• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x
Het zoeken naar de waarheid is inderdaad niet altijd zo doorzichtig en consequent. De aangeboren beperktheid van het verstand en de onbestendigheid van het hart vertroebelen vaak de persoonlijke zoektocht en brengen haar van de weg af. Allerlei andere belangen kunnen de waarheid onderdrukken. Het komt voor dat de mens, zodra hij maar een glimp van de waarheid heeft gezien, spoorslags ervoor wegvlucht, omdat hij bang is voor haar eisen. Desondanks beïnvloedt de waarheid, ook als hij haar mijdt, altijd zijn bestaan. Want nooit zou hij zijn leven kunnen bouwen op twijfel, onzekerheid of leugen; zulk bestaan zou voortdurend bedreigd worden door angst en vrees. Men kan dus de mens definiëren als degene die naar de waarheid zoekt.
Het is ondenkbaar dat een zoeken dat zo diep geworteld is in de menselijke natuur volledig nutteloos en vergeefs zou kunnen zijn. Het vermogen om naar de waarheid te zoeken en vragen te stellen houdt namelijk reeds een eerste antwoord in. De mens zou helemaal niet beginnen iets te zoeken, waarvan hij toch niets wist of dat hij voor absoluut onbereikbaar hield. Alleen het uitzicht, tot een antwoord te kunnen komen, kan voor hem aanleiding zijn de eerste stap te zetten. Feitelijk gebeurt precies dat normaliter in het wetenschappelijk onderzoek. Wanneer een wetenschapper, zijn intuïtie volgend, zich wijdt aan het zoeken naar de logische en verifieerbare verklaring van een bepaald verschijnsel, vertrouwt hij er vanaf het begin op, een antwoord te vinden, en geeft niet op bij mislukkingen. Hij houdt zijn oorspronkelijke ingeving niet voor nutteloos alleen omdat hij het doel niet bereikt heeft; veeleer zal hij, terecht, zeggen dat hij nog niet het adequate antwoord heeft gevonden.

Datzelfde moet ook gezegd worden van het zoeken naar de waarheid op het gebied van de laatste vragen. Het verlangen naar de waarheid is zo diep geworteld in het mensenhart, dat daarvan afstand nemen het bestaan zou bedreigen. Het is tenslotte voldoende het dagelijks leven te bezien om vast te stellen dat ieder van ons de kwellende last van enkele existentiële vragen in zich draagt en tegelijk in zijn hart minstens het ontwerp van de bijbehorende antwoorden koestert. Het zijn antwoorden van welker waarheid men ook daarom overtuigd is, omdat men de ervaring heeft, dat zij zich in wezen niet onderscheiden van de antwoorden die vele anderen hebben gekregen. Zeker bezit niet iedere waarheid die verkregen wordt, dezelfde waarde. Door het totaal aan behaalde resultaten wordt echter het vermogen van de mens, fundamenteel tot de waarheid te komen, bevestigd.

