• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x

"Gij zult niet stelen" (Deut. 5, 19). "Dieven, uitbuiters (...) oplichters zullen het koninkrijk Gods niet erven" (1 Kor. 6, 10).

Het zevende gebod schrijft voor de rechtvaardigheid en de naastenliefde te beoefenen bij het beheren van de aardse goederen en de vruchten van de menselijke arbeid.

De goederen van de schepping zijn bestemd voor de hele mensheid. Het recht op privé-bezit heft de universele bestemming van de aardse goederen niet op.

Het zevende gebod verbiedt diefstal. Diefstal is het wederrechtelijk in bezit nemen van andermans goed tegen de redelijke wil van de eigenaar.

Elke vorm van onrechtmatig vervreemden of gebruiken van andermans goed is in strijd met het zevende gebod. De onrechtvaardigheid die men begaat, vraagt om schadevergoeding. De ruilrechtvaardigheid vraagt dat men de tegenwaarde van het gestolene vergoedt.

De zedenwet verbiedt praktijken die met het oog op baatzuchtige of totalitaire doeleinden, mensen tot slaven maken, hen kopen of verkopen of hen omruilen als koopwaar.

De heerschappij, die de Schepper aan de mensen heeft gegeven over de minerale, plantaardige en dierlijke hulpbronnen van de wereld, mag men niet los zien van de eerbied voor de morele plichten van de mens, met inbegrip van de verplichtingen ten opzichte van de toekomstige generaties.

De dieren zijn toevertrouwd aan de mens, die hen met welwillendheid moet behandelen. De mens mag de dieren gebruiken om op rechtmatige wijze in zijn behoeften te voorzien.

De Kerk spreekt een moreel oordeel uit in economische en sociale aangelegenheden, wanneer de fundamentele rechten van de persoon of het heil van de zielen dit vragen. Ze draagt zorg voor het tijdelijk algemeen welzijn van de mensen, omdat dit gericht is op het hoogste goed, ons uiteindelijk doel.

De mens is zelfde bewerker, de spil en het doel van elke economische en sociale activiteit. Het beslissende punt in het sociale vraagstuk is, dat de goederen die door God voor allen geschapen zijn, werkelijk aan allen ten goede komen volgens de regels van de rechtvaardigheid en met behulp van de naastenliefde.

De oerwaarde van de arbeid berust op de mens zelf, die er de bewerker en begunstigde van is. Door zijn arbeid werkt de mens mee aan het scheppingswerk. In vereniging met Christus kan de arbeid verlossende waarde krijgen.

Het ware ontwikkelingswerk is de ontwikkeling van de hele mens. Ieder mens moet de kans krijgen zijn vermogen om te beantwoorden aan zijn roeping te ontplooien, d.w.z. aan de uitnodiging van God. Vgl. H. Paus Johannes Paulus II, Encycliek, Ter gelegenheid van de honderdste verjaardag van de encycliek Rerum Novarum, Centesimus Annus (1 mei 1991), 29

De armen te hulp komen is een bewijs van ware christelijke broederliefde: het is tevens een daad van rechtvaardigheid die God welgevallig is.

In de vele mensen die geen brood, geen huis, geen verblijfplaats hebben, herkennen we de arme Lazarus, de uitgehongerde bedelaar uit Jezus' parabel. Vgl. Lc. 17, 19-31 Hoe kunnen we doof blijven voor Jezus' boodschap: "Wat gij niet voor één van deze geringsten hebt gedaan, hebt gij ook voor Mij niet gedaan" (Mt. 25, 45)?

Document

Naam: CATECHISMUS VAN DE KATHOLIEKE KERK
Soort: Catechismus-Compendium
Datum: 15 augustus 1997
Copyrights: © 1997, Libreria Editrice Vaticana
waarin verwerkt niet officiële aanpassing aan de "editio typica"
Bewerkt: 11 oktober 2021

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Inhoudsopgave van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
Trefwoordenlijst voor dit document
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2021, Stg. InterKerk, Schiedam