• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x

Voordat wij ons deze eerste uitroep van het gebed van de Heer eigen maken, is het nuttig om vol nederigheid ons hart te zuiveren van bepaalde verkeerde voorstellingen uit "deze wereld hier". De nederigheid doet ons erkennen dat "niemand de Vader kent tenzij de Zoon en hij aan wie de Zoon het wil openbaren", d.w.z. "aan kleinen" (Mt. 11, 25-27). De zuivering van het hart heeft betrekking op de vader- en moederbeelden die afkomstig zijn uit onze persoonlijke en culturele geschiedenis en die onze verhouding tot God beïnvloeden. God onze Vader overstijgt de categorieën van de geschapen wereld. Wanneer wij onze denkbeelden uit dit domein op Hem overdragen of tegen Hem uitspelen, dan maken wij afgodsbeelden om te aanbidden of te vernietigen. Bidden tot de Vader is binnengaan in zijn mysterie, Hem benaderen zoals Hij is en zoals de Zoon Hem ons heeft geopenbaard:

De uitdrukking "God de Vader" is nooit eerder aan iemand geopenbaard. Zelfs Mozes, die het aan God zelf had gevraagd, had een andere naam te horen gekregen. Aan ons is die naam geopenbaard in de Zoon. Want "Zoon" houdt de nieuwe naam van Vader in: die van Vader. Tertullianus, De Oratione. 3, vert. uit Lat.

Wij kunnen God aanroepen als "Vader", omdat Hij ons geopenbaard wordt door zijn mensgeworden Zoon en omdat zijn Geest ons Hem laat kennen. Wat de mens zich niet kan voorstellen en wat de machten van de engelen niet kunnen vermoeden, namelijk de persoonlijke relatie van de Zoon tot de Vader, Vgl. Joh. 1, 1 juist daarvan maakt de Geest van de Zoon ons deelgenoot, wij die geloven dat Jezus de Christus is en dat wij uit God geboren zijn. Vgl. 1 Joh. 5, 1

Wanneer wij bidden tot de Vader, zijn wij in gemeenschap met Hem en met zijn Zoon, Jezus Christus. H. Cyrillus van Jeruzalem, Catech. myst. 3,1, vert. Getijdenboek Lect. II,3,10 Dan ook kennen en erkennen wij Hem met een altijd weer nieuwe verwondering. Het eerste woord van het gebed van de Heer is allereerst een woord van zegening en aanbidding en dan pas een smekende aanroeping. Het is de heerlijkheid van God, dat wij Hem erkennen als "Vader", als ware God. Wij brengen Hem onze dank, dat Hij ons zijn naam heeft geopenbaard, dat Hij het ons mogelijk heeft gemaakt om in die naam te geloven en dat zijn aanwezigheid in ons woont.
Wij kunnen de Vader aanbidden, omdat wij door zijn toedoen opnieuw geboren zijn tot zijn leven, doordat Hij ons in zijn eniggeboren Zoon heeft aangenomen als zijn kinderen: door het doopsel lijft Hij ons in het lichaam van zijn Christus in en door de zalving met zijn Geest, die vanuit het hoofd uitgestort wordt over de ledematen, maakt Hij ons tot "gezalfden":
God, die ons had voorbestemd tot zijn kindschap, heeft ons gelijkvormig gemaakt aan het verheerlijkte lichaam van Christus. Daar gij dus deelachtig zijt geworden aan Christus, de Gezalfde, heet ook gij terecht "gezalfden".H. Cyrillus van Jeruzalem, Catech. myst. 3,1, vert. Getijdenboek Lect. II,3,10

De nieuwe mens die is wedergeboren en door de genade aan God is teruggegeven, begint met te zeggen "Vader", omdat hij kind is geworden. H. Cyprianus, Dom. orat. 9. vert. Getijdenboek Lect. I,5,79

