• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x
Het zinnelijk streefvermogen zet ons ertoe aan te verlangen naar aangename dingen die we niet bezitten. Zo verlangen we te eten, wanneer we honger hebben of ons te warmen, wanneer we kou voelen. Op zichzelf zijn die verlangens goed, maar vaak blijven ze niet binnen de perken van de redelijkheid en zetten ze ons ertoe aan ten onrechte datgene te verlangen, wat ons niet toekomt en wat aan anderen toebehoort of wat wij aan anderen verschuldigd zijn.
Het tiende gebod verbiedt de hebzucht en de begeerte zich zonder beperking aardse goederen toe te eigenen; het verbiedt de ongeordende begerigheid, geboren uit het buitensporige hartstochtelijke verlangen naar rijkdom en de daarmee gepaard gaande macht. Het veroordeelt het verlangen om een onrecht te begaan, waardoor men de naaste in zijn aardse goederen schade zou berokkenen:
Wanneer de wet ons zegt: "Gij zult geen ongeregelde begeerten koesteren", zegt zij ons met andere woorden onze verlangens verre te houden van datgene wat ons niet toebehoort. Want het verlangen naar de goederen van de naaste is oneindig groot en wordt nooit verzadigd, zoals er geschreven staat: "De gierigaard zal nooit met geld verzadigd worden (Sir. 5, 9) Catechismus-Compendium, Catechismus van het Concilie van Trente, Catechismus Romanus Concilii Tridentini. 3,37.
Men zondigt niet tegen dit gebod, wanneer men verlangt zaken te verwerven die aan anderen toebehoren, op voorwaarde dat dit door eerlijke middelen gebeurt. De traditionele catechese wijst met realiteitszin op diegenen "die het meest strijd moeten voeren tegen hun misdadige verlangens" en "die men dus het meest moet aansporen dit gebod te onderhouden".
Het zijn de kooplieden die hopen op schaarste van goederen of hoge prijzen voor hun koopwaar, die met spijt vaststellen dat zij niet de enigen zijn om te kopen en te verkopen, wat het hun mogelijk zou maken duurder te verkopen en goedkoper in te kopen; het zijn diegenen die wensen dat hun mededingers in ellende zouden zitten, om zo - door koop of verkoop - hun winst te behalen (...). Het zijn de artsen die wensen dat er veel zieken zijn; de rechtsgeleerden die erop staan dat talrijke en belangrijke rechtszaken en processen plaatsvinden..." Catechismus-Compendium, Catechismus van het Concilie van Trente, Catechismus Romanus Concilii Tridentini. 3,37
Het tiende gebod eist dat men de afgunst uit het hart van de mens bant. Toen de profeet Natan koning David tot berouw wilde bewegen, vertelde hij hem de geschiedenis van een arme en rijke man: de arme bezat maar "een schaapje dat hij koesterde als zijn eigen kindje; de rijke bezat veel schapen en runderen, maar hij was afgunstig op de arme en nam hem zijn schaapje af. Vgl. 2 Sam. 12, 14 De afgunst kan leiden tot de ergste misdrijven. Vgl. Gen. 4, 3-7 Vgl. 1 Kon. 21, 1-29 Uitgerekend door de afgunst van de duivel is de dood in de wereld gekomen (Wijsh. 2, 24):
Nu bevechten wij elkaar en het is de afgunst die ons wapens verstrekt tegen elkaar (...). Als allen zich er zo hardnekkig op toeleggen het lichaam van Christus te ondermijnen, waar gaan we dan naar toe? Wij zijn volop bezig Christus' lichaam te vernielen (...). Wij zeggen dat wij ledematen zijn van hetzelfde lichaam, maar we verscheuren elkaar, zoals de wilde dieren het zouden doen. H. Johannes Chrysostomos, Preken over de Tweede brief aan de Korintiërs, In epistulam II ad Corinthos. 2 Kor. 28, 3-4: PG 61, 588

De afgunst is een hoofdondeugd. Zij duidt de droefheid aan die men ervaart bij het zien van andermans goed en een onbeheerst verlangen om zich dat desnoods onrechtmatig - toe te eigenen. Wanneer men uit afgunst de naaste zwaar kwaad toewenst, is het een doodzonde:

De heilige Augustinus zag in de afgunst "de diabolische zonde bij uitstek". H. Augustinus, De disciplina Christiana. 7,7: PL 40, 673 H. Augustinus, Brieven, Epistulae. 108.3.8: PL 33, 410 "Uit afgunst komt voort de haat, de kwaadsprekerij, de laster, het leedvermaak vanwege het ongeluk van de naaste en het ongenoegen vanwege zijn voorspoed". H. Paus Gregorius de Grote, Moreel commentaar op (het boek) Job, Moralia in Job. 31,45: PL 76, 621
De afgunst is één van de vormen van de neerslachtigheid en dus een weigering van de naastenliefde; de christen moet er zich tegen verzetten door welwillendheid te betonen. Afgunst komt vaak voort uit hoogmoed. De christen moet zich oefenen om nederig te leven:
Wilt ge zien hoe God door u verheerlijkt wordt ? Wel, verheugt u in de vooruitgang van uw broeder, en zo zal God door u verheerlijkt worden. God zal geprezen worden, zo zal men zeggen, vanwege het feit dat zijn dienaar de afgunst heeft weten te overwinnen, door zijn vreugde te stellen in de verdiensten van de anderen. H. Johannes Chrysostomos, Preken over de brief aan de Romeinen, In epistulam ad Romanos. 7,3: PG 60, 448

Document

Naam: CATECHISMUS VAN DE KATHOLIEKE KERK
Soort: Catechismus-Compendium
Datum: 15 augustus 1997
Copyrights: © 1997, Libreria Editrice Vaticana
waarin verwerkt niet officiële aanpassing aan de "editio typica"
Bewerkt: 7 november 2019

Referenties naar dit document

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Inhoudsopgave van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
Trefwoordenlijst voor dit document
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2019, Stg. InterKerk, Schiedam