• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x

Eerwaarde broeders in het bisschopsambt,
Groet en Apostolische Zegen!

Geloof en rede (Fides et Ratio) zijn als twee vleugels waarmee de menselijke geest zich verheft om de waarheid te beschouwen. Het streven om de waarheid te leren kennen en tenslotte Hemzelf te kennen heeft God de mensen in het hart gelegd, opdat hij, door Hem te kennen en te beminnen, ook tot de volledige waarheid over zichzelf kan komen Vgl. Ex. 33, 18 Vgl. Ps. 27, 8-9 Vgl. Ps. 63, 2-3 Vgl. Joh. 14, 8 Vgl. 1 Joh. 3, 2 .

Zowel in het Oosten alsook in het Avondland kan men een weg traceren, die in de loop van de eeuwen de mensheid in toenemende mate tot de ontmoeting en het gesprek met de waarheid geleid heeft. Een weg die zich - anders kon het immers niet - binnen de horizon van het zelfbewustzijn van de menselijke persoon heeft ontvouwen; hoe meer de mens de werkelijkheid en de wereld leert kennen, des te beter leert hij zichzelf kennen in zijn onvergelijkelijkheid, terwijl bij hem steeds indringender de vraag naar de betekenis van de dingen en van zijn eigen bestaan opkomt. Alles wat zich als voorwerp van onze kennis voordoet, wordt aldus zelf een deel van ons leven. Op de architraaf van de tempel van Delphi was de vermanende oproep uitgehouwen: "Ken jezelf!" - als getuigenis van een fundamentele waarheid die als minste regel door iedere mens moet worden aangenomen die zich binnen de schepping juist als "mens" wil onderscheiden, doordat hij zichzelf kent.

Overigens toont ons een eerste blik op de geschiedenis van de oudheid duidelijk dat in verscheidene streken van de aarde met heel verschillende culturen, op hetzelfde ogenblik dezelfde grondvragen opdoken, die de gang van het menselijke bestaan karakteriseren: Wie ben ik? Waar kom ik vandaan en waar ga ik heen? Waarom is er het kwade? Wat zal er na dit leven zijn? Deze vragen bevinden zich in de heilige geschriften van Israël, maar ze duiken ook op in de Veda's en ook in de Avesta; we vinden ze in de geschriften van Confucius en Lao-Tse alsook in de verkondiging van Tirthankara en bij Boeddha. Ze verschijnen ook in de gedichten van Homerus en in de tragedies van Euripides en Sophocles, alsook in de wijsgerige traktaten van Plato en Aristoteles. Het zijn vragen die hun gemeenschappelijke oorsprong hebben in de zoektocht naar zin, die de mens sedert de vroegste tijden in de ziel beroert: van het antwoord op deze vragen hangt inderdaad de richting af die het bestaan zal stempelen.

