• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x

De eerbied voor de menselijke waardigheid vraagt dat men, in economische aangelegenheden, de deugd van matigheid betracht om de gehechtheid aan de aardse goederen te beperken; de deugd van rechtvaardigheid om de rechten van de medemens te beschermen en hem te geven wat hem toekomt, en de solidariteit, volgens de gouden regel en de vrijgevigheid van de Heer die "hoewel hij rijk was, om onzentwil arm is geworden, opdat wij rijk zouden worden door zijn armoede" (2 Kor. 8, 9).

De eerbied voor andermans goederen
Het zevende gebod verbiedt diefstal, dit wil zeggen de wederrechtelijke inbezitneming van andermans goed, tegen de redelijke wil van de eigenaar in. Er is geen sprake van diefstal, als men de toestemming van de eigenaar kan veronderstellen, of als de weigering ingaat tegen de redelijkheid en tegen de universele bestemming van de goederen. Dit is het geval bij een dwingende en klaarblijkelijke noodtoestand, waarbij het enige middel om te voorzien in onmiddellijke en essentiële behoeften (voedsel, kleding, huisvesting) erin bestaat te beschikken over en gebruik te maken van de goederen van derden. Vgl. 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk in de wereld van deze tijd, Gaudium et Spes (7 dec 1965), 69. § 1
Elke handeling, waardoor men onrechtmatig goederen van anderen in bezit neemt of houdt, zelfs al is dit niet in tegenspraak met de beschikkingen van de burgerlijke wetgeving, gaat in tegen het zevende gebod. Zo bijvoorbeeld: het opzettelijk in bezit houden van geleende goederen of van verloren voorwerpen; bedrog in handelspraktijken; Vgl. Deut. 25, 13-16 het betalen van onrechtvaardige lonen; Vgl. Deut. 24, 14-15 Vgl. Jak. 5, 4 het toepassen van prijsverhogingen waarbij men speculeert op de onwetendheid af de noodtoestand van de evenmens. Vgl. Am. 8, 4-6
Moreel zijn eveneens niet toegelaten: het speculeren, waardoor men invloed uitoefent om de waardenoteringen van goederen kunstmatig te laten schommelen met de bedoeling er, ten nadele van anderen, voordeel uit te halen; omkoperij, waardoor men het oordeel afkoopt van degenen die beslissingen moeten nemen volgens het recht; toe-eigening en privé-gebruik van gemeenschappelijke goederen van een onderneming; het slecht uitvoeren van werken; fiscale fraude; het vervalsen van cheques en facturen; buitensporige uitgaven en spilzucht. Met opzet schade berokkenen aan particulier of publiek eigendom is in strijd met de zedenwet en brengt de verplichting tot schadevergoeding mee.
Beloften moet men houden en contracten moet men stipt uitvoeren, voor zoverre de aangegane verbintenis moreel juist is. Het economisch en sociaal leven is in belangrijke mate afhankelijk van de waarde van de contracten tussen natuurlijke personen af rechtspersonen. Dit is het geval voor de handelscontracten van koop en verkoop, voor de huurcontracten en de arbeidscontracten. Elk contract moet te goeder trouw gesloten en uitgevoerd worden.

De contracten zijn onderworpen aan de ruilrechtvaardigheid, die het ruilverkeer tussen personen en instellingen regelt, met inachtneming van hun rechten. De ruilrechtvaardigheid brengt strikte verplichtingen met zich mee; ze vraagt om bescherming van de eigendomsrechten, het betalen van de schulden en het uitvoeren van de verplichtingen die men uit vrije wil op zich heeft genomen. Zonder de ruilrechtvaardigheid is geen enkele andere vorm van rechtvaardigheid mogelijk.

Men onderscheidt de ruilrechtvaardigheid van de wettelijke rechtvaardigheid, die zich bezighoudt met wat de burger naar billijkheid aan de gemeenschap verschuldigd is, en van de verdelende rechtvaardigheid, die voorschrijft wat de gemeenschap aan de burgers verschuldigd is, evenredig aan hun bijdragen en behoeften.
Om de begane onrechtvaardigheid te herstellen moet men, krachtens de ruilrechtvaardigheid, het gestolen goed aan de eigenaar vergoeden:
Jezus prijst Zacheüs zalig omwille van zijn voornemen: "Als ik iemand iets afgeperst heb, geef ik het hem vierdubbel terug" (Lc. 19, 8). Wie zich, rechtstreeks of onrechtstreeks, meester heeft gemaakt van het goed van een ander, is verplicht het terug te geven, of, wanneer het goed zelf verdwenen is, een gelijkwaardig goed, in natura of in geld, terug te betalen; hij moet eveneens de opbrengst en de voordelen vergoeden, die de eigenaar op rechtmatige wijze hiervan verkregen zou hebben. Wie aan een diefstal op welke wijze dan ook heeft meegewerkt of bewust voordeel ervan heeft gehad, is eveneens tot restitutie verplicht in verhouding tot het aandeel en het voordeel dat hij gehad heeft; dit is bijvoorbeeld het geval bij diegene die een diefstal heeft georganiseerd, erbij heeft geholpen of de buit verborgen of geheeld heeft.
Kansspelen (kaartspel enz.) of weddenschappen zijn op zichzelf niet strijdig met de rechtvaardigheid. Ze worden echter moreel onaanvaardbaar, wanneer ze de mens beroven van datgene wat hij nodig heeft om in zijn eigen onderhoud en dat van anderen te voorzien. De passie voor het spel kan uitgroeien tot een ernstige verslaving. Valsheid in weddenschappen of bedrog in het spel is een ernstige zaak, tenzij de schade die men berokkent zo gering is dat de gedupeerde er redelijkerwijze geen belang aan kan hechten.

Het zevende gebod verbiedt de activiteiten of de ondernemingen die, om welke reden dan ook - zij het uit egoïsme, ideologie, winstbejag of staatsdictatuur - ertoe leiden dat men mensen tot slaaf maakt, hun persoonlijke waardigheid miskent, hen koopt of verkoopt en hen als koopwaar ruilt. Het is een zonde tegen de waardigheid van de persoon en tegen zijn fundamentele rechten, dat mensen door gebruik van geweld verlaagd worden tot gebruiksvoorwerpen of tot bronnen van winst. De heilige Paulus vraagt aan een Christen-heer zijn Christen-slaaf te behandelen "nu niet meer als slaaf, (...) maar als een geliefde broeder (...) als mens en als Christen" (Filem 16).

Eerbied voor de heelheid van de schepping
Het zevende gebod vraagt eerbied voor de heelheid van de schepping. De dieren, de planten en de onbezielde wezens waren in het verleden en zijn in het heden en de toekomst, van nature bestemd voor het gemeenschappelijk welzijn van de mensheid. Vgl. Gen. 1, 28-31 Het benutten van de minerale, plantaardige en dierlijke hulpbronnen van het heelal mag men niet scheiden van de eerbied voor de morele wetten. De heerschappij over de bezielde en onbezielde natuur, die de Schepper aan de mens heeft toevertrouwd, is niet absoluut; ze wordt beperkt door de zorg voor de kwaliteit van het leven van de medemens, met inbegrip van de toekomstige generaties; ze vereist een religieuze eerbied voor de heelheid van de schepping. Vgl. H. Paus Johannes Paulus II, Encycliek, Ter gelegenheid van de honderdste verjaardag van de encycliek Rerum Novarum, Centesimus Annus (1 mei 1991), 37-38

Dieren zijn schepselen van God. God omgeeft hen met zijn providentiële liefdevolle zorg. Vgl. Dan. 3,57-58 Alleen al door hun bestaan zegenen en prijzen ze de Heer. Vgl. Dan. 3,57-58 Ook de mensen zijn de dieren welwillendheid verschuldigd. Men kan hier denken aan de fijngevoeligheid waarmee heiligen als Franciscus van Assisi of Filippus Neri de dieren hebben behandeld.

God heeft het beheer over de dieren toevertrouwd aan degene die Hij naar zijn beeld heeft geschapen. Vgl. Gen. 2, 19-20 Vgl. Gen. 9, 1-4 Het is dus geoorloofd zich van dieren te bedienen om zich te voeden en te kleden. Men mag ze tam maken, opdat ze de mens zouden helpen in zijn arbeid en zijn vrije tijd. Als medische en wetenschappelijke proefnemingen op dieren binnen redelijke perken blijven en bijdragen aan de zorg voor of het behoud van mensenlevens, zijn ze moreel aanvaardbaar.
Dieren nutteloos laten lijden of hun leven verspillen is in strijd met de menselijke waardigheid. Eveneens is het onwaardig voor dieren buitensporig grote sommen uit te geven, die beter besteed zouden worden om de menselijke ellende te verlichten. Men mag van dieren houden; maar de genegenheid die alleen aan mensen toekomt, mag men niet aan dieren verspillen.

Document

Naam: CATECHISMUS VAN DE KATHOLIEKE KERK
Soort: Catechismus-Compendium
Datum: 15 augustus 1997
Copyrights: © 1997, Libreria Editrice Vaticana
waarin verwerkt niet officiële aanpassing aan de "editio typica"
Bewerkt: 7 november 2019

Referenties naar dit document

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Inhoudsopgave van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
Trefwoordenlijst voor dit document
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2019, Stg. InterKerk, Schiedam