• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x
De evangelist Lucas vertelt in de Handelingen van de Apostelen, dat Paulus op zijn missiereizen naar Athene kwam. De stad van de wijsgeren was vol beelden van verschillende afgoden. Eén altaar trok zijn aandacht, en hij nam het tegelijk als aanleiding om daarmee een gemeenschappelijke basis te leggen waarop hij kon beginnen met de verkondiging van het Kerygma. En zo sprak hij: "Atheners, aan alles zie ik dat u buitengewoon godsdienstig bent. Toen ik rondliep en uw heiligdommen bezichtigde, trof ik ook een altaar aan met het opschrift: Aan de onbekende god. Welnu, wat u zonder het te kennen vereert, dat kom ik u verkondigen" (Hand. 17, 22-23). Daarvan uitgaande spreekt de H. Paulus over God als Schepper, als degene die alles overstijgt en alles tot leven brengt. Dan vervolgt hij zijn toespraak aldus: "Uit één mens heeft Hij heel het mensenvolk gemaakt om overal op aarde te wonen. Hij heeft bepaalde tijden vastgesteld en hun woongebieden afgegrensd, met de bedoeling dat ze God zouden zoeken en Hem wellicht tastenderwijs zouden vinden; Hij is immers niet ver van ieder van ons" (Hand. 17, 26-27).

De apostel brengt een waarheid naar voren die de Kerk steeds als een schat heeft gekoesterd: het streven en het zoeken naar God is diep in het mensenhart gezaaid. Daaraan herinnert nadrukkelijk ook de Goede-Vrijdagliturgie, wanneer ze ons in het gebed voor alle niet-gelovigen laat zeggen: "Almachtige, eeuwige God, U hebt de mensen een zo diep verlangen naar U in het hart gestort, dat ze pas vrede hebben, wanneer ze U vinden". H. Paus Paulus VI, Apostolische Constitutie, ex Decr. Sacr. Oec. Conc. Vat. II instauratum, auctoritate Pauli PP. VI promulgatum, ed. typica, Missale Romanum (3 apr 1969). "Ut te semper desiderando quaererent et inveniendo quiescerent" Er bestaat dus een weg die de mens kan gaan als hij wil; hij begint met het vermogen, zich boven het toevallige te verheffen, om naar het oneindige te koersen.

De mens heeft op verschillende manieren, in verschillende tijden bewezen dat hij in staat is, aan dit diepste verlangen uitdrukking te geven. Literatuur, muziek, schilderkunst, beeldhouwkunst, architectuur en ieder ander blijk van zijn creatieve verstand zijn geworden tot kanalen waarin hij zijn verlangende zoeken (...) uitdrukt. Op een speciale manier heeft de wijsbegeerte zich dit streven eigen gemaakt, en met haar middelen en overeenkomstig haar wetenschappelijke mogelijkheden aan dit universele menselijke streven uitdrukking gegeven.

"Alle mensen verlangen te weten"; Aristoteles, Metafysica. I, 1 voorwerp van dit verlangen is de waarheid. Zelfs het leven van alledag laat zien hoezeer iedereen erin geïnteresseerd is te ontdekken hoe, boven het alleen maar gehoorde woord uit, de dingen in waarheid zijn. De mens is het enige wezen in de hele zichtbare schepping dat niet alleen in staat is om te weten, maar ook weet heeft van dit weten; daarom stelt hij belang in de feitelijke waarheid van hetgeen voor hem zichtbaar is. De mens kan niet oprecht ongeïnteresseerd zijn in de waarheid van zijn kennis. Wanneer hij ontdekt dat zij vals is, verwerpt hij haar; wanneer hij daarentegen de waarheid ervan kan vaststellen, is hij tevreden. Dat is de leer van de H. Augustinus, wanneer hij schrijft: "Ik heb velen ontmoet, die anderen wilden bedriegen, maar niemand die bedrogen wilde worden". H. Augustinus, Belijdenissen, Confessiones. X, 23, 33: CCL 27, 173. Terecht geldt de mens dán als volwassen, wanneer hij met eigen middelen kan onderscheiden tussen echt en vals, door zijn oordeel te vormen over de objectieve werkelijkheid van de dingen. Hier ligt de oorzaak van veel onderzoeken, vooral op het gebied van de natuurwetenschappen, die in de laatste eeuwen zulke belangrijke resultaten hebben opgeleverd en die daarmee een echte vooruitgang van de hele mensheid hebben bevorderd. Niet minder belangrijk dan het onderzoek op theoretisch gebied is het praktische. Want door zijn morele handelen slaat de menselijke persoon, als hij handelt overeenkomstig zijn vrije en juist gestemde wil, de weg van de gelukzaligheid in en streeft hij naar volmaaktheid. Ook in dit geval gaat het om de waarheid. Deze overtuiging heb ik in de encycliek H. Paus Johannes Paulus II - Encycliek
Veritatis Splendor
Over kerkelijke moraalleer
(6 augustus 1993)
onderstreept: "Moraal zonder vrijheid bestaat niet... Als er voor de mens het recht bestaat op zijn weg van zoeken naar waarheid gerespecteerd te worden, dan gaat daar nog aan vooraf de voor ieder zwaarwegende morele verplichting om de waarheid te zoeken en de eenmaal erkende waarheid vast te houden." H. Paus Johannes Paulus II, Encycliek, Over kerkelijke moraalleer, Veritatis Splendor (6 aug 1993), 34 Het is dus nodig dat de aanvaarde en in het eigen leven gevolgde waarden waar zijn, omdat alleen ware waarden de menselijke persoon door de verwerkelijking van zijn natuur kunnen voltooien. Deze waarheid van de waarden vindt de mens niet door zich in zichzelf op te sluiten, maar door zich open te stellen om ze ook aan te nemen in de dimensies die boven hem uitgaan. Dat is een wezenlijke voorwaarde, opdat eenieder zichzelf kan worden en kan groeien als een volwassen, rijpe persoon.