De Kerk is geen vreemdeling op deze zoektocht en kan dat ook helemaal niet zijn. Sinds de Paasdag waarop zij de laatste waarheid over het leven van de mens als geschenk heeft ontvangen, is zij tot pelgrim op de straten van de wereld geworden, om te verkondigen dat Jezus Christus "de Weg, de Waarheid en het Leven" is (Joh. 14, 6). Onder de verschillende diensten die zij de mensheid aan te bieden heeft, is er een die haar verantwoordelijkheid op heel bijzondere wijze doet blijken: de dienst aan de waarheid. H. Paus Johannes Paulus II, Encycliek, De Verlosser van de mensen, Redemptor Hominis (4 mrt 1979), 19. In mijn eerste encycliek Redemptor Hominis schreef ik: "Zo zijn wij deelachtig geworden aan deze profetische taak van Christus en krachtens diezelfde taak dienen wij samen met Hem de goddelijke waarheid in de Kerk. De verantwoordelijkheid voor deze waarheid betekent ook, dat wij haar liefhebben en zo nauwkeurig mogelijk trachten te begrijpen, om haar voor onszelf en de anderen beter toegankelijk te maken in haar volle heilskracht, haar schittering, in haar diepte en eenvoud tegelijk"; n.19 Deze zending maakt enerzijds de gelovige gemeenschap tot deelhebster aan het gemeenschappelijke streven dat de mensheid volbrengt om de waarheid te bereiken Vgl. 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk in de wereld van deze tijd, Gaudium et Spes (7 dec 1965), 16; anderzijds legt zij haar de verplichting op, zich te bekommeren om de verkondiging van de verworven zekerheden; dit echter in het besef dat iedere verworven waarheid steeds slechts een etappe is op de weg naar die volledige waarheid, die in de laatste openbaring van God zal worden onthuld: "Thans kijken wij in een spiegel en zien slechts raadselachtige omtrekken: dan echter zien wij van aangezicht tot aangezicht; thans ken ik onvolmaakt, dan echter zal ik door en door kennen". (1 Kor. 13, 12).
De mens bezit veel mogelijkheden om de vooruitgang in de kennis van de waarheid te bevorderen en zo zijn bestaan steeds menselijker te maken. Daaronder blinkt de filosofie uit, die er onmiddellijk toe bijdraagt de vraag naar de zin van het leven te stellen en het antwoord daarop te ontwerpen; zo vormt zij een van de voornaamste opgaven van de mensheid. Naar haar Griekse afleiding betekent het woord filosofie "liefde voor de wijsheid". Het ontstaan en de ontwikkeling van de wijsbegeerte valt inderdaad juist in de tijd toen de mens begonnen is, vragen te stellen over oorzaak en doel van de dingen. Ze laat op verschillende wijzen en in diverse vormen zien dat het streven naar de waarheid tot de natuur van de mens hoort. Het is een eigenschap die zijn verstand is aangeboren, naar de betekenis van de dingen te vragen, ook wanneer de in de loop der tijd gegeven antwoorden zich voegen in een perspectief dat duidelijk maakt dat de verschillende culturen waarin de mens leeft, elkaar aanvullen.

Het feit dat de wijsbegeerte een sterke invloed had op de vorming en ontwikkeling van de culturen van het Avondland, mag ons niet blind maken voor de invloed die ze op de bestaansvoorstellingen waaruit de Oriënt leeft, heeft uitgeoefend. Ieder volk bezit immers zijn eigen oerwijsheid die er als echte culturele rijkdom naar streeft, zich ook in puur wijsgerige vormen uit te drukken en tot rijpheid te komen. Hoezeer dat het geval is bewijst de omstandigheid dat een tot in onze dagen aanwezige grondvorm van wijsgerige kennis zelfs aanwijsbaar is in de postulaten die de verschillende nationale en internationale wetgevingen inspireren bij de regeling van het maatschappelijk leven.

Er moet echter beklemtoond worden dat hier achter één enkel begrip verschillende betekenissen schuilgaan. Daarom blijkt een verklarende uiteenzetting nodig. Aangespoord door het streven de laatste waarheid over het bestaan te ontdekken, probeert de mens die universele kennis te verwerven, die hem in staat stelt zichzelf beter te begrijpen en vooruit te komen in zijn zelfverwerkelijking. De fundamentele kennis komt voort uit de verbazing die bij hem opkomt door de beschouwing van de schepping; de mens wordt door verbazing gegrepen, zodra hij ontdekt dat hij deel is van de wereld en in betrekking met anderen staat, die op hem lijken en wier lot hij deelt. Hier begint de weg die hem dan zal leiden tot de ontdekking van steeds nieuwe horizonten van kennis. Zonder de verbazing zou de mens vervallen in de monotonie van de herhaling en zeer spoedig zou hij niet meer werkelijk als persoon kunnen bestaan.

Het aan de menselijke geest eigen vermogen tot speculatief denken leidt door zijn wijsgerige werk tot de ontwikkeling van een vorm van streng denken en aldus, door de logische consequentie van de uitspraken en de organische eenheid van hun inhoud, tot de opbouw van een systematische kennis. Dankzij dit proces werden in verschillende culturele omstandigheden en in verschillende perioden resultaten behaald die tot de uitwerking van echte denksystemen hebben geleid. Daardoor was men in de loop van de geschiedenis steeds weer blootgesteld aan de verleiding om één enkele stroming gelijk te stellen met het complete wijsgerige denken. Heel duidelijk treedt in deze gevallen echter een zekere "wijsgerige hoogmoed" op, die er aanspraak op maakt de uit zijn eigen perspectief voortkomende, onvolmaakte visie tot de alomvattende duiding van de werkelijkheid te maken. Feitelijk moet elk filosofisch systeem, ook als het zonder enige instrumentalissering in zijn volheid wordt erkend, voorrang geven aan het wijsgerige denken waaruit het voortkomt en dat het loyaal moet dienen.

Zo is het mogelijk om ondanks de veranderingen van de tijd en de vooruitgang van de kennis een kern van filosofische inzichten te erkennen, die in de geschiedenis van het denken steeds aanwezig zijn. Men denke, om een enkel voorbeeld te noemen, aan de beginselen van de non-contradictie, van de doelgerichtheid, van de oorzakelijkheid en ook aan de opvatting van de persoon als vrij en verstandelijk begaafd subject en aan zijn vermogen om God, de waarheid en het goede te kennen; verder denke men aan enkele morele principes die algemeen gedeeld worden. Deze en andere thema's geven aan dat er afgezien van de onderscheiden denkrichtingen een geheel van kennis bestaat, waarin men zoiets als een geestelijk erfgoed van de mensheid kan zien; net alsof we ons voor een impliciete wijsbegeerte bevinden, op grond waarvan iedereen zich ervan bewust is, deze beginselen, zij het in onduidelijke, niet doordachte vorm, te bezitten. Deze kennis zou, juist omdat zij op enigerlei wijze door allen gedeeld wordt, een soort referentiepunt van de verschillende wijsgerige scholen moeten zijn. Wanneer de rede in staat is, de eerste en algemene beginselen van het zijn te vatten en te formuleren en daarop op juiste wijze consequente, logische en ethische, conclusies te ontwikkelen, dan mag zij een 'rechte rede' of, zoals de antieke denkers haar noemden, orthos logos, recta ratio heten.

De Kerk van haar kant moet de inzet van de rede om doelen te bereiken, die het menselijk bestaan steeds waardiger maken, wel erkennen. Want zij ziet in de wijsbegeerte de weg om fundamentele waarheden te leren kennen, die de existentie van de mens betreffen. Tegelijkertijd beschouwt zij de wijsbegeerte als onontbeerlijke hulp om het begrip van het geloof te verdiepen en om de waarheid van het evangelie aan allen die haar nog niet kennen, mee te delen.

Aansluitend aan soortgelijke initiatieven van mijn voorgangers wil ook ik daarom de blik richten op dit bijzondere werk van de rede. Daartoe noopt mij de waarneming, dat vooral in onze tijd het zoeken naar de laatste waarheid vaak vertroebeld blijkt. De moderne wijsbegeerte heeft zonder twijfel de grote verdienste dat zij de aandacht op de mens heeft geconcentreerd. Daaruit heeft een met steeds meer vragen belaste rede haar streven naar steeds meer en steeds diepere kennis verder ontwikkeld. Zo werden complexe denksystemen opgebouwd, die op de verschillende kennisterreinen vruchten hebben voortgebracht, omdat ze de ontplooiing van cultuur en geschiedenis bevorderden. De antropologie, de logica, de natuurwetenschappen, de geschiedenis, de taal..., in zekere zin het totaal van de kennis werd daarin betrokken. De positieve resultaten die behaald werden, mogen echter niet leiden tot een voorbijzien aan het feit dat dezelfde rede, bezig met eenzijdige onderzoeken naar de mens als subject, vergeten schijnt dat deze mens er ook altijd toe geroepen is, zich tot de waarheid te richten die boven hem uitstijgt. Zonder betrekking tot deze waarheid blijft ieder afhankelijk van eigen goeddunken en zijn status als persoon wordt tenslotte volgens pragmatische, ten diepste op empirische gegevens berustende criteria beoordeeld, in de valse overtuiging dat alles door de techniek beheerst moet worden. Zo kwam het dat de rede, in plaats van de menselijke oriëntatie op de waarheid zo goed mogelijk te verwoorden, onder de last van de vele kennis zich over zichzelf heeft gebogen en steeds minder in staat was, de blik omhoog te heffen om het avontuur aan te gaan, tot de waarheid van het zijn te komen. De moderne wijsbegeerte heeft de vraag naar het zijn verwaarloosd en haar zoeken geconcentreerd op de kennis van de mens. In plaats van gebruik te maken van de mogelijkheid die de mens heeft om de waarheid te kennen, gaf zij er de voorkeur aan de grenzen en condities daarvan te accentueren.

Daaruit zijn veel vormen van agnosticisme en relativisme ontstaan, die tenslotte ertoe leidden dat het wijsgerige zoeken terechtkwam in het drijfzand van een algemeen scepticisme. In de jongste tijd hebben verschillende leerstellingen aan belang gewonnen, die zelfs die waarheden trachten te ontkrachten, die de mens als zekerheid had verworven. Een gewettigde pluraliteit van stellingnamen in het denken heeft plaatsgemaakt voor een indifferent pluralisme, dat stoelt op de opvatting dat alle stellingnamen gelijkwaardig zijn. Dat is een van de meest verbreide symptomen van het huidige gebrek aan vertrouwen in de waarheid. Ook sommige oosterse levensovertuigingen maken dit voorbehoud. Daarin ontzegt men namelijk aan de waarheid haar exclusieve karakter. Daarbij gaat men uit van de opvatting dat de waarheid in verschillende, ja zelfs elkaar tegensprekende leerstellingen tegelijkertijd optreedt. Binnen dit raam is alles teruggebracht tot mening. Men heeft de indruk van een beweging die zich als een golf naar boven en naar beneden beweegt. Terwijl het wijsgerig denken er enerzijds in geslaagd is om op de weg te komen die het steeds dichter bij de menselijke existentie en haar uitdrukkingsvormen brengt, werkt het er anderzijds aan om existentiële, hermeneutische of linguïstische zienswijzen te ontwikkelen, die niet ingaan op de radicale vraag naar de waarheid van het leven als persoon, van het zijn en van God. Dientengevolge zijn bij moderne mensen, en dat niet alleen bij enkele filosofen, houdingen van een wijdverbreid wantrouwen tegenover het geweldige menselijke vermogen tot kennis ontstaan. Met valse bescheidenheid stelt men zich tevreden met voorlopige deelwaarheden, zonder zelfs nog maar te proberen om radicale vragen over de zin en de grondoorzaak van het menselijke, persoonlijke en maatschappelijke leven te stellen. De hoop om van de wijsbegeerte definitieve antwoorden op deze vragen te krijgen, is dus verdwenen.

Zeker van haar competentie als draagster van de Openbaring van Jezus Christus, wil de Kerk nu de noodzaak van het nadenken over de waarheid opnieuw bekrachtigen. Daarom heb ik besloten mij zowel tot de medebroeders in het bisschopsambt te wenden, met wie ik de zending deel "openlijk de waarheid" (2 Kor. 4, 2) te verkondigen, als tot de theologen en filosofen, wier taak het onderzoek naar de verschillende aspecten van de waarheid is, alsook tot alle mensen die op zoek zijn: ik wil hen laten delen in enige overwegingen met betrekking tot de weg die tot de ware wijsheid voert, opdat ieder die de liefde voor haar in het hart draagt, de juiste weg kan inslaan om haar te bereiken en om in haar rust te vinden in zijn inspanningen, en geestelijke vreugde.

De drang tot dit initiatief is voor mij vooral het door het Tweede Vaticaans Concilie geformuleerde inzicht, dat de bisschoppen "getuigen van de goddelijke en katholieke waarheid" zijn Vgl. 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk, Lumen Gentium (21 nov 1964), 25. Getuigen van de waarheid is dus een taak die aan ons bisschoppen is opgedragen; daarvan kunnen wij niet afzien, zonder het ambt dat wij hebben ontvangen, te verwaarlozen. Door een nieuwe bekrachtiging van de geloofswaarheid kunnen we aan de mens van onze tijd weer echt vertrouwen geven in zijn kenvermogens en aan de wijsbegeerte een uitdaging bieden opdat zij haar volle waardigheid herkrijgen en ontplooien kan.

Nog een ander motief noopte mij deze overwegingen te formuleren. In de encycliek H. Paus Johannes Paulus II - Encycliek
Veritatis Splendor
Over kerkelijke moraalleer
(6 augustus 1993)
heb ik "enkele fundamentele waarheden van de katholieken leer in herinnering" gebracht, "die in de huidige context het risico lopen vervalst of ontkend te worden" H. Paus Johannes Paulus II, Encycliek, Over kerkelijke moraalleer, Veritatis Splendor (6 aug 1993), 4. Met het voorliggende schrijven wil ik nu die gedachten verder ontwikkelen en daarbij de aandacht juist op het thema waarheid en op haar grondslag in relatie tot het geloof concentreren. Want men kan niet ontkennen, dat onze tijd met zijn snelle en ingrijpende veranderingen vooral de jonge generaties, aan wie de toekomst toebehoort en van wie zij afhangt, blootstelt aan het gevoel dat ze zonder echte referentiepunten zijn. De behoefte aan een fundament, waarop het bestaan van ieder afzonderlijk en van de samenleving kan worden gebouwd, wordt vooral dan indringend duidelijk, wanneer men moest vaststellen hoe versnipperd het aanbod is, dat het vergankelijke tot waarde verheft, waarbij de mogelijkheid om te komen tot de ware betekenis van het bestaan wordt weggemoffeld. Zo komt het dat velen hun leven voortslepen tot bijna aan de rand van de afgrond, zonder te weten waar ze eigenlijk heen gaan. Dat hangt ook samen met het feit dat degenen wier roeping het was om de vrucht van hun denken in culturele vormen uit te drukken, de blik van de waarheid hebben afgewend en aan onmiddellijk succes de voorkeur hebben gegeven boven de inspanning van het geduldige zoeken naar wat de moeite waard is om te leven. De wijsbegeerte, die de grote verantwoordelijkheid heeft om vorm te geven aan het denken en aan de cultuur door steeds te wijzen op het zoeken naar de waarheid, moet met alle kracht haar oorspronkelijke roeping herwinnen. Daarom heb ik niet alleen de behoefte gevoeld, maar het ook als mijn plicht beschouwd, mij over dit thema uit te spreken, opdat de mensheid op de drempel van het derde millennium van de christelijke tijdrekening zich duidelijker bewust wordt van de geweldige mogelijkheden die zij heeft ontvangen, en zich met nieuwe moed inzet voor de verwezenlijking van het heilsplan, waarin haar geschiedenis is ingebed.

Document

Naam: FIDES ET RATIO
Over de verhouding van Geloof en Rede
Soort: H. Paus Johannes Paulus II - Encycliek
Auteur: H. Paus Johannes Paulus II
Datum: 14 september 1998
Copyrights: © 1998 - Colomba
Bewerkt: 27 juni 2020

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Inhoudsopgave van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2020, Stg. InterKerk, Schiedam