• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x
Het mysterie van de verrijzenis van Christus is een werkelijk gebeuren waarvan men de manifestaties in de geschiedenis heeft kunnen constateren, zoals het Nieuwe Testament getuigt. Reeds de heilige Paulus kan omstreeks het jaar 56 aan de Korintiërs schrijven: "Ik heb u overgeleverd wat ik ook zelf als overlevering heb ontvangen, namelijk dat Christus gestorven is voor onze zonden, volgens de Schriften, en dat Hij begraven is, en dat Hij is opgestaan op de derde dag volgens de Schriften, en dat Hij is verschenen aan Kefas en daarna aan de Twaalf" (1 Kor. 15, 3-4). De apostel spreekt hier over de levende overlevering van de verrijzenis, die hij ontvangen had na zijn bekering voor de poorten van Damascus. Vgl. Hand. 9, 3-18
Het lege graf
"Wat zoekt ge de Levende bij de doden? Hij is niet hier, Hij is verrezen" (Lc. 24, 5-6). In het kader van de gebeurtenissen van Pasen is het eerste element waar men op stuit, het lege graf. Dat is op zich geen direct bewijs. De afwezigheid van het lichaam van Christus in het graf zou ook anders uitgelegd kunnen worden. Vgl. Joh. 20, 13 Vgl. Mt. 28, 11-15 Desondanks is het lege graf voor allen een wezenlijk teken geweest. De ontdekking ervan door de leerlingen is de eerste stap geweest naar de erkenning van het feit zelf van de verrijzenis. Dat is allereerst het geval voor de heilige vrouwen, Vgl. Lc. 24, 3.22-23 daarna voor Petrus. Vgl. Lc. 24, 12 "De door Jezus beminde leerling" (Joh. 20, 2) verzekert dat hij bij het binnengaan van het lege graf en het ontdekken van "de zwachtels die daar lagen" (Joh. 20, 6) "zag en geloofde" Vgl. Joh. 20, 8 . Dat veronderstelt dat hij uit de toestand van het lege graf Vgl. Joh. 20, 5-7 afgeleid heeft dat de afwezigheid van het lichaam van Jezus niet het resultaat van mensenwerk geweest kan zijn en dat Jezus niet eenvoudigweg teruggekeerd was tot een aards leven, zoals in het geval van Lazarus. Vgl. Joh. 11, 44
De verschijningen van de Verrezene
Maria Magdalena en de heilige vrouwen zijn de eerste geweest, die de Verrezene ontmoet hebben. Vgl. Mt. 28, 9-10 Vgl. Joh. 20, 11-18 Zij kwamen om het balsemen van het lichaam van Jezus Vgl. Mc. 16, 1 Vgl. Lc. 24, 1 , dat, op de avond van de Goede Vrijdag vanwege het aanbreken van de sabbat haastig begraven was, te voltooien. Vgl. Joh. 19, 31.42 Zo waren de vrouwen voor de apostelen zelf de eerste boodschapsters van de verrijzenis van Christus. Vgl. Lc. 24, 9-10 Daarna verschijnt Jezus aan de apostelen, allereerst aan Petrus, dan aan de Twaalf. Vgl. 1 Kor. 15, 5 Petrus, die geroepen is het geloof van zijn broeders te versterken, Vgl. Lc. 22, 31-32 ziet dus de Verrezene vóór hen en op grond van zijn getuigenis roept de gemeenschap uit: "De Heer is waarlijk verrezen, Hij is aan Simon verschenen" (Lc. 24, 34).
Al wat in die Paasdagen gebeurd is, betrekt ieder van de apostelen afzonderlijk - en heel in het bijzonder Petrus - bij de