• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x
In het Oude Testament hebben de profeten aangekondigd dat de Geest van de Heer zou rusten op de verwachte Messias Vgl. Jes. 11, 2 met het oog op zijn heilszending. Vgl. Lc. 4, 16-22 Vgl. Jes. 61, 1 De nederdaling van de heilige Geest over Jezus toen Hij door Johannes gedoopt werd, was het teken dat Hij het was die komen moest, dat Hij de Messias was, de Zoon van God. Vgl. Mt. 3, 13-17 Vgl. Joh. 1, 33-34 Heel het leven en heel de zending van Hem die ontvangen is van de heilige Geest, voltrekken zich in een totale eenheid met de heilige Geest die de Vader Hem "mateloos" schenkt (Joh. 3, 34).
Welnu, deze volheid van de Geest was niet enkel bestemd voor de Messias, zij moest ook meegedeeld worden aan heel het Messiaanse volk. Vgl. Ez. 36, 25-27 Vgl. Joh. 3, 1-2 Verschillende malen heeft Christus deze uitstorting van de Geest beloofd, Vgl. Lc. 12, 12 Vgl. Joh. 3, 5-8 Vgl. Joh. 7, 37-39 Vgl. Joh. 16, 7-15 Vgl. Hand. 1, 8 een belofte die Hij allereerst heeft waargemaakt op de dag van Pasen (Joh. 20, 22) en vervolgens op een meer luisterrijke wijze op de dag van Pinksteren. Vgl. Hand. 2, 14 Vervuld van de heilige Geest begonnen de apostelen "Gods grote daden" te verkondigen (Hand. 2, 11) en verklaarde Petrus dat deze uitstorting van de Geest het teken was van de Messiaanse tijd. Vgl. Hand. 2, 17-18 Zij die toen geloofden in de prediking van de apostelen en zich hebben laten dopen, hebben op hun beurt de gave van de heilige Geest ontvangen. Vgl. Hand. 2, 38
"Van die tijd af deelden de apostelen, de wil van Christus volbrengend, door de handoplegging aan de pasgedoopten de Geest mee, als een gave die de genade van het Doopsel voltooide. Vgl. Hand. 8, 15-17 Vgl. Hand. 19, 5-6 Zo komt het dat in de brief aan de Hebreeën onder de elementen van het eerste christelijke onderricht genoemd wordt de leer over het Doopsel en de handoplegging. Vgl. Heb. 6, 2 Deze handoplegging wordt volgens de katholieke overlevering terecht erkend als de oorsprong van het sacrament van het Vormsel, dat in de Kerk als het ware de pinkstergenade bestendigt". H. Paus Paulus VI, Apostolische Constitutie, Ter goedkeuring van de herziene liturgie voor het Sacrament van het H. Vormsel, Divinae consortium naturae (15 aug 1971). Vert. Ordo confirmationis - Orde van dienst voor de liturgie van het Vormsel
Zeer vroeg heeft men aan de handoplegging een zalving met welriekende olie (chrisma) toegevoegd, om beter de gave van de heilige Geest aan te duiden. Deze zalving verduidelijkt de naam van "christen", wat "gezalfde" betekent, en die zijn oorsprong heeft in Christus zelf, Hem die "God gezalfd heeft met de heilige Geest" (Hand. 10, 38). Deze zalvingsritus bestaat tot op de dag van vandaag, zowel in het oosten als in het westen. Daarom ook wordt dit Sacrament in het oosten chrismatie genoemd, zalving met chrisma of myron, wat "chrisma" betekent. In het westen verwijst het woord vormsel naar het feit dat dit Sacrament zowel de Doop bekrachtigd als de doopgenade versterkt.
Twee tradities: het oosten en het westen
Gedurende de eerste eeuwen maakt in het algemeen het Vormsel samen met het Doopsel ��n enkele viering uit. Samen vormen zij, zoals de heilige Cyprianus het uitdrukt, een "dubbel sacrament". De vermeerdering van de kinderdoopsels het hele jaar door en de vermenigvuldiging van de parochies (op het platteland), waardoor de bisdommen uitgestrekter worden, zijn enkele van de redenen waarom het niet meer mogelijk is dat de bisschop bij alle doopvieringen aanwezig is. Omdat men in het westen de voltooiing van het Doopsel aan de bisschop wil voorbehouden, worden beide Sacramenten op een van elkaar gescheiden tijdstip toegediend. Het oosten heeft deze scheiding van beide Sacramenten niet doorgevoerd, zodat het Vormsel door de priester die doopt, toegediend wordt. Dit kan hij echter alleen doen met het "myron" dat door een bisschop gewijd wordt.Vgl. Wetboek, Codex van Canoniek Recht van de Oosterse Kerken, Codex Canonum Ecclesiarum Orientalium (1 okt 1991), 695. 1 Vgl. Wetboek, Codex van Canoniek Recht van de Oosterse Kerken, Codex Canonum Ecclesiarum Orientalium (1 okt 1991), 696. 1
Een gewoonte van de kerk van Rome, die bestond in een dubbele zalving met het heilig chrisma na het Doopsel, heeft de ontwikkeling van de westerse praktijk bevorderd de zalving die de priester de pasgedoopte toediende na het verlaten van het doopbad, werd voltooid door een tweede zalving van het voorhoofd van elke pasgedoopte, door de bisschop verricht. Vgl. H. Hippolytus, Traditio Apostolica. 21 De eerste zalving met het heilig chrisma, die de priester gaf, is verbonden gebleven met de doopritus; zij duidt aan dat de gedoopte deel heeft aan de profetische, priesterlijke en koninklijke taak van Christus. Bij de Doop van een volwassene is er slechts ��n zalving na het Doopsel: die van het Vormsel.
De praktijk van de oosterse Kerken legt meer de nadruk op de eenheid van de christelijke initiatie. Die van de Latijnse Kerk drukt sterker de gemeenschap uit van de nieuwe Christen met zijn bisschop, die de waarborg en dienaar is van de eenheid van zijn Kerk, van haar katholiciteit en haar apostoliciteit, en die als zodanig de band met de apostolische oorsprong van de Kerk van Christus is.

Document

Naam: CATECHISMUS VAN DE KATHOLIEKE KERK
Soort: Catechismus-Compendium
Datum: 15 augustus 1997
Copyrights: © 1997, Libreria Editrice Vaticana
waarin verwerkt niet officiële aanpassing aan de "editio typica"
Bewerkt: 7 november 2019

Referenties naar dit document

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Inhoudsopgave van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
Trefwoordenlijst voor dit document
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2019, Stg. InterKerk, Schiedam