Zodoende worden wij door het gebed van de Heer op hetzelfde moment dat de Vader aan ons wordt geopenbaard, aan onszelf geopenbaard: Vgl. 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk in de wereld van deze tijd, Gaudium et Spes (7 dec 1965), 22. § 1

O mens, u durfde uw gezicht niet op te richten naar de hemel en u sloeg uw ogen neer ter aarde. En plotseling hebt u de genade van Christus ontvangen en zijn al uw zonden u kwijtgescholden. Van slechte dienstknecht bent u tot goede zoon geworden (...) Richt dan uw ogen naar de Vader, die u door zijn Zoon vrijgekocht heeft, en zeg: Onze Vader (...) Maar u mag daaraan geen bijzonder voorrecht ontlenen. Vader in eigenlijke zin is Hij slechts van Christus, terwijl Hij ons geschapen heeft. Daarom moet ook u op grond van de genade "Onze Vader" zeggen, om het te verdienen zijn zoon te zijn. H. Ambrosius van Milaan, Over de Sacramenten, De Sacramentis (1 jan 387). 5,19, vert. uit Lat.

Deze vrij geschonken gave van het kindschap door aanneming vereist van onze kant een voortdurende bekering en een nieuw leven. Het bidden tot onze Vader moet in ons twee fundamentele instellingen tot ontwikkeling brengen: Het verlangen en de wil om op Hem te lijken. Wij waren al geschapen naar zijn evenbeeld. Door de genade hebben wij de gelijkenis met Hem teruggekregen. Dienovereenkomstig moeten wij ook handelen.

Hij wil dat wij (...) Hem Vader noemen en dat (...) wij kinderen van God heten. Wij moeten daarom goed beseffen, geliefde broeders en zusters, dat wij ons als kinderen van God behoren te gedragen. H. Cyprianus van Carthago, De Dominica Oratione. 11, vert. Getijdenboek Lect. I,5,85

Gij kunt uw Vader niet de God van alle goeds noemen, als uw hart wreed en onmenselijk blijft. Want in dat geval draagt ge in uzelf niet meer het kenmerk van de goedheid van uw hemelse Vader. H. Johannes Chrysostomos, Preek over het Evangelie volgens Mattheüs, In Matthaeum Homilia. 7,14, vert. uit Gr.

Wij moeten onophoudelijk de schoonheid van de Vader beschouwen en onze ziel daarvan doordringen. H. Gregorius van Nyssa, Over het gebed des Heren, De oratione Dominica. 2, vert uit Gr. vert. uit Lat.

Een nederig hart, vol vertrouwen, dat ons "opnieuw als de kleine kinderen" laat "worden" (Mt. 18, 3): want de Vader openbaart zich aan "kleinen" (Mt. 11, 25):

Het is een blik op God alleen, een groot liefdesvuur waar de ziel in opgaat; zij zinkt weg in de heilige liefde en gaat met God om als met haar eigen vader, zeer vertrouwelijk, met uitzonderlijk tedere vroomheid. H. Johannes Cassianus, Collationes. 9,18

Onze Vader: deze naam wekt zowel onze liefde op als ons verlangen naar gebed (...) en ook de hoop dat we zullen verkrijgen wat we gaan vragen. (...) Want wat kan God weigeren van het gebed van zijn kinderen, wanneer Hij tevoren al gegeven heeft, dat zij zijn kinderen mogen zijn? H. Augustinus, De sermone Domini in monte. 2,4,16, vert uit Lat.

Document

Naam: CATECHISMUS VAN DE KATHOLIEKE KERK
Soort: Catechismus-Compendium
Datum: 15 augustus 1997
Copyrights: © 1997, Libreria Editrice Vaticana
waarin verwerkt niet officiële aanpassing aan de "editio typica"
Bewerkt: 7 november 2019

Referenties naar dit document

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Inhoudsopgave van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
Trefwoordenlijst voor dit document
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2019, Stg. InterKerk, Schiedam