• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x
Het getuigenis van de Heilige Schrift
In het verhaal van de moord van Kaïn op zijn broer Abel, Vgl. Gen. 4, 8-12 toont de Schrift hoe, vanaf het begin van de geschiedenis van het mensdom, ten gevolge van de erfzonde, woede en begeerlijkheid in de mens aanwezig zijn. De mens is de vijand geworden van zijn naaste. God laakt de gruwelijkheid van deze broedermoord: "Wat hebt gij gedaan? Hoor het bloed van uw broer roept uit de grond tot mij. Daarom zult gij vervloekt zijn, verbannen van de grond die zijn mond heeft geopend om uit uw hand het bloed van uw broer te ontvangen" (Gen. 4, 10-11).
Het verbond tussen God en de mensheid is doorweven met herinneringen aan de goddelijke gave van het menselijk leven en aan het moordende geweld van de mens:
Uw eigen bloed zal ik terugeisen (...). Wie het bloed van een mens vergiet, diens bloed wordt door mensen vergoten, want naar zijn beeld heeft God de mens gemaakt (Gen. 9, 5-6).
Het Oude Testament heeft het bloed steeds als een heilig teken van het leven beschouwd. Vgl. Lev. 17, 14 En dit inzicht blijft noodzakelijkerwijs voor alle eeuwen gelden.
De Schrift preciseert wat door het vijfde gebod verboden wordt: "Breng iemand die onschuldig is en in zijn recht staat niet ter dood" (Ex. 23, 7). Het vrijwillig doden van een onschuldige is ernstig in strijd met de menselijke waardigheid, met de gulden regel en de heiligheid van de Schepper. De wet die dit verbiedt is universeel geldig: zij verplicht allen en iedereen, overal en altijd.
In de bergrede herinnert de Heer aan dit gebod: "Gij zult niet doden" (Mt. 5, 21) maar Hij verbiedt eveneens alle woede, haat en wraak. Meer nog, Christus vraagt aan zijn leerlingen de andere wang toe te keren Vgl. Mt. 5, 22-39 en hun vijanden te beminnen. Vgl. Mt. 5, 44 Hij zelf heeft zich niet verdedigd en legde Petrus op, het zwaard in de schede te steken. Vgl. Mt. 26, 52
De wettige zelfverdediging
De geoorloofde zelfverdediging van personen en van maatschappijen vormt geen uitzondering op het verbod om onschuldigen te doden, wat gebeurt bij vrijwillige doodslag. "De daad van zelfverdediging kan een dubbel gevolg hebben: het ene is het behoud van zijn eigen leven, het andere de dood van de aanvaller. (...) Slechts het ene is gewild; het andere is dit niet". H. Thomas van Aquino, Summa Theologiae. II-II,64,7
De liefde voor zichzelf is en blijft een grondprincipe van de zedelijkheid. Het is dus geoorloofd zijn eigen recht op leven te laten eerbiedigen. Wie zijn leven verdedigt, maakt zich niet schuldig aan moord, zelfs niet als hij ertoe verplicht wordt om zijn aanvaller een dodelijke slag toe te brengen:
Indien men om zich te verdedigen meer geweld gebruikt dan nodig is, is dit niet toegestaan. Maar als men geweld op een gepaste wijze afweert, is het toegestaan (...). En het is niet vereist voor de zaligheid dat men deze daad van gepaste bescherming zou nalaten om te vermijden dat men de andere zou doden; want men is meer verplicht te waken over zijn eigen leven dan over dat van een ander. H. Thomas van Aquino, Summa Theologiae. II-II,64,7
Gewettigde zelfverdediging kan niet alleen een recht zijn, maar een zware plicht zijn voor iemand die voor het leven van anderen verantwoordelijk is. De verdediging van het algemeen welzijn vereist dat een onrechtvaardige aanvaller de mogelijkheid wordt ontnomen schade aan te richten. Op grond hiervan hebben degenen die wettelijke verantwoordelijkheid dragen ook het recht gewapend op te treden tegen de aanvallers van de burgergemeenschap waarvoor zij verantwoordelijk zijn.
De inspanning van de staat om de verspreiding van gedragingen te verhinderen die strijdig zijn met de rechten van de mens en met de grondregels van het maatschappelijk samenleven, beantwoordt aan de eis om het algemeen welzijn te beschermen. De wettige overheid heeft het recht en de plicht straffen op te leggen die in verhouding staan tot het ernst van het misdaad.

