• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x
Het tweede gebod verbiedt de meineed . Een eed doen of zweren is God tot getuige nemen van hetgeen men zegt. Het is Gods waarachtigheid inroepen als waarborg voor zijn eigen waarachtigheid. Bij de eed wordt de naam van de Heer als waarborg gebruikt. "Gij moet de Heer uw God vrezen, Hem dienen en zweren bij zijn naam" (Deut. 6,13).
Het is onze plicht tegenover God de meineed af te keuren. Als Schepper en Heer is God richtsnoer van alle waarheid. Het woord van de mensen is dan in overeenstemming of in strijd met God, die de waarheid zelf is. Wanneer de eed waar en wettig is, stelt hij het verband in het licht tussen het woord van de mensen en de waarheid van God. De meineed roept God aan als getuige van een leugen.
Eedbreuk begaat hij die onder ede een belofte aflegt, zonder de bedoeling die te houden, of hij die onder ede iets beloofd heeft en die zich nadien niet aan zijn belofte houdt. Eedbreuk betekent een zwaar gebrek aan eerbied tegenover de Heer van alle beloften. Zich onder ede tot een slechte daad verplichten, is in strijd met de heiligheid van de naam van God.

In de Bergrede heeft Jezus het tweede gebod als volgt toegelicht: "Gij hebt gehoord dat tot onze voorouders gezegd is: 'Gij zult geen valse eed doen, maar gij zult voor de Heer uw eden houden'. Ik echter zeg u in het geheel niet te zweren (...) Maar uw ja moet ja zijn en uw neen, neen; en wat daar nog bijkomt is uit den boze" (Mt. 5,33-34.37). Vgl. Jak. 5,12 Jezus leert ons dat elke eed een verwijzing naar God inhoudt en dat Gods aanwezigheid en waarheid in al onze woorden in ere gehouden moet worden. Het spaarzaam verwijzen naar God in ons taalgebruik is een teken van onze eerbiedige aandacht voor zijn aanwezigheid; elke uitspraak van ons kan zijn aanwezigheid bevestigen of er spot mee drijven.

De kerkelijke traditie heeft in de lijn van de heilige Paulus Vgl. 2 Kor. 1,23 Vgl. Gal. 1,20 de woorden van Jezus zo opgevat dat zij ze niet in strijd acht met het afleggen van een eed in een belangrijke en rechtvaardige zaak (b.v. voor de rechtbank). "Een eed, dit is de aanroeping van de goddelijke naam tot getuige van de waarheid, kan niet afgelegd worden tenzij in waarheid, oordeel en gerechtigheid". Wetboek, Codex van het Canonieke recht, Codex Iuris Canonici (25 jan 1983), 1199. § 1

De heiligheid van de naam van God vereist dat men er geen gebruik van maakt voor onbelangrijke zaken, dat men geen eed doet in omstandigheden die van dien aard zijn, dat men dit zou kunnen uitleggen als een goedkeuring van een instantie, die deze eed ten onrechte zou vragen. Wanneer de eed geëist wordt door een onwettige burgerlijke overheid, mag hij geweigerd worden. Hij moet geweigerd worden, wanneer hij gevraagd wordt voor doeleinden, die strijdig zijn met de menselijke waardigheid of met de eenheid van de kerkgemeenschap.

Document

Naam: CATECHISMUS VAN DE KATHOLIEKE KERK
Soort: Catechismus-Compendium
Datum: 15 augustus 1997
Copyrights: © 1997, Libreria Editrice Vaticana
waarin verwerkt niet officiële aanpassing aan de "editio typica"
Bewerkt: 10 november 2017

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Inhoudsopgave van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
Trefwoordenlijst voor dit document
 
|
Pagina delen: 
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2017, Stg. InterKerk, Schiedam