• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x
Hoe diep de samenhang is tussen geloofs- en verstandskennis, wordt reeds in de heilige Schrift met verbazend duidelijke aanwijzingen getoond. Vooral de wijsheidsboeken getuigen daarvan. Wat indruk maakt bij het zonder vooringenomenheid lezen van deze bladzijden, is het feit dat in deze teksten niet alleen het geloof van Israël vervat is, maar ook de rijkdom van reeds verdwenen beschavingen en culturen. Als volgens een bijzonder plan laten Egypte en Mesopotamië weer hun stem horen, en veel gemeenschappelijke trekken van de oud-oriëntaalse culturen worden op deze bladzijden, die zo rijk zijn aan innerlijke intuïties van een unieke diepte, weer ten leven geroepen.

Het is geen toeval dat de heilige schrijver de wijze mens, die hij zou willen beschrijven, presenteert als degene die de waarheid bemint en die naar haar zoekt: "Gelukkig de man die zich op de wijsheid toelegt en die eropuit is om inzicht te krijgen; die de wegen van de wijsheid in zijn hart overdenkt en haar geheimen probeert te ontdekken; die op weg gaat en haar als een speurder nazit en op de loer ligt waar zij heengaat; die door haar ramen gluurt en aan haar deuren staat te luisteren; die dichtbij haar woning kampeert en zijn tentpin in haar muren slaat; die zijn tent vlak naast haar opzet en zijn intrek neemt op een plek waar het goed is. Hij plaatst zijn kinderen onder haar beschutting en hij woont onder haar takken. Door haar wordt hij tegen de hitte beschut en onder haar pracht vindt hij rust." (Sir. 14, 20-27)

Zoals men ziet is voor de geïnspireerde schrijver de hartenwens naar kennis een kenmerk dat alle mensen verenigt. Dankzij het denkvermogen is aan allen, gelovigen en niet-gelovigen, de mogelijkheid gegeven om "te putten uit het diepe water" van de kennis. Vgl. Spr. 20, 5 . In het oude Israël was het kennen van de wereld en haar verschijnselen zeker niet het resultaat van abstractie, zoals dat geldt voor de Ionische wijsgeren of de Egyptische wijzen. Nog minder begreep de goede Israëliet zijn kennis op de wijze van de moderne wereld die meer en meer ertoe neigt om verschillende soorten van kennis te onderscheiden. Desondanks heeft de wereld van de bijbel haar oorspronkelijke bijdrage laten vloeien in de grote zee van de kennisleer.

Wat voor soort bijdrage? De bijzonderheid die de bijbeltekst kenmerkt ligt in de overtuiging dat er tussen verstand- en geloofskennis een diepe, onscheidbare eenheid bestaat. De wereld en wat er daarin gebeurt, net als de geschiedenis en de wisselende wederwaardigheden van het volk zijn werkelijkheden, die met de middelen van het verstand beschouwd, ontleed en beoordeeld worden, zonder dat echter het geloof bij dit proces ooit afzijdig blijft. Het grijpt niet in om de autonomie van het verstand teniet te doen of zijn speelruimte te beperken, maar alleen om het voor de mens begrijpelijk te maken, dat de God van Israël in deze gebeurtenissen zichtbaar wordt en handelt. De wereld en de historische gebeurtenissen kunnen alleen grondig worden gekend wanneer men zich tegelijkertijd bekent tot het geloof in de in haar werkende God. Het geloof scherpt de inwendige blik doordat het de rede opent voor de ontdekking van de actieve aanwezigheid van de Voorzienigheid in de stroom der gebeurtenissen. Een zin uit het Boek der Spreuken is in deze samenhang veelbetekenend: "Het hart van de mens bedenkt zijn weg, maar de Heer leidt zijn schreden" (Spr. 16, 9). Men zou kunnen zeggen dat de mens met het licht van het verstand zijn weg kan kennen, maar hem dan alleen snel en zonder hindernissen ten einde gaan, wanneer hij met een juist gestemd hart zijn zoeken kadert in het raam van het geloof. Verstand en geloof laten zich daarom niet scheiden zonder dat het voor de mens onmogelijk wordt, zichzelf, de wereld en God op passende wijze te kennen.