De waarheid presenteert zich bij de mens aanvankelijk in de vorm van een vraag: heeft het leven een zin? Waarheen leidt het? Op het eerste gezicht zou het bestaan van de mens als persoon volkomen zinloos kunnen lijken. Je hoeft er geen wijsgeren van het ongerijmde bij te halen, of de provocerende vragen in het boek Job, om aan de zin van het leven te twijfelen. De dagelijkse ervaring van eigen en andermans leed, het zien van zoveel feiten die in het licht van de waarheid onverklaarbaar lijken, volstaan om onontkoombaar een zo dramatische vraag als die naar de zin te stellen. Vgl. H. Paus Johannes Paulus II, Apostolische Brief, Over de christelijke zin van het menselijke lijden, Salvifici doloris (11 feb 1984), 9 Daarbij komt dat de eerste absoluut zekere waarheid van ons bestaan, buiten het feit dát we bestaan, de onvermijdelijkheid van onze dood is. Gegeven dit verontrustende feit is het zoeken naar een volledig antwoord onontkoombaar. Ieder wil - en moet - de waarheid over zijn einde kennen. Hij wil weten, of de dood het definitieve einde van zijn bestaan is, óf of er nog iets is dat over de dood heen reikt; of hij mag hopen op een voortbestaan of niet. Niet zonder reden heeft het wijsgerige denken zijn beslissende oriëntering gekregen van de dood van Socrates, en is het meer dan tweeduizend jaar lang daardoor getekend. Het is dus absoluut geen toeval dat in het licht van het feit van de dood de filosofen zich steeds weer met dit probleem, samen met de vraag naar de zin van het leven en de onsterfelijkheid, hebben beziggehouden.
Niemand, de wijsgeer zo min als de gewone mens, kan deze vragen ontlopen. Van het antwoord daarop hangt een beslissende etappe van de zoektocht af: of het mogelijk is, te komen tot een universele en absolute waarheid of niet. Op zich blijkt iedere waarheid, ook deelwaarheid, als ze werkelijk waarheid is, universeel. Wat waar is, moet voor allen en voor altijd waar zijn. Buiten deze universaliteit zoekt de mens echter naar een absolutum dat aan heel zijn zoeken en speuren antwoord en zin kan geven: iets ultiems, dat de oorzaak van iedere zaak zal blijken. Met andere woorden: hij zoekt naar een definitieve verklaring, naar een hoogste waarde, waarboven er geen verdere vragen of verwijzingen zijn of kunnen zijn. Hypothesen kunnen de mens fascineren, maar ze bevredigen hem niet. Er komt voor allen een moment waarop ze, of ze het toegeven of niet, de behoefte hebben om hun bestaan te verankeren in een als definitief erkende waarheid, die een zekerheid brengt die niet meer onderworpen is aan de twijfel.

De filosofen hebben in de loop der eeuwen geprobeerd zo'n waarheid te ontdekken en uit te drukken, door denksystemen en -scholen in het leven te roepen. Maar boven die wijsgerige systemen uit zijn er nog andere uitdrukkingsvormen, waarin de mens zijn 'filosofie' vorm probeert te geven: daarbij gaat het om persoonlijke overtuigingen of ervaringen, om familie- of culturele tradities of om levensprogramma's, waar men zich toevertrouwt aan het gezag van een leraar. Uit elk van deze verschijnselen spreekt steeds de levendige wens om te komen tot de zekerheid van de waarheid en haar absolute waarde.

Document

Naam: FIDES ET RATIO
Over de verhouding van Geloof en Rede
Soort: H. Paus Johannes Paulus II - Encycliek
Auteur: H. Paus Johannes Paulus II
Datum: 14 september 1998
Copyrights: © 1998 - Colomba
Bewerkt: 27 juni 2020

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Inhoudsopgave van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2020, Stg. InterKerk, Schiedam