Het is misschien nuttig om deze verschillende vormen van de waarheid in het vervolg kort te vermelden. Het talrijkste zijn die vormen die berusten op evidentie of die door proefneming bevestigd worden. Daarbij gaat het om de waarheidsorde van het dagelijks leven en van het wetenschappelijk onderzoek. Op een ander niveau moet men de waarheden van wijsgerige aard plaatsen waartoe de mens komt door de speculatieve kracht van zijn verstand. Tenslotte zijn er de religieuze waarheden, die in zekere mate ook geworteld zijn in de wijsbegeerte, en die de verschillende godsdiensten in hun tradities als antwoord geven op de laatste vragen. Vgl. 2e Vaticaans Concilie, Verklaring, Over de houding van de Kerk tegenover niet-christelijke godsdiensten, Nostra Aetate (28 okt 1965), 2 Wat de wijsgerige waarheden betreft, moet men duidelijk stellen dat zij zich niet alleen beperken tot de soms kortstondige waarheden van de beroepsfilosofen. Zoals ik al gezegd heb, is iedere mens in zekere zin filosoof met zijn filosofische opvattingen, waarmee hij zijn leven inricht. Hij vormt zich op de een of andere manier een alomvattende visie en een antwoord op de vraag naar de zin van zijn bestaan: in dit licht duidt hij zijn persoonlijk lot en regelt zijn gedrag. Hier zou hij zich de vraag moeten stellen naar de verhouding van de wijsgerig-religieuze waarheden tot de in Jezus Christus geopenbaarde waarheid. Alvorens deze vraag te beantwoorden, moeten we nog een verder gegeven van de wijsbegeerte overwegen.
De mens is niet geschapen om alleen te leven. Hij wordt geboren en groeit op in een gezin, om later met zijn werk deel uit te maken van de samenleving. Vanaf zijn geboorte bevindt hij zich dus ingevoegd in verschillende tradities, waarvan hij niet alleen de taal en de culturele vorming ontvangt, maar ook een veelvoud aan waarheden, waaraan hij bijna instinctief gelooft. Persoonlijke groei en rijping maken echter, dat deze waarheden door de bijzondere inzet van het kritische denken in twijfel getrokken kunnen worden, en getest. Dat belet niet, dat na deze overgangsfase dezelfde waarheden op grond van de daarmee opgedane ervaringen of dankzij nadere overwegingen "herwonnen" worden. Desondanks zijn in het leven van de mens de simpelweg geloofde waarheden veel talrijker dan die welke hij door persoonlijk onderzoek verwerft. Wie zou wel in staat zijn, de ontelbare wetenschappelijke resultaten, waar het moderne leven op steunt, kritisch te onderzoeken? Wie zou persoonlijk de stroom aan informatie kunnen controleren, die dag in dag uit, uit alle delen van de wereld binnenkomt en die toch als fundamenteel waar wordt aangenomen?: Wie zou tenslotte de ervarings- en denkwegen opnieuw kunnen gaan waarop zich de schatten van de mensheid aan wijsheid en religiositeit hebben verzameld? De mens, een wezen dat naar de waarheid zoekt, is dus ook degene die leeft van het geloof.
In het geloof vertrouwt ieder zich toe aan de door andere personen verworven kennis. Daarin is een betekenisvolle spanning merkbaar: enerzijds schijnt de geloofskennis een onvolmaakte kennisvorm, die zich langzaamaan door het persoonlijk gewonnen inzicht moet vervolmaken; anderzijds blijkt het geloof vaak menselijk rijker dan pure evidentie, omdat het een relatie tussen personen inhoudt en niet slechts de persoonlijke kenvermogens, maar ook het diepergaande vermogen in het spel brengt, zich aan andere personen toe te vertrouwen, doordat men een vastere en innige verbinding met hen aangaat.

Onderstreept zij, dat de in deze tussenmenselijke betrekking gezochte waarheden niet primair van empirische of wijsgerige orde zijn. Gezocht wordt veeleer naar de eigenlijke waarheid van de persoon: wat hij is en wat hij van zijn innerlijk zichtbaar laat worden. De volmaaktheid van de mens ligt namelijk niet alleen in het zich eigen maken van de abstracte kennis van de waarheid, maar ook in een levende betrekking van zelfgave en trouw tegenover de ander. In deze vertrouwvolle zelfgave vindt de mens volledige zekerheid en veiligheid. tegelijkertijd is de kennis door het geloof, die steunt op het tussenmenselijke vertrouwen, toch niet zonder relatie met de waarheid: de gelovige mens vertrouwt zich toe aan de waarheid die de ander hem verkondigt.

Hoeveel voorbeelden zouden aangehaald kunnen worden om dit feit te illustreren! Maar mijn gedachten gaan onmiddellijk naar het getuigenis van de martelaren. De martelaar is inderdaad de betrouwbaarste getuige van de waarheid over het bestaan. Hij weet, dat hij in de ontmoeting met Jezus Christus de waarheid over zijn leven heeft gevonden; niets en niemand zal hem ooit van deze zekerheid kunnen beroven. Noch het lijden noch de gewelddadige dood zullen hem ertoe kunnen brengen, de instemming met de waarheid te herroepen, die hij in de ontmoeting met Christus heeft ontdekt. Daarom fascineert ons tot de dag van vandaag het getuigenis van de martelaren, het wekt instemming op, vindt gehoor en navolging. Dat is de reden waarom men op hun woord vertrouwt: men ontdekt in hen heel duidelijk een liefde, die geen lange redeneringen nodig heeft om te overtuigen, omdat zij tot ieder spreekt over hetgeen hij in zijn binnenste reeds als waar heeft beluisterd en sinds lang heeft gezocht. Tenslotte roept de martelaar bij ons een diep vertrouwen op, omdat hij zegt wat wij reeds ervaren, en openbaar maakt, wat ook wij, als we de kracht daartoe zouden vinden, graag zouden uitdrukken.