Er is dus geen reden voor het bestaan van een soort concurrentiestrijd tussen verstand en geloof.: het een bevat het ander, en beide hebben hun eigen ruimte om zich te verwezenlijken. Opnieuw is het het Boek der Spreuken dat ons in deze richting wijst met de uitroep: "Het is Gods eer, een zaak te verhullen, maar de eer van de koning is het, een zaak uit te zoeken" (Spr. 16, 9). God en de mens zijn in hun respectieve werelden in een unieke relatie gesteld. In God heeft alles zijn oorsprong, in Hem bevindt zich de volheid van het mysterie, en dat maakt zijn eer uit; aan de mens is het, met zijn verstand te zoeken naar de waarheid, en daarin bestaat zijn adel. Een ander steentje voor dit mozaïek wordt door de Psalmist aangedragen, wanneer hij bidt: "Hoe moeilijk zijn voor mij, o God, uw gedachten, hoe geweldig is hun aantal! Wilde ik ze tellen, het zouden er meer zijn dan het zand. Zou ik aan het einde komen, dan zou ik nog steeds bij U zijn" (Ps. 139, 17-18). Het streven naar kennis is zo groot en is verbonden met een dergelijke dynamische kracht, dat het hart van de mens ondanks de ervaring van onoverschrijdbare grenzen verlangt naar de oneindige rijkdom, die zich aan gene zijde bevindt, omdat het weet dat daar het bevredigende antwoord op elke nog onbeantwoorde vraag rust.
We kunnen dus zeggen, dat Israël in staat was, met zijn reflecties voor het verstand de weg naar het mysterie open te leggen. In Gods openbaring kon het de diepten peilen van alles wat het met het verstand tevergeefs trachtte te bereiken. Uitgaande van deze diepste vorm van kennis heeft het uitverkoren volk begrepen dat het verstand enkele grondregels in acht moet nemen om zijn eigen aard beter te verhelderen. De eerste is dat het kennen van de mens een weg is die geen stilstand kent; de tweede komt voort uit het besef dat men zich op deze weg niet mag begeven met de hoogmoed van degene die meent dat alles de vrucht is van persoonlijke verwerving; een derde regel steunt op de 'vreze Gods': het verstand moet Gods soevereine transcendentie en tegelijkertijd zijn zorgende liefde bij het besturen van de wereld erkennen.

Wanneer de mens van deze regels afwijkt loopt hij het gevaar van mislukking en komt hij tenslotte in de toestand van de 'dwaas'. Voor de bijbel houdt dwaasheid een bedreiging van het leven in. Want de dwaas maakt zich wijs, dat hij veel dingen weet, maar is in werkelijkheid niet in staat, de blik te concentreren op de werkelijk belangrijke dingen. Dat belet hem, zijn verstand te ordenen Vgl. Spr. 1, 7 en tegenover zichzelf en zijn omgeving een juiste houding aan te nemen. Als hij dan zo ver gaat, te beweren: "Er is geen God" Vgl. Ps. 14, 1 , onthult hij volkomen helder hoe ontoereikend zijn weten is en hoe ver hij af staat van de volle waarheid over de dingen, hun oorsprong en hun bestemming.

Hoofdstuk 13 van het Boek der Wijsheid bevat enkele belangrijke teksten die verder licht werpen op dit thema. Daarin spreekt de schrijver over God, die zich ook laat kennen door de natuur. In de Oudheid viel de studie van de natuurwetenschappen grotendeels samen met de wijsgerige studie. Nadat de heilige tekst heeft onderstreept dat de mens met zijn rede in staat is, "de opbouw van de wereld en het werken der elementen, (...) de kringloop van de jaren en de positie van de sterren, de natuur van de dieren en de wildheid van roofdieren" te begrijpen (Wijsh. 7, 17.19-20), in één woord, dat hij in staat is te filosoferen, zet hij een zeer opmerkelijke stap naar voren. Terwijl de schrijver het Griekse wijsgerige denken oppakt, waarnaar hij in deze context klaarblijkelijk verwijst, verklaart hij, dat men juist door verstandig nadenken over de natuur weer bij de Schepper terug kan komen: "Want uit de grootheid en schoonheid van de schepselen ziet men door vergelijking hun Schepper" (Wijsh. 13, 5). Er wordt dus een eerste trede van de goddelijke openbaring erkend, die bestaat uit het wonderbaarlijke "boek van de natuur"; als de mens dit boek leest met de middelen die aan zijn verstand eigen zijn, dan kan hij tot kennis van de Schepper komen. Wanneer de mens met zijn verstand God, de Schepper van alles, niet kan kennen, dan ligt dat niet zozeer aan het ontbreken van een passend middel als wel aan de hindernis die hem op de weg gelegd is door zijn vrije wil en zijn zonden.
In dit licht wordt het verstand gewaardeerd, maar niet overgewaardeerd. Want alles wat het bereikt, kan wel waar zijn, maar krijgt pas zijn volle betekenis als zijn inhoud wordt geplaatst in het wijdere perspectief van het geloof: "De Heer leidt de schreden van ieder. Hoe zou de mens zijn weg kunnen begrijpen?" (Spr. 20, 24). Volgens het Oude Testament bevrijdt het geloof dus de rede omdat het haar mogelijk maakt haar kennisobject consequent te bereiken en het in die hoogste orde een plaats te geven waar alles zijn betekenis krijgt. In één woord: de mens komt door het verstand tot de waarheid, omdat hij tegelijk met het geloof de diepe zin van alles, en in het bijzonder de zin van zijn eigen bestaan ontdekt. Terecht vereenzelvigt daarom de schrijver de vrees voor God met het begin van de ware kennis: "De vrees voor de Heer is het begin van de kennis" (Spr. 1, 7) Vgl. Sir. 1, 14 .

Document

Naam: FIDES ET RATIO
Over de verhouding van Geloof en Rede
Soort: H. Paus Johannes Paulus II - Encycliek
Auteur: H. Paus Johannes Paulus II
Datum: 14 september 1998
Copyrights: © 1998 - Colomba
Bewerkt: 27 juni 2020

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Inhoudsopgave van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2020, Stg. InterKerk, Schiedam