• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x

Men mag niettemin niet vergeten dat de openbaring tot vandaag toe iets mysterievols blijft. Zeker openbaarde Jezus door zijn leven het aanschijn van de Vader, want Hij is immers gekomen "om Gods geheimen te verkondigen" 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Goddelijke openbaring, Dei Verbum (18 nov 1965), 4; maar de kennis die wij van dit aanschijn hebben, is steeds getekend door het fragmentarische en beperkte van ons begrijpen. Alleen het geloof staat het ons toe in de intimiteit van het mysterie binnen te gaan, op een wijze die het ons mogelijk maakt het samenhangend te vatten.

Het concilie leert, dat "aan de zich openbarende God de gehoorzaamheid van het geloof betracht moet worden" 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Goddelijke openbaring, Dei Verbum (18 nov 1965), 5. Met deze korte maar belangrijke uitspraak wordt gewezen op een fundamentele waarheid van het christendom. Daarin heet het vooral dat het geloof een gehoorzaam antwoord aan God is. Dat veronderstelt echter, dat Deze in zijn godheid, transcendentie en hoogste vrijheid erkend wordt. De God die zich laat kennen, is in het gezag van zijn absolute transcendentie ook de bron van de geloofwaardigheid van wat Hij openbaart. Door het geloof geeft de mens zijn instemming met dit goddelijk getuigenis. Dat wil zeggen dat hij geheel en al de waarheid erkent van hetgeen geopenbaard werd, omdat God zelf daarvoor garant staat. Deze aan de mens geschonken en door hem niet opeisbare waarheid voegt zich in het kader van de interpersoonlijke communicatie. Ze zet het verstand ertoe aan, zich voor haar open te stellen en haar diepere betekenis aan te nemen. Daarom is de act, waarmee men zich aan God toevertrouwt, door de Kerk steeds beschouwd als een fundamenteel beslissingsmoment, waarin de hele persoon is betrokken. Rede en wil zetten tot het uiterste hun geestelijke natuur in, om aan het subject de voltrekking van een act mogelijk te maken waarin de persoonlijke vrijheid in de volle zin beleefd wordt 1e Vaticaans Concilie, 3e Zitting - Dogmatische Constitutie over het Katholieke Geloof, Dei Filius (24 apr 1870), 10. Het Eerste Vaticaans Concilie, waarnaar het citaat hierboven verwijst, leert dat de geloofsgehoorzaamheid de inzet van het verstand en de wil vraagt: "Aangezien de mens volledig afhankelijk is van God als zijn Schepper en Heer, en de geschapen rede geheel onderworpen is aan de ongeschapen waarheid, zijn wij verplicht in het geloof aan de zich openbarende God de volle gehoorzaamheid van het verstand en van de wil te betonen.". In het geloof is de vrijheid dus niet simpelweg aanwezig: ze is vereist. Ja, het geloof maakt het ieder mogelijk zijn vrijheid zo goed mogelijk tot uitdrukking te brengen. Met andere woorden: de vrijheid verwerkelijkt zich niet in beslissingen tegen God. Hoe zou immers de weigering om zich open te stellen voor dat wat de zelfverwerkelijking mogelijk maakt, als een geloofwaardige toepassing van de vrijheid gezien kunnen worden? In het geloof voltrekt de mens de meest betekenisvolle act van zijn bestaan; hier is het dat de vrijheid de zekerheid van de waarheid bereikt en besluit in haar te leven.

Ook de in de openbaring aanwezige tekens komen het verstand, dat het geheim tracht te verstaan, te hulp. Ze dienen ertoe om grondiger naar de waarheid te zoeken en het de rede mogelijk te maken ook binnen het mysterie zelfstandig op verkenning te gaan. Ze geven enerzijds aan het verstand groter gewicht, omdat zij het mogelijk maken dat het verstand met de middelen die het ten dienste staan, waarop het terecht trots is, het geheim van binnenuit doorgrondt; anderzijds zijn de tekens voor het verstand een aansporing om verder te gaan dan hun aard van tekens, om de diepere betekenis die zij dragen, te begrijpen. In die tekens is dus reeds een verborgen waarheid aanwezig, waarnaar de rede wordt verwezen en waarvan zij niet kan afzien zonder dat zij de haar aangeboden tekens zelf vernietigt.

