• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x
De verschillende vruchten of uitwerkingen van het Doopsel worden aangeduid door de zintuiglijke elementen van de sacramentele ritus. De onderdompeling in het water roept de symboliek van de dood en de zuivering op, maar ook van de wedergeboorte en de vernieuwing. De twee voornaamste vruchten zijn dus de zuivering van de zonden en de nieuwe geboorte in de heilige Geest. Vgl. Hand. 2, 38 Vgl. Joh. 3, 5
Ter vergeving van de zonden

Door het Doopsel worden alle zonden vergeven, de erfzonde en alle persoonlijke zonden, evenals alle zondestraffen. Vgl. Concilie van Florence, Decreet, 8e Sessie - Decreet voor de Armeniërs, Exsultate Deo (22 nov 1439), 6 In allen die opnieuw geboren zijn, blijft inderdaad niets over van wat hen zou kunnen verhinderen het rijk Gods binnen te gaan, noch de zonde van Adam, noch de persoonlijke zonde, noch de gevolgen van de zonde, waarvan de scheiding van God het ergste is.

Wel blijven er in de gedoopte nog enkele tijdelijke gevolgen van de zonde, zoals lijden, ziekte, dood, of de broosheden eigen aan het leven, zoals karakterzwakheden enz., evenals een neiging tot de zonde, door de Overlevering in het Latijn concupiscentia genoemd, of overdrachtelijk "fomes peccati" (zondehaard): "Omdat deze begeerlijkheid in de mens achtergebleven is met het oog op de strijd, is zij niet bij machte mensen te schaden die er niet mee instemmen en er zich moedig tegen verzetten met behulp van de genade van Christus Jezus. Sterker nog, 'hij die zich in de strijd aan de regels houdt, zal gekroond worden' (2 Tim. 2, 5)". Concilie van Trente, 5e Zitting - Decreet over de erfzonde, Sessio V - Decretum super peccato originali (17 juni 1546), 5. (2 Tim. niet volgens KBS), vert. uit Lat.
"Een nieuwe schepping"
Het doopsel zuivert niet enkel van alle zonden, het maakt van de pas gedoopte ook "een nieuwe schepping" (2 Kor. 5, 17), een aangenomen kind van God Vgl. Gal. 4, 5-7 die "deel heeft gekregen aan Gods eigen wezen" (2 Pt. 1, 4), lidmaat van Christus Vgl. 1 Kor. 6, 15 Vgl. 1 Kor. 12, 27 en erfgenaam tezamen met Hem (Rom. 8, 17), tempel van de heilige Geest.
De allerheiligste Drie-eenheid geeft aan de gedoopte de heiligmakende genade, de genade van de rechtvaardiging die:
  • hem in staat stelt in God te geloven, op Hem te hopen en Hem te beminnen door de theologale deugden;
  • het hem mogelijk maakt te leven onder de leiding van de heilige Geest en te handelen door de gaven van de heilige Geest;
  • hem in staat stelt te groeien in het goede door de morele deugden.
Heel het organisme van het bovennatuurlijk leven van de Christen heeft dus zijn wortels in het heilig Doopsel.
Ingelijfd in de Kerk, het lichaam van Christus
Door het Doopsel zijn wij ledematen van het lichaam van Christus geworden. "Daarom (...) zijn wij elkanders ledematen" (Ef. 4, 25). Door het Doopsel worden wij in de Kerk ingelijfd. Uit de doopvont wordt het ene Volk van God van het Nieuwe Verbond geboren, dat alle natuurlijke of menselijke grenzen van de volken, culturen, rassen en geslachten overschrijdt: "Wij zijn immers in de kracht van een en dezelfde Geest door de doop ��n enkel lichaam geworden" (1 Kor. 12, 13).
De gedoopten zijn "levende stenen" geworden voor "de bouw van een geestelijke tempel", voor "een heilig priesterschap" (1 Pt. 2, 5). Door het Doopsel hebben zij deel aan het priesterschap van Christus, aan zijn profetische en koninklijke zending. Zij zijn "een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterschap, een heilige natie, Gods eigen Volk, bestemd om de roemruchte daden te verkondigen van Hem die (hen) uit de duisternis heeft geroepen tot zijn wonderbaar licht" (1 Pt. 2, 9). Het doopsel maakt de gedoopte het gemeenschappelijk priesterschap van de gelovigen deelachtig.
Als lidmaat van de Kerk behoort de gedoopte niet meer zichzelf toe (1 Kor. 6, 19), maar Hem die voor ons gestorven en verrezen is. Vgl. 1 Kor. 6, 19 Hij is nu geroepen om aan anderen onderdanig te zijn, Vgl. 2 Kor. 5, 15 hen te dienen Vgl. Ef. 5, 21 Vgl. 1 Kor. 16, 15-16 in de gemeenschap van de Kerk, "gehoorzaam en volgzaam" te zijn jegens de kerkelijke leiders (Heb. 12, 17), Vgl. Joh. 13, 12-15 hen met eerbied en genegenheid te bejegenen. Vgl. 1 Tess. 5, 12-13 Zoals uit het doopsel verantwoordelijkheden en plichten voortkomen, zo geniet de gedoopte ook rechten in de Kerk: hij heeft het recht de Sacramenten te ontvangen, gevoed te worden met het woord van God en steun te ondervinden van de andere geestelijke hulpmiddelen van de Kerk. Vgl. 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk, Lumen Gentium (21 nov 1964), 37 Vgl. Wetboek, Codex van het Canonieke recht, Codex Iuris Canonici (25 jan 1983), 208-217. vv Vgl. Wetboek, Codex van Canoniek Recht van de Oosterse Kerken, Codex Canonum Ecclesiarum Orientalium (1 okt 1991), 675. 2
"Tot kinderen Gods herboren, moeten (de gedoopten) het geloof dat zij van God door de Kerk verkregen hebben tegenover de mensen belijden" 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk, Lumen Gentium (21 nov 1964), 11. vert. uit Lat. en deelnemen aan de apostolische en missionaire activiteit van het Volk van God. Vgl. 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk, Lumen Gentium (21 nov 1964), 17 Vgl. 2e Vaticaans Concilie, Decreet, Over de missie-activiteit van de Kerk, Ad Gentes Divinitus (7 dec 1965), 7.23
De sacramentele band van de eenheid der Christenen
Het Doopsel vormt de grondslag voor de eenheid onder alle Christenen, ook met hen die nog niet ten volle in gemeenschap met de katholieke Kerk leven: "Want zij die in Christus geloven en geldig gedoopt zijn, treden in een zekere, zij het niet volkomen gemeenschap met de katholieke kerk. (...) In het Doopsel, gerechtvaardigd door het geloof, worden zij in Christus ingelijfd. Zij voeren daarom met recht de naam vanCchristenen en door de zonen en dochters van de katholieke Kerk worden zij terecht als broeders en zusters in de Heer erkend". 2e Vaticaans Concilie, Decreet, Over de oecumene, Unitatis Redintegratio (21 nov 1964), 3. vert. uit Lat. "Het Doopsel vormt daarom de sacramentele band van de eenheid tussen allen die erdoor zijn wedergeboren". 2e Vaticaans Concilie, Decreet, Over de oecumene, Unitatis Redintegratio (21 nov 1964), 22. vert. uit Lat.
Een onuitwisbaar geestelijk merkteken

Door het Doopsel ingelijfd in Christus, is de gedoopte gelijkvormig geworden met Christus. Vgl. Rom. 8, 29 Het doopsel tekent de Christen met het onuitwisbaar geestelijk merkteken (character) van zijn toebehoren aan Christus. Dit merkteken wordt door geen enkele zonde uitgewist, zelfs als de zonde het Doopsel verhindert heilzame vruchten te dragen. Vgl. Concilie van Trente, 7de Zitting - Decreet over de Sacramenten, Sessio VII - Decretum de Sacramentis (3 mrt 1547), 9-19 Het Doopsel wordt eens voor altijd gegeven en kan dus niet herhaald worden.

Door het Doopsel ingelijfd in de Kerk, hebben de gelovigen het sacramentele merkteken gekregen dat hen heiligt voor de christelijke eredienst. Vgl. 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk, Lumen Gentium (21 nov 1964), 11 Het zegel van het Doopsel maakt het de Christenen mogelijk en verplicht hen ertoe, God te dienen door van harte aan de heilige liturgie van de Kerk deel te nemen en hun gemeenschappelijk priesterschap uit te oefenen door het getuigenis van een heilig leven en daadwerkelijke liefde. Vgl. 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk, Lumen Gentium (21 nov 1964), 10

Het "zegel van de Heer" ("dominicus character") H. Augustinus, Brieven, Epistulae. 98,5, vert. uit Lat. is het zegel waarmee de heilige Geest ons getekend heeft "voor de dag der verlossing" (Ef. 4, 30). Vgl. Ef. 1, 13-14 Vgl. 2 Kor. 1, 21-22 "Het Doopsel is inderdaad het zegel van het eeuwige leven". H. Ireneüs van Lyon, Demonstratio Apostolica Praedicationis. 3, vert. uit Lat. De gelovige die "het zegel bewaard zal hebben" tot op het einde, dit wil zeggen: die trouw zal zijn gebleven aan de eisen van zijn Doopsel, zal heen kunnen gaan "gemerkt met het teken van het geloof", H. Paus Paulus VI, Apostolische Constitutie, ex Decr. Sacr. Oec. Conc. Vat. II instauratum, auctoritate Pauli PP. VI promulgatum, ed. typica, Missale Romanum (3 apr 1969). Eucharistisch gebed I, nr. 97, vert. Altaarmissaal (NL) blz. LI; Vgl. 693); Missaal voor Zon- en Feestdagen (B), 265 met het geloof van zijn Doopsel, in afwachting van de zalige aanschouwing van God - de voltooiing van het geloof - en in de hoop op de verrijzenis.

Document

Naam: CATECHISMUS VAN DE KATHOLIEKE KERK
Soort: Catechismus-Compendium
Datum: 15 augustus 1997
Copyrights: © 1997, Libreria Editrice Vaticana
waarin verwerkt niet officiële aanpassing aan de "editio typica"
Bewerkt: 2 juni 2019

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Inhoudsopgave van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
Trefwoordenlijst voor dit document
 
|
Pagina delen: 
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2019, Stg. InterKerk, Schiedam