Straf heeft op de eerste plaats het doel de door overtreding veroorzaakte verstoring van de orde ongedaan te maken. Wanneer de straf door de schuldige vrijwillig wordt aanvaard, krijgt die de waarde van uitboeting. Straf beoogt dan, behalve verdediging van de openbare orde en de veiligheid van de mensen, een therapeutisch doel: ze moet er zo veel mogelijk toe bijdragen dat de schuldige zijn leven betert.
De doodstraf

Onder voorwaarde dat de identiteit en de verantwoordelijkheid van de schuldige met absolute zekerheid vaststaan, sluit de overgeleverde leer van de Kerk niet uit dat men zijn toevlucht neemt tot de doodstraf, wanneer dit de enig mogelijke manier is om mensenlevens effectief tegen een onrechtvaardige aanvaller te verdedigen.

Wanneer echter onbloedige middelen volstaan om de veiligheid van personen tegen de aanvaller te verdedigen en te beschermen, moeten de gezagsdragers deze middelen toepassen, omdat deze beter aangepast zijn aan de concrete voorwaarden van het algemeen welzijn en ook meer in overeenstemming zijn met de waardigheid van de menselijke persoon.

Vanwege de mogelijkheden die de staat tegenwoordig ter beschikking staan om misdaden effectief te beteugelen door degene die een misdaad begaat onschadelijk te maken, zonder hem definitief de mogelijkheid te ontnemen zijn leven te beteren, komen gevallen waarin het noodzakelijk is de schuldige te executeren 'maar zelden' voor of bestaan ze 'zelfs praktisch niet meer'. H. Paus Johannes Paulus II, Encycliek, Over de waarde en de onaantastbaarheid van het menselijk leven, Evangelium Vitae (25 mrt 1995), 56

Zie ook:

Paus Franciscus bepaalt als tekst voor deze alinea bij Paus Franciscus - Rescript
Rescriptum ex Audientia SS.mi - Nieuwe redactie van nr 2267 van de Catechismus van de Katholieke Kerk over de doodstraf
(2 augustus 2018)
, ingaande 3 augustus 2018, onderstaand vervangende tekst ter wijziging van de eeuwenlange traditionele leer. De toevoeging van de titel bij deze alinea (onderstreept) is daar een onderdeel van.

Het beroep op de doodstraf, na een eerlijk proces, door een legitieme overheid werd geruime tijd beschouwd als een passend antwoord op de ernst van bepaalde misdaden en een aanvaardbaar, zij het extreem, middel om het algemeen welzijn te beschermen.

Tegenwoordig is er echter een toenemend besef dat de waardigheid van de persoon niet verloren gaat, zelfs na het plegen van zeer ernstige misdaden. Bovendien is er een nieuw begrip ontstaan over strafsancties die door de staat worden opgelegd. Er zijn meer effectieve detentiesystemen ontwikkeld die een passende bescherming van burgers garanderen, maar die de schuldige tegelijkertijd niet definitief de mogelijkheid op verlossing ontzeggen.

Daaruit volgt dat de Kerk leert, in het licht van het Evangelie, dat "de doodstraf ontoelaatbaar is, want het is een aantasting van de onschendbaarheid en waardigheid van de persoon" Paus Franciscus, Toespraak, Tot de deelnemers aan de ontmoeting georganiseerd door de Pauselijke Raad voor de Bevordering van de Nieuwe Evangelisatie, Doodstraf en "ontwikkeling van de geloofsleer" (11 okt 2017), 6 en met vastberadenheid zal zij werken aan de wereldwijde afschaffing ervan. N.v.d.r.: werkvertaling van de nieuwe tekst

Zie tevens de verklaring over de wijziging, geldend vanaf 3 augustus 2018, in de brief Congregatie voor de Geloofsleer
Aan de Bisschoppen betreffende de nieuwe redactie van nr 2267 van de Catechismus van de Katholieke Kerk over de doodstraf
(3 augustus 2018)
.