Zo zien we dat de delen van dit probleem verder in elkaar schuiven tot een geheel. De mens zoekt van nature naar de waarheid. Dit zoeken is niet alleen voor de toe-eigening van partiële, empirische of wetenschappelijke waarheden bestemd; de mens zoekt niet alleen voor elk van zijn beslissingen het ware goede. Zijn zoektocht streeft naar een waarheid aan gene zijde, die in staat moet zijn, de zin van het leven te verklaren; het gaat dus om een zoeken dat alleen in het absolute antwoord kan vinden. H. Paus Johannes Paulus II, Audiëntie, Audiëntie in het kader van het Heilig Jaar van de Verlossing 1983 (19 okt 1983), 1-2. Dit is een thema dat ik al lang behandel en waarover ik bij verschillende gelegenheden gesproken heb. " 'Wat is de mens en waartoe dient hij? Wat is goed aan hem en wat slecht?' (Sir.18,8)... Deze vragen draagt iedere mens in het diepst van zijn hart, zoals het dichterlijke genie van alle tijden en volkeren bewijst, dat als een profetie van de mensheid steeds weer de ernstige vraag stelt, die de mens pas werkelijk tot mens maakt. Ze zijn uitdrukking van de urgentie, een oorzaak van het bestaan te vinden, voor elk van zijn ogenblikken, voor de belangrijke en beslissende perioden evenzogoed als voor het leven van alledag. In deze vragen wordt de diepe rationaliteit van het menselijk bestaan bevestigd, want het verstand en de wil van de mens worden hier geactiveerd om in vrijheid naar een oplossing te zoeken die in staat is aan het leven een volle betekenis te geven. Deze vragen vormen dus de meest verheven uitdrukking van de menselijke natuur: dientengevolge is het antwoord erop de maatstaf voor de diepte waarmee hij zijn bestaan beheerst. In het bijzonder wanneer men bij het zoeken naar het laatste, alomvattende antwoord de oorzaak der dingen volledig wil onderzoeken, bereikt de menselijke rede haar top en opent zij zich voor het religieuze. Want de religiositeit vormt de meest verheven uiting van de menselijke persoon, omdat zij het hoogtepunt van zijn natuur als met rede begiftigd wezen is. Zij komt voort uit het diepe verlangen van de mens naar de waarheid en vormt de grondslag van zijn vrije en persoonlijke zoeken naar het goddelijke" Dankzij de vermogens die in het denken vervat liggen is de mens in staat, een dergelijke waarheid te ontmoeten en haar te kennen. Deze levensbelangrijke en voor zijn bestaan essentiële waarheid wordt niet alleen langs rationele weg bereikt, maar ook doordat de mens zich vertrouwvol verlaat op andere personen, die de zekerheid en echtheid van de waarheid kunnen garanderen. Het vermogen en de beslissing om zichzelf en zijn leven aan een andere mens toe te vertrouwen, horen zeker tot de antropologisch belangrijkste en meest expressieve akten.

Men mag niet vergeten dat ook het verstand bij zijn zoeken is aangewezen op de ondersteuning van vertrouwvolle gesprekken en oprechte vriendschap. Een klimaat van verdenking en wantrouwen, dat soms om het speculatieve onderzoek hangt, veronachtzaamt de leer van de antieke wijsgeren, die de vriendschap als een van de voor het juiste filosoferen meest passende kaders voorstelden.

Uit het tot nog toe gestelde komt naar voren, dat de mens zich bevindt op een naar menselijke maat eindeloze zoektocht: de zoektocht naar de waarheid en de zoektocht naar een persoon aan wie hij zich kan toevertrouwen. Het christelijk geloof komt hem daarin tegemoet, door hem de concrete mogelijkheid te bieden, het doel van dit zoeken verwerkelijkt te zien. Door bij de mens het stadium van het gewone geloven te overwinnen, leidt het hem binnen in de genade-orde, die hem laat delen in het geheim van Christus, waarin hem de ware en adequate kennis van de drie-ene God geschonken wordt. In Jezus Christus, die de waarheid is, erkent het geloof aldus de laatste oproep die aan de mensheid wordt gericht, opdat zij dat wat zij ervaart als streven en verlangen, tot vervulling kan brengen.

