerte" te hebben gevonden H. Justinus, Dialoog met de Jood Tryphon, Dialogus cum Tryphone Judaeo. 8, 1: PG 6, 492. Op vergelijkbare wijze noemde Clemens van Alexandrië het Evangelie "de ware wijsbegeerte" H. Clemens van Alexandrië, Stromateis. I, 18, 90, 1: SC 30, 115 en interpreteerde hij de wijsbegeerte naar analogie van de wet van Mozes als voorbereidend onderwijs voor het christelijk geloof H. Clemens van Alexandrië, Stromateis. I,16, 80, 5: SC 30, 108 en een wegbereiding van het Evangelie H. Clemens van Alexandrië, Stromateis. 5, 28, 1: SC 30, 65. Want "naar deze wijsheid gaat het verlangen van de wijsbegeerte uit; zij is een streven van de ziel, zowel naar het vermogen tot het juiste denken alsook naar de zuiverheid van het leven; ze is de wijsheid vriendelijk en liefdevol gezind en doen alles om haar deelachtig te worden. Wijsgeren noemen wij dan hen, die verlangen koesteren naar de Wijsheid die alle dingen geschapen heeft en alles leert, dat wil zeggen: naar kennis van de Zoon van God". H. Clemens van Alexandrië, Stromateis. VI, 7, 55, 1-2: PG 9, 277 Hoofddoel van de Griekse wijsbegeerte is voor de Alexandrijn niet de voltooiing of de versterking van de christelijke waarheid; haar opgave is veeleer de verdediging van het geloof:: "In zichzelf volmaakt en zonder behoefte aan enige afwerking is de leer van de Verlosser, omdat zij goddelijke kracht en wijsheid is. Wanneer nu de Griekse wijsheid erbij komt, maakt zij de waarheid weliswaar niet effectiever, maar omdat zij de sofistische aanvallen ontkracht en de listige aanvallen tegen de waarheid afslaat, heeft men haar terecht haag en muur van de wijnberg genoemd." H. Clemens van Alexandrië, Stromateis. I, 20, 100, 1: SC 30, 124

In de geschiedenis van deze ontwikkeling kan men toch de kritische overname van het wijsgerige denken door de christelijke denkers vaststellen. Onder de eerste voorbeelden die men kan ontmoeten is Origenes zeker uitnemend. Om te antwoorden op de door Celsus gedane aanvallen en hen te pareren, neemt Origenes de Platoonse wijsbegeerte over. Hij neemt tal van elementen uit het Platoonse denken over en werkt voor de eerste keer zoiets als een christelijke theologie uit. De naam theologie net als de voorstelling van haar als rationeel spreken over God was namelijk tot dan toe nog gebonden aan haar Griekse oorsprong. In de Aristotelische wijsbegeerte bijvoorbeeld betekent de uitdrukking het voornaamste deel en het eigenlijke hoogtepunt van het wijsgerig betoog. Wat voordiende duidde op een algemene leer over de goden, kreeg daarentegen in het licht van de christelijke openbaring een heel nieuwe betekenis, omdat theologie van nu af het nadenken van de gelovige aanduidde die de ware leer over God wil formuleren. In zijn ontwikkeling maakte dit nieuwe christelijke denken gebruik van de filosofie, maar was er alert op, zich er duidelijk van te onderscheiden. De geschiedenis leert dat het in de theologie overgenomen Platoonse denken zelf ingrijpende veranderingen heeft doorgemaakt, vooral waar het begrippen als onsterfelijkheid van de ziel, vergoddelijking van de mens en oorsprong van het kwaad betreft.
Bijzondere vermelding verdienen in dit kersteningwerk van het Platoonse en neoplatoonse denken de Cappadociërs, Dionysius de Areopagiet en vooral de H. Augustinus. De grote geleerde van het Avondland was met verschillende wijsgerige scholen in contact gekomen, maar ze hadden hem allemaal teleurgesteld. Toen dan de waarheid van het christelijk geloof in zijn blikveld kwam, had hij de kracht om die radicale bekering te voltrekken waartoe hem de door hem regelmatig bezochte wijsgeren niet konden brengen. De reden daarvoor vertelt hij zelf: "Van dan af gaf ik echter de voorkeur aan de katholieke leer; ik ervoer immers, hoeveel bescheidener, zonder enig bedrieglijk oogmerk hier bevolen werd te geloven wat niet bewezen werd - of het nu wel te bewijzen was, maar niet voor ieder, of überhaupt niet te bewijzen was - terwijl de anderen een vermetele belofte van kennis deden en lachten over de gelovigheid, en later bevalen dat je verzonnen, ja absurde mythen moest geloven die nooit te bewijzen waren" H. Augustinus, Belijdenissen, Confessiones. VI, 5, 7: CCL 27, 77-78. Dezelfde Platonici, aan wie hij bij voorkeur refereerde, maakte Augustinus het verwijt dat zij weliswaar het na te streven doel kenden, maar niets wilden weten van de weg die daarheen leidt: het vleesgeworden Woord. Vgl. H. Augustinus, Belijdenissen, Confessiones. VII, 9, 13-14: CCL 27, 101-102 Het lukte de bisschop van Hippo om de eerste grote synthese van het wijsgerige en theologische denken op te stellen, waarin de stromingen van het Griekse en Latijnse denken samenvloeiden. Ook bij hem werd de grote eenheid van kennis, waarvan het bijbelse denken uitgangspunt en basis vormde, door diepgravend speculatief denken bevestigd en gedragen. De door de H. Augustinus gemaakte synthese zou eeuwenlang de hoogste vorm van wijsgerig en theologisch denken blijven, die het Avondland kende. gesterkt door zijn persoonlijke levensgeschiedenis en steunend op een wonderlijke heiligheid van leven, was hij ook in staat in zijn werken een grote hoeveelheid materiaal in te brengen, dat, door terug te grijpen op de ervaring, toekomstige ontwikkelingen van verschillende wijsgerige denkrichtingen aankondigde.
De kerkvaders van het Oosten en van het Avondland hebben dus in verschillende vormen verbindingen gelegd met de wijsgerige scholen. Dat betekent niet dat ze de inhoud van hun boodschap vereenzelvigd hebben met de systemen waaraan zij refereerden. De vraag van Tertullianus: "Wat hebben Athene en Jeruzalem gemeen? Wat de Academie en de Kerk?" Tertullianus, De Praescriptione Haereticorum. VII, 9: SC 46, 98: "Quid ergo Atheis et Hierosolymis? Quid academiae et ecclesiae?" is een duidelijke aanwijzing voor het kritische bewustzijn waarmee de christelijke denkers vanaf het begin omgingen met het probleem van de verhouding van geloof en wijsbegeerte; ze zagen het in zijn geheel, in zijn positieve aspecten evengoed als in zijn begrenzingen. Ze waren geen naïeve denkers. Juist omdat ze de inhoud van het geloof intensief beleefden, konden zij de diepste vormen van speculatief denken bereiken. Daarom is het onrechtvaardig en oppervlakkig om hun werk te vernauwen tot de loutere omzetting van de geloofsinhoud in wijsgerige categorieën. Ze hebben heel wat meer gepresteerd. Het lukte hun namelijk om volledig zichtbaar te laten worden wat zich nog onuitgesproken en propedeutisch aankondigde in het denken van de grote antieke wijsgeren. Vgl. Congregatie Katholieke Vorming (seminaries en universiteiten), Instructie over de studie van de Kerkvaders in de priesteropleiding, Inspectis dierum (10 nov 1989), 25. AAS 82 (1990), 617-618 Ze hadden, als gezegd, de taak te laten zien hoe het van uitwendige boeien bevrijde verstand uit de doodlopende straat van de mythen kon raken om zich op passender wijze open te stellen voor het transcendente. Een gelouterd en oprecht verstand kon zich dus verheffen tot de hoogste niveaus van reflectie, en schiep daarmee een solide basis voor de waarneming van het zijn, het transcendente en het absolute.

Precies hierin schuilt het door de Kerkvaders volbrachte nieuwe. Ze erkenden volledig het voor het absolute openstaande verstand en plantten daarin de rijkdom uit de openbaring. Tot ontmoeting kwam het niet alleen op het niveau van culturen, waarvan de ene misschien gevallen was voor de betovering van de andere; ze vond plaats in het hart en was ontmoeting tussen het schepsel en zijn Schepper. Het verstand kon, doordat het uitging boven het doel dat het van nature onbewust nastreefde, in de Persoon van het vleesgeworden Woord komen tot het hoogste goed en de hoogste waarheid. De Kerkvaders ontzagen zich echter niet, tegenover de wijsgeren zowel de gemeenschappelijke elementen alsook de verschillen te erkennen, die deze met betrekking tot de openbaring lieten zien. Het besef van de overeenstemmingen vertroebelde in hen niet de erkenning van de verschillen.

In de scholastieke wijsbegeerte wordt onder impuls van de interpretatie van de intellectus fidei door Anselmus van Kantelberg (Canterbury) de rol van het filosofisch geschoolde verstand nog gewichtiger. Voor de heilige aartsbisschop van Kantelberg is de voorrang van het geloof niet in concurrentie met het zoeken dat aan het verstand eigen is. Dit is er namelijk niet toe geroepen, een oordeel over de geloofsinhoud te formuleren; het zou er, omdat het daarvoor ongeschikt is, ook helemaal niet toe in staat zijn. Veeleer is het zijn taak, een zin te vinden, redenen te ontdekken, die het allen mogelijk maken tot een zeker begrijpen van de geloofsinhoud te komen. De H. Anselmus onderstreept het feit dat de rede moet zoeken naar dat wat zij bemint: hoe meer ze bemint, des te meer verlangt zij naar kennis. Wie leeft voor de waarheid, streeft naar een vorm van kennis die steeds meer ontbrandt in liefde voor dat wat hij kent, ook wanneer hij moet toegeven dat hij nog niet alles heeft gedaan wat in zijn verlangen lag: "Ad te videndum factus sum; et nondum feci propter quod factus sum" - "Ik ben geschapen om U te zien; en ik heb nog niet gedaan waarvoor ik geschapen ben". H. Anselmus van Canterbury, Proslogion seu Alloquium de Dei existentia. 1: PL 158, 226. Het streven naar waarheid drijft het verstand er dus toe om steeds verder te gaan; ja, het wordt stilaan overweldigd door het besef dat zijn vermogen steeds groter is dan wat het daadwerkelijk bereikt. Op dit punt echter kan het verstand ontdekken, waar de voltooiing van zijn tocht ligt:

"Want ik meen, dat iemand die iets onbegrijpelijks onderzoekt, zich ermee tevreden moet stellen als hij met behulp van rationele overweging een heel zekere waarneming bereikt van de werkelijkheid daarvan, ook al kan zijn intellect niet doordringen tot de zijnswijze ervan (...) Want is er iets dat zo onbegrijpelijk en onuitsprekelijk is als dat wat boven alles is? Als dus dat wat men tot nog toe over het hoogste wezen heeft bediscussieerd, op grond van de nodige argumenten is vastgesteld, ofschoon men met de rede niet zó tot dat wezen kan doordringen dat men het ook met woorden kan verklaren, raakt daarom de grondslag van zijn zekerheid niet in het minst aan het wankelen. Want als een eerdere rationele beschouwing heeft geconcludeerd dat de wijze, waarop de hoogste wijsheid weet, wat zij geschapen heeft (...) onbegrijpelijk is (rationabiliter comprehendit incomprensibile esse), wie zal dan kunnen verklaren hoe zij zichzelf kent en zich noemt - zij, over wie de mens niets of bijna niets kan weten?" H. Anselmus van Canterbury, Monologion. 64: PL 158, 210

De fundamentele eenheid van wijsgerige kennis en geloofskennis wordt nog eens bevestigd: het geloof verlangt dat zijn object met de hulp van het verstand begrepen wordt; het verstand erkent op het hoogtepunt van zijn zoektocht dat, wat het geloof aanbiedt, als noodzakelijk.

Document

Naam: FIDES ET RATIO
Over de verhouding van Geloof en Rede
Soort: H. Paus Johannes Paulus II - Encycliek
Auteur: H. Paus Johannes Paulus II
Datum: 14 september 1998
Copyrights: © 1998 - Colomba
Bewerkt: 27 juni 2020

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Inhoudsopgave van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2020, Stg. InterKerk, Schiedam