Er wordt ons in zekere zin gewezen op het sacramentele karakter van de openbaring en in het bijzonder op het teken van de eucharistie, waar de onlosmakelijke eenheid tussen de werkelijkheid en haar betekenis het mogelijk maakt, de diepte van het mysterie te bevatten. Christus is in de eucharistie waarlijk aanwezig en levend, Hij werkt en handelt door zijn Geest, maar zoals de H. Thomas juist gezegd heeft: "Je ziet niet, je begrijpt niet, maar het geloof bevestigt je voorbij de natuur. Wat daar verschijnt is een teken: het verbergt in het mysterie verheven werkelijkheden". Sequentie op het Feest van het Allerheiligste Lichaam en Bloed van Christus. Hem valt de filosoof Pascal bij: "Zoals Jezus Christus onder de mensen onherkend is gebleven, zo onderscheidt zijn waarheid zich uiterlijk niet van de algemene opinies. En zo blijft de eucharistie onder het gewone brood." Blaise Pascal, Gedachten, Pensées. 789 (uitg.L.Brunschvicg).

De geloofskennis heft het mysterie dus niet op: ze maakt het alleen inzichtelijker en openbaart het als een voor het leven van de mens wezenlijk feit: "Christus de Heer (...) openbaart juist in de openbaring van het geheim van de Vader en van zijn liefde, de mens zelf ten volle aan de mens en ontsluit voor hem zijn hoogste roeping" 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk in de wereld van deze tijd, Gaudium et Spes (7 dec 1965), 22 , namelijk deel te hebben aan het geheim van het drievuldige leven van God Vgl. 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Goddelijke openbaring, Dei Verbum (18 nov 1965), 2.

De leer van de beide Vaticaanse Concilies legt ook voor het filosofische kennen een horizon van echte vernieuwing open. De openbaring brengt binnen de geschiedenis een referentiepunt waarvan de mens niet kan afzien, als hij ertoe wil komen het geheim van zijn bestaan te begrijpen; anderzijds verwijst deze kennis voortdurend naar het mysterie van God, dat het verstand niet volledig kan doorgronden, maar alleen in geloof ontvangen en aannemen. Tussen deze beide momenten heeft de rede haar bijzondere plaats die het haar mogelijk maakt te onderzoeken en te begrijpen, zonder door iets anders ingeperkt te worden dan door haar eindigheid voor het oneindige mysterie van God.

De openbaring brengt dus binnen onze geschiedenis een universele en laatste waarheid, die het menselijk verstand ertoe uitdaagt, nooit te blijven staan; ja, ze spoort hem aan de ruimte van zijn kennis steeds uit te breiden, totdat hij beseft dat hij zonder verzuim alles wat in zijn macht stond heeft gedaan. Bij deze overdenking komt ons een van de spiritueelste en belangrijkste scheppende persoonlijkheden van de mensengeschiedenis te hulp, een referentiepunt voor zowel de wijsbegeerte alsook de theologie: de heilige Anselmus. In zijn Proslogion schrijft de bisschop van Kantelberg: "Terwijl ik dikwijls vol ijver mijn gedachten richtte op dit probleem, scheen het soms alsof ik datgene, waarnaar ik zocht, reeds kon vatten; een andere keer echter gleed het volledig weg uit mijn denken; tot ik tenslotte de hoop, het ooit te kunnen vinden, verloor en het zoeken naar iets dat zich onmogelijk liet vinden, wilde opgeven. Wanneer ik die gedachten echter uit mij wilde verdrijven, opdat zij mijn geest niet zouden bezighouden en mij zouden afhouden van andere problemen, waaruit ik enig gewin kon halen, dan kwamen zij op met steeds grotere opdringerigheid. (...) Maar wat ben ik armzalige, een van Eva's zonen, ver van God, begonnen te ondernemen, en wat is mij gelukt? Waarheen ging mijn neiging en waar ben ik terechtgekomen? Waar streefde ik naar en wat verlang ik nog steeds? (...) O Heer, U bent niet alleen het grootste dat men kan denken (non solum es quo maius cogitari nequit), maar U bent groter dan alles wat men kan denken (quiddam maius quam cogitari possit) (...) Als U niet zo was, zou men zich iets groters dan U kunnen voorstellen, maar dat is onmogelijk." H. Anselmus van Canterbury, Proslogion seu Alloquium de Dei existentia. Prooemium en nr. 1, 15: PL 158, 223-224; 226; 235.

De waarheid van de christelijke openbaring, die wij in Jezus van Nazaret ontmoeten, maakt het iedereen mogelijk het 'mysterie' van het eigen leven aan te nemen, zij respecteert ten diepste de autonomie van het schepsel en zijn vrijheid, verplicht het echter in naam van de waarheid, zich open te stellen voor het transcendente. Hier bereikt de verhouding van vrijheid en waarheid haar hoogtepunt en begrijpt men volledig het woord van de Heer: "Dan zult u de waarheid kennen, en de waarheid zal u vrijmaken" (Joh. 8,32).

De christelijke openbaring is de ware leidstér voor de mens tussen de druk van een immanentistische denkwijze en de beperkingen van een technocratische logica; zij is de uiterste mogelijkheid die God biedt om het oorspronkelijke plan van de liefde, dat met de schepping begonnen is, volledig terug te vinden. Aan de mens die verlangt naar kennis van het ware wordt, in zoverre hij nog in staat is de blik boven zichzelf en zijn eigen plannen uit te verheffen, de mogelijkheid gegeven de natuurlijke verhouding tot zijn leven te herwinnen doordat hij de weg van de waarheid gaat. De woorden uit het boek Deuteronomium kan men goed op deze situatie toepassen: "De geboden die Ik u vandaag geef, zijn niet te zwaar voor u en zij liggen niet buiten uw bereik. Ze zijn niet in de hemel en u hoeft niet te zeggen: 'Wie zal naar de hemel gaan om ze voor ons te halen en ze ons te laten horen, zodat wij ze kunnen volbrengen?' Ze zijn niet overzee en u hoeft niet te zeggen: 'Wie zal de zee oversteken om ze voor ons te halen en ze ons te laten horen, zodat wij ze kunnen volbrengen?' Nee, het woord is dichtbij u, in uw mond en in uw hart. U kunt het dus volbrengen." (Deut. 30, 11-14). Bij deze tekst sluit de heilige Augustinus, wijsgeer en theoloog, aan met de beroemde gedachte: "Noli foras ire, in te ipsum redi. In interiore homine habitat veritas" (Ga niet naar buiten, keer tot jezelf terug. In het binnenste van de mens woont de waarheid). H. Augustinus, De vera religione. XXXIX, 72: CCL 32, 234.

In het licht van deze beschouwingen komt een eerste conclusie naar boven: de waarheid, die de openbaring ons laat kennen, is niet de rijpe vrucht of het hoogtepunt van een door het verstand ontwikkeld denken. Ze verschijnt integendeel als iets onverschuldigds, wekt het denken op en verlangt om als uitdrukking van de liefde te worden aangenomen. Deze geopenbaarde waarheid is de in onze geschiedenis gelegde voorsmaak van die uiteindelijke en definitieve aanschouwing van God, die is voorbehouden aan hen die in Hem geloven of Hem met oprecht hart zoeken. Het laatste doel van het menselijke bestaan als persoon is dus studieobject van zowel de wijsbegeerte alsook de theologie. Beide tonen ons, zij het met verschillende middelen en inhouden, deze 'weg ten leven' (Ps. 16,11), die tenslotte, zoals het geloof ons zegt, uitkomt in de volle en eeuwigdurende vreugde van de aanschouwing van de drie-ene God.

Document

Naam: FIDES ET RATIO
Over de verhouding van Geloof en Rede
Soort: H. Paus Johannes Paulus II - Encycliek
Auteur: H. Paus Johannes Paulus II
Datum: 14 september 1998
Copyrights: © 1998 - Colomba
Bewerkt: 27 juni 2020

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Inhoudsopgave van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2020, Stg. InterKerk, Schiedam