Deze 'waarheid', die God ons in Jezus Christus openbaart, is niet in tegenspraak met de waarheden waartoe men door het filosoferen komt. De beide kennis-orden leiden integendeel tot de waarheid in haar volheid. De eenheid van de waarheid is reeds een fundamenteel postulaat van het menselijk verstand, dat wordt uitgedrukt in het non-contradictie-beginsel. De openbaring biedt de zekerheid voor deze eenheid, door te laten zien dat de Schepper-God ook de God van de heilsgeschiedenis is. Een en dezelfde God, die de begrijpelijkheid en de redelijkheid van de natuurlijke orde der dingen, waarop de wetenschappers vertrouwvol steunen H. Paus Johannes Paulus II, Toespraak, Tot de Pauselijke Academie van Wetenschappen tijdens de herdenking van Albert Einstein, De diepe overeenstemming welke de waarheid van de wetenschap en de waarheid van het geloof verbindt (10 nov 1979), 7. "(Galilei) heeft uitdrukkelijk verklaard, dat de beide waarheden, die van het geloof en die van de wetenschap, elkaar nooit kunnen tegenspreken, 'aangezien de Heilige Schrift en de natuur gelijkelijk voortkomen uit het goddelijk Woord, de eerste gedicteerd door de Heilige Geest, de tweede als trouwe uitvoerster van Gods beschikkingen', zoals hij schreef in zijn brief aan P. Benedetto Castelli op 21 december 1613. Vaticanum II drukte zich niet anders uit; het neemt zelfs dezelfde uitdrukkingswijze over, wanneer het leert: "Het methodisch onderzoek zal, op alle kennisterreinen, als het de zedelijke normen in acht neemt, nooit echt tegengesteld zijn aan het geloof: de werkelijkheid van de wereld en van het geloof hebben hun oorsprong in dezelfde God" (Gaudium et spes, nr.36). Galilei voelt bij zijn wetenschappelijk onderzoek de aanwezigheid van de Schepper die hem aanspoort, zijn intuïties anticipeert en bijstaat, doordat Hij in de diepte van zijn geest werkt. fundeert en garandeert, is identiek met God die zich als Vader van onze Heer Jezus Christus openbaart. Deze eenheid van natuurlijke en geopenbaarde waarheid vindt haar levende en personele vereenzelviging in Christus, waarop de apostel doelt: "De waarheid is in Christus" Vgl. Ef. 4,21 Vgl. Kol. 1, 15-20 . Hij is het eeuwige Woord, waarin alles geschapen is, en tegelijk is hij het vleesgeworden Woord, dat in zijn hele Persoon de Vader openbaart Vgl. Joh. 1, 14.18 Vgl. 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Goddelijke openbaring, Dei Verbum (18 nov 1965), 4 Dat wat het menselijk verstand zoekt, "zonder het te kennen" (Hand. 17, 23), kan alleen door Christus gevonden worden: want in Hem openbaart de "volle waarheid" zich Vgl. Joh. 1, 14-16 van dat wezen dat in Hem en door Hem geschapen is en dat daarom in Hem zijn voltooiing vindt Vgl. Kol. 1, 17 .

Tegen de achtergrond van deze algemene beschouwingen moeten we nu een rechtstreeks onderzoek doen naar de verhouding tussen geopenbaarde waarheid en wijsbegeerte. Deze verhouding nodigt ons uit tot een dubbele overweging, omdat de waarheid die uit de openbaring voortkomt, tegelijk een waarheid is, die in het licht van de rede moet worden begrepen. Eerst in deze dubbele betekenis is het namelijk mogelijk de juiste verhouding van de geopenbaarde waarheid tot het wijsgerige kennen precies te bepalen. We bezien dus allereerst de betrekkingen tussen geloof en wijsbegeerte in de loop van de geschiedenis. Daaruit zullen enkele beginselen vastgesteld kunnen worden, waaraan men als referentiepunten moet vasthouden, om de juiste verhouding tussen de beide kennis-orden vast de leggen.

Document

Naam: FIDES ET RATIO
Over de verhouding van Geloof en Rede
Soort: H. Paus Johannes Paulus II - Encycliek
Auteur: H. Paus Johannes Paulus II
Datum: 14 september 1998
Copyrights: © 1998 - Colomba
Bewerkt: 27 juni 2020

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Inhoudsopgave van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2020, Stg. InterKerk, Schiedam