• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x
Kennis berust volgens het Oude Testament niet alleen op zorgvuldige waarneming van de mens, de wereld en de geschiedenis, maar veronderstelt ook een voortdurende relatie met het geloof en met de inhoud van de openbaring. Hier liggen ook de uitdagingen, waarvoor het uitverkoren volk zich geplaatst zag en waarop het heeft geantwoord. Bij het nadenken over deze situatie waarin hij zich bevond, heeft de bijbelse mens ontdekt dat hij zichzelf alleen begrijpen kan voorzover hij 'in relatie staat': in relatie met zichzelf, met het volk, met de wereld, met God. Deze opening voor het mysterie, die tot hem kwam door de openbaring, was tenslotte voor hem de bron van een ware kennis die zijn verstand liet binnengaan in het rijk van het oneindige, waardoor hij tot dan toe ongedachte mogelijkheden tot inzicht kreeg.

De inspanning van het onderzoek was voor de schrijver niet vrij van de moeite die de confrontatie met de grenzen van het verstand kost. Dat blijkt bijvoorbeeld uit de woorden waarmee het Boek der Spreuken de toestand van uitputting beschrijft die optrad bij de poging, de geheimenisvolle plannen van God te begrijpen Vgl. Spr. 30, 1-6 . De gelovige is echter ondanks de beproeving niet verslagen. De kracht om zijn weg naar de waarheid te vervolgen, put hij uit de zekerheid dat God hem als "onderzoeker" heeft geschapen. Vgl. Pred. 1, 13 , die de opdracht heeft om ondanks de voortdurende beproeving van de twijfel, niets onbeproefd te laten. Doordat hij steunt op God blijft hij steeds en overal gericht op het schone, goede en ware.

De heilige Paulus helpt ons in het eerste hoofdstuk van zijn brief aan de Romeinen de overweging van de wijsheidsboeken in hun diepte beter te waarderen. De apostel ontwikkelt een wijsgerige redenering in de taal van het volk en brengt daarmee een diepe waarheid tot uitdrukking: door de schepping kunnen de 'ogen van de rede' tot kennis van God komen. Want door de schepselen geeft Hij het verstand de intuïtie van zijn 'macht' en zijn 'godheid' Vgl. Rom. 1, 20 . Het menselijk verstand krijgt dus het vermogen toegekend dat welhaast boven zijn natuurlijke grenzen uit schijnt te stijgen: niet alleen dat het vanaf het moment waarop het er kritisch over kan denken, niet meer verbannen is naar de zintuiglijke kennis; ook door het redeneren over de zintuiglijke waarnemingen kan het doordringen tot de oorzaak, die aan het begin van elke zintuiglijk waarneembare werkelijkheid staat. In wijsgerige vaktaal zouden we kunnen zeggen, dat in de belangrijke tekst het metafysische vermogen van de mens wordt bevestigd.

De apostel is ervan overtuigd dat in het oorspronkelijke scheppingsplan het vermogen van de mens voorzien was om de wereld van de zintuigen gemakkelijk te overstijgen om tot de oorsprong van alles te geraken: de Schepper. Als gevolg van de ongehoorzaamheid, waardoor de mens volledig en absoluut onafhankelijk wilde worden van zijn Schepper, is dit gemakkelijke opstijgen naar de Schepper-God verloren gegaan.

Het boek Genesis beschrijft aanschouwelijk deze toestand van de mens, wanneer het vertelt dat God hem in de hof van Eden plaatste, in welks midden "de boom van de kennis van goed en kwaad" stond (Gen. 2, 17). Het symbool is duidelijk: de mens was niet in staat om uit zichzelf te onderscheiden en te beslissen wat goed en wat kwaad was, maar moest zich beroepen op een hoger beginsel. Verblinding door trots verleidde onze stamouders tot de bedrieglijke gedachte dat ze soeverein en onafhankelijk waren en dat ze zonder de van God komende kennis konden. In hun oerongehoorzaamheid trokken ze iedere man en vrouw mee en brachten het verstand wonden toe, die van dan af de weg naar de volle waarheid zouden belemmeren. Het menselijke vermogen om de waarheid te kennen werd sindsdien belemmerd door de afwijzing van Hem die bron en oorsprong van de waarheid is. Weer is het de apostel die uiteenzet, hoe door de zonde de gedachten van de mens 'ijdel' geworden zijn en hoe hun overwegingen misvormd en verkeerd georiënteerd gebleken zijn Vgl. Rom. 1, 21-22 . De ogen van de rede waren nu niet meer in staat helder te zien: het verstand werd steeds meer de gevangene van zichzelf. De komst van Christus was de heilsgebeurtenis, die het verstand uit zijn zwakheid verloste en bevrijdde van de boeien waarin het zichzelf had gevangen.

De verhouding van de christen tot de wijsbegeerte verlangt daarom een diepgaande onderscheiding. In het Nieuwe Testament, vooral in de brieven van de H. Paulus, komt één feit duidelijk aan het licht: de tegenstelling tussen de "wijsheid van deze wereld" en de in Jezus Christus geopenbaarde wijsheid van God. De diepgang van de geopenbaarde wijsheid verbreekt de cirkel van onze gewone denkschema's, die geenszins in staat zijn, haar adequaat weer te geven.

Het begin van de Eerste Brief aan de Korintiërs brengt dit dilemma radicaal naar voren. De gekruisigde Zoon van God is de historische gebeurtenis waarop iedere poging van het verstand stukloopt om met puur menselijke redenering een bevredigende verklaring te geven voor de zin van het bestaan. Het ware knooppunt dat de wijsbegeerte uitdaagt is de dood van Jezus Christus aan het kruis. Want hier is iedere poging, het heilsplan van de Vader te herleiden tot puur menselijke logica, tot mislukken gedoemd. "Waar is een wijze? Waar een schriftgeleerde? Waar een woordvoerder in deze wereld? Heeft God de wijsheid van de wereld niet tot dwaasheid gemaakt?" (1 Kor. 1, 20), vraagt de apostel nadrukkelijk. Voor dat wat God wil verwezenlijken, is niet langer de wijsheid van de wijze mens voldoende, maar er is een bewuste stap naar het aanvaarden van iets volledig nieuws nodig: "God heeft het dwaze in de wereld uitgekozen om de wijzen te schande te maken (...) En het nederige in de wereld en het verachte heeft God uitgekozen: dat wat niets is, omdat wat iets is te vernietigen" (1 Kor. 1, 27-28). De menselijke wijsheid weigert in haar zwakheid de voorwaarde voor haar kracht te zien; maar de H. Paulus aarzelt niet om te benadrukken: "Wanneer ik zwak ben, dan ben ik sterk" (2 Kor. 12, 10). De mens kan niet begrijpen, hoe de dood bron van leven en liefde zou kunnen zijn, maar God heeft juist dat voor de onthulling van het geheim van zijn heilsplan uitgekozen, wat het verstand beschouwt als 'dwaasheid' en 'ergernis'. Met behulp van de taal van de wijsgeren van zijn tijd bereikt Paulus het hoogtepunt van zijn leer en van de paradox, die hij wil uitdrukken: "God heeft in de wereld dat wat niets is, uitgekozen om dat wat iets is te vernietigen" (1 Kor. 1, 28). De apostel schroomt niet om de radicaalste taal die de wijsgeren in hun beschouwingen over God aanwendden, te gebruiken, om het wezen van de onverschuldigde liefde uit te drukken, die zich in het kruis van Jezus Christus heeft geopenbaard. De rede kan het geheim van de liefde dat het kruis omvat, niet elimineren; in plaats daarvan kan het kruis de rede het laatste antwoord geven, waarnaar zij zoekt. Niet de wijsheid van de woorden, maar het woord van de wijsheid biedt de H. Paulus als criterium van de waarheid en daarmee van het heil.

De wijsheid van het kruis overwint zo elke culturele grens, die men haar wil stellen, en verplicht tot het zich openstellen voor de universaliteit van de waarheid, waarvan zij de draagster is. Wat een uitdaging voor ons verstand, en wat een voordeel haalt het eruit, wanneer het zich eraan overgeeft. De wijsbegeerte die reeds uit zichzelf in staat is de onophoudelijke zelfoverstijging van de mens naar de waarheid, te erkennen, kan zich met de hulp van het geloof openstellen om de 'dwaasheid' van het kruis te aanvaarden als de echte kritiek op hen die zichzelf wijsmaken dat zij de waarheid bezitten, terwijl ze haar vasthouden in de ondiepten van hun systeem. De verhouding van geloof en wijsbegeerte stoot in de verkondiging van de gekruisigde en opgestane Christus op de klip waarop ze schipbreuk kan lijden. Maar achter de klip kan ze uitmonden in de oneindige zee van de waarheid. Hier blijkt duidelijk de grens tussen verstand en geloof, maar ook wordt er de ruimte zichtbaar waar beide elkaar kunnen ontmoeten.

Document

Naam: FIDES ET RATIO
Over de verhouding van Geloof en Rede
Soort: H. Paus Johannes Paulus II - Encycliek
Auteur: H. Paus Johannes Paulus II
Datum: 14 september 1998
Copyrights: © 1998 - Colomba
Bewerkt: 27 juni 2020

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Inhoudsopgave van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2020, Stg. InterKerk, Schiedam