 

De vrijwillige doodslag
Het vijfde gebod veroordeelt de directe en vrijwillige doodslag als een zware zonde. De moordenaar en zij die vrijwillig meewerken aan een moord, begaan een zware zonde die om wraak van de hemel roept. Vgl. Gen. 4, 10
Kindermoord, Vgl. 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk in de wereld van deze tijd, Gaudium et Spes (7 dec 1965), 51. ,3 broedermoord, vader- of moedermoord en moord op de huwelijkspartner zijn bijzonder zware misdaden, omdat hierdoor natuurlijke banden verbroken worden. Eugenetische overwegingen of de openbare gezondheid kunnen geen enkele vorm van doodslag rechtvaardigen, zelfs niet als de openbare macht het zou bevelen.
Het vijfde gebod verbiedt om ook maar iets te doen met de bedoeling iemand indirect ter dood te brengen. De morele wet verbiedt, iemand zonder ernstige reden aan doodsgevaar bloot te stellen of hulp te weigeren aan een persoon in levensgevaar.
Wanneer de samenleving toestaat dat er een dodelijke hongersnood ontstaat, zonder dat men zich inzet om er iets aan te doen, betekent dit een schromelijke onrechtvaardigheid en een zware fout. De sjacheraars, van wie de woekerpraktijken de honger en de dood van hun broeders veroorzaken, begaan indirect doodslag; ze zijn er verantwoordelijk voor. Vgl. Am. 8, 4-10
Voor onvrijwillige doodslag is men moreel niet verantwoordelijk. Maar men maakt zich wel schuldig aan een zware zonde, als men - zonder reden die tot de daad in verhouding staat - zo handelt dat men de dood veroorzaakt, zelfs als men dat niet heeft bedoeld.
Abortus
Het menselijk leven moet volstrekt geëerbiedigd en beschermd worden vanaf het moment van de conceptie. Vanaf het eerste ogenblik van zijn bestaan moeten de rechten van de persoon voor elk menselijk wezen erkend worden, waaronder het onschendbaar recht op het leven, een recht dat aan elk onschuldig wezen toekomt. Vgl. Congregatie voor de Geloofsleer, Over het beginnend menselijk leven en waardigheid van de voortplanting, Donum Vitae (22 feb 1987), 7
Voordat ik u in de moederschoot vormde, koos ik u uit; voordat ge geboren werd, bestemde ik u voor Mij (Jer. 1, 5).

Mijn diepste wezen is U niet verborgen. Toen ik geheimnisvol werd voortgebracht, mijn levensdraden in de schoot gevlochten werden (Ps. 139, 15).

Vanaf de eerste eeuw heeft de Kerk voorgehouden dat elke opzettelijke abortus ("abortus provocatus") een moreel kwaad is. Dit onderricht is nooit veranderd. Het blijft een vaste leer. De rechtstreekse vruchtafdrijving, die als doel of als middel gewild wordt, is ernstig in strijd met de zedenwet:
Gij zult het kind niet doden door abortus en de pasgeborene zult gij niet laten sterven. Apostolische Vader, Onderwijs van de Twaalf Apostelen, Didachè. 2,2 Vgl. Apostolische Vader, Brief van Pseudo Barnabas. 19,5 Vgl. Apostolische Vader, Brief aan Diognetus. 5.5 Vgl. Tertullianus, Apologeticum. 9

God immers, de Heer van het leven, heeft aan de mensen de uitmuntende taak toevertrouwd om zorg te dragen voor het leven; deze taak moet op menswaardige wijze worden vervuld. Daarom moet het leven reeds vanaf de ontvangenis met uiterste zorg worden beschermd; vruchtafdrijving en kindermoord zijn afschuwwekkende misdaden. 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk in de wereld van deze tijd, Gaudium et Spes (7 dec 1965), 51. § 3

De formele medewerking aan abortus is een zware zonde. De Kerk bestraft deze misdaad tegen het menselijk leven met de kerkelijke straf van excommunicatie: "Wie vruchtafdrijving bewerkt met daadwerkelijk gevolg, loopt een excommunicatie van rechtswege op" Wetboek, Codex van het Canonieke recht, Codex Iuris Canonici (25 jan 1983), 1398 "door het feit zelf dat hij het misdrijf begaat" Wetboek, Codex van het Canonieke recht, Codex Iuris Canonici (25 jan 1983), 1314 en volgens de voorwaarden bepaald door het kerkelijk recht. Vgl. Wetboek, Codex van het Canonieke recht, Codex Iuris Canonici (25 jan 1983), 1323-1324 Hiermee wil de Kerk niet het terrein van de barmhartigheid inperken. Maar wel maakt ze hiermee duidelijk hoe zwaar deze misdaad is en hoe onherstelbaar de schade, toegebracht aan het onschuldige slachtoffer, aan zijn ouders en aan de hele samenleving.
Het onvervreemdbaar recht op het leven van elke onschuldige menselijke persoon vormt een constitutief element van de burgerlijke samenleving en haar wetgeving:
"De onvervreemdbare rechten van de persoon moeten door de burgerlijke samenleving en de politieke overheid erkend en geëerbiedigd worden. De mensenrechten hangen niet af van de individuele persoon en evenmin van de ouders; ze zijn evenmin concessies van de gemeenschap en van de staat; ze behoren tot de menselijke natuur en zijn inherent aan de persoon, omwille van de scheppingsdaad, waarin de persoon zijn oorsprong vindt. Onder deze fundamentele rechten moeten wij vermelden: het recht op leven en op fysieke integriteit van elke mens, vanaf zijn conceptie tot aan zijn dood". Congregatie voor de Geloofsleer, Over het beginnend menselijk leven en waardigheid van de voortplanting, Donum Vitae (22 feb 1987), 22

"Op het ogenblik dat een positieve wet een categorie van menselijke wezens berooft van de bescherming, die de burgerlijke wetgeving hun moet verzekeren, miskent de staat de gelijkheid van allen voor de wet. Wanneer de staat zijn macht niet ten dienste stelt van de rechten van alle burgers, en speciaal van de zwaksten, wordt de basis zelf van de rechtstaat bedreigd (...). Omdat het kind vanaf het moment van de conceptie moet kunnen rekenen op eerbied en bescherming, zal de wet dus moeten voorzien in geëigende strafrechtelijke sancties voor elke opzettelijke schending van de rechten van het kind". Congregatie voor de Geloofsleer, Over het beginnend menselijk leven en waardigheid van de voortplanting, Donum Vitae (22 feb 1987), 22

Aangezien het embryo vanaf de conceptie als een persoon moet worden behandeld, moet het in zijn integriteit beschermd worden en, in de mate van het mogelijke, medisch verzorgd en behandeld worden zoals elk ander menselijk wezen.
Het prenataal diagnostisch onderzoek is moreel toegelaten "als dit het leven en de integriteit van het embryo en de foetus respecteert en gericht is op het behoud of de genezing (...). Het is ernstig in strijd met de zedenwet, wanneer het de bedoeling is, naargelang de resultaten van het onderzoek, eventueel een abortus op te wekken. Een diagnostisch onderzoek mag niet gelijkstaan met een doodvonnis". Congregatie voor de Geloofsleer, Over het beginnend menselijk leven en waardigheid van de voortplanting, Donum Vitae (22 feb 1987), 8
"De ingrepen op het menselijk embryo kunnen als geoorloofd beschouwd worden, op voorwaarde dat ze het leven en de integriteit ervan eerbiedigen en dat ze geen buitensporig grote risico's voor het embryo meebrengen, maar integendeel de genezing, de verbetering van de gezondheidstoestand of het individueel voortbestaan ervan beogen". Congregatie voor de Geloofsleer, Over het beginnend menselijk leven en waardigheid van de voortplanting, Donum Vitae (22 feb 1987), 9

"Het is immoreel menselijke embryo's te produceren met de bedoeling ze te gebruiken als biologisch beschikbaar materiaal". Congregatie voor de Geloofsleer, Over het beginnend menselijk leven en waardigheid van de voortplanting, Donum Vitae (22 feb 1987), 11

"Sommige pogingen om de erfelijke eigenschappen van chromosomen te beïnvloeden of genen te beïnvloeden zijn niet therapeutisch bedoeld, maar beogen de productie van menselijke wezens, geselecteerd op basis van het geslacht of op basis van andere vooropgestelde kwaliteiten. Deze ingrepen zijn in strijd met de persoonlijke waardigheid van het menselijk wezen, met zijn integriteit en zijn identiteit", uniek en onherhaalbaar. Congregatie voor de Geloofsleer, Over het beginnend menselijk leven en waardigheid van de voortplanting, Donum Vitae (22 feb 1987), 12

Euthanasie
Mensen van wie het leven kwalitatief verminderd of verzwakt is, verdienen een bijzondere eerbied. Zieken en gehandicapten moeten geholpen worden om een leven te leiden dat zo normaal mogelijk verloopt.
Wat de motieven en de aangewende middelen ook mogen zijn, de directe euthanasie bestaat erin om een einde te maken aan het leven van gehandicapten, zieken of stervenden. Deze is moreel onaanvaardbaar.
Zo is een handeling die of een verzuim dat - in zichzelf of qua intentie - de dood bewerkt teneinde de pijn weg te nemen, een moord die ernstig in strijd is met de waardigheid van de menselijke persoon en met de eerbied voor de levende God als zijn Schepper. De beoordelingsfout die men te goeder trouw begaan kan hebben, verandert niets aan de aard van deze moorddadige ingreep, die steeds veroordeeld en uitgesloten moet worden.
Het stopzetten van medische behandelingen die belastend zijn, gevaarlijk, buitengewoon of die niet in verhouding tot de verwachte resultaten staan, kan geoorloofd zijn. Dit is het afwijzen van "therapeutische koppigheid". Men wil zo niet de dood bewerken; men aanvaardt dat men hem niet kan verhinderen. De beslissingen moeten genomen worden door de patiënt, als hij daartoe de bevoegdheid en het vermogen heeft en anders door de wettelijk bevoegden waarbij men steeds rekening houdt met de redelijke wil en de gerechtvaardigde belangen van de patiënt.
Zelfs indien de dood dreigend nabij geacht wordt, is het niet geoorloofd om de verzorging die men gewoonlijk aan een zieke verschuldigd is, te onderbreken. Het gebruik van pijnstillende middelen om het lijden van een stervende te verlichten, zelfs als men daardoor zijn leven zou verkorten, kan moreel in overeenstemming zijn met de menselijke waardigheid, als de dood noch als doel noch als middel beoogd wordt, maar enkel wordt voorzien en geduld als onvermijdelijk. De pijnverzachtende verzorging is een bevoorrechte vorm van onbaatzuchtige liefde. Daarom moet zij bevorderd worden.
Zelfmoord
Iedereen is verantwoordelijk voor zijn leven ten opzichte van God, die het hem geschonken heeft. God blijft dan ook de soevereine Heer ervan. Wij zijn verplicht het leven met dankbaarheid te aanvaarden en het tot zijn eer en tot heil van onze zielen te behoeden. Wij zijn de beheerders, niet de eigenaars van het leven dat God ons heeft toevertrouwd. We beschikken er niet over.
Zelfmoord is in tegenspraak met de natuurlijke neiging van de mens om zijn leven te willen bewaren en bestendigen. Zichzelf doden is ernstig in tegenspraak met de ware eigenliefde. Het is ook een zonde tegen de naastenliefde, want men verbreekt ten onrechte de band van solidariteit met de gezinsverbanden en met de nationale en menselijke samenleving, tegenover wie wij verplichtingen hebben. Zelfmoord is in strijd met de liefde tot de levende God.
Als de zelfmoord wordt uitgevoerd om als voorbeeld te dienen, met name voor de jongeren, wordt het ook nog een zonde van ergernis. Vrijwillig medewerking verlenen aan zelfmoord gaat in tegen de zedenwet. Zware psychische storingen, angst of ernstige vrees voor beproevingen, lijden of foltering, kunnen de verantwoordelijkheid van de zelfmoordenaar verminderen.
Men moet niet wanhopen met betrekking tot de eeuwige zaligheid van mensen die zichzelf gedood hebben. God kan, langs wegen die Hij alleen kent, ervoor zorgen dat ze nog de kans krijgen op een heilbrengend berouw. De kerk bidt dan ook voor diegenen die zich het leven hebben benomen.

Document

Naam: CATECHISMUS VAN DE KATHOLIEKE KERK
Soort: Catechismus-Compendium
Datum: 15 augustus 1997
Copyrights: © 1997, Libreria Editrice Vaticana
waarin verwerkt niet officiële aanpassing aan de "editio typica"
Bewerkt: 2 juni 2019

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Inhoudsopgave van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
Trefwoordenlijst voor dit document
 
|
Pagina delen: 
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2019, Stg. InterKerk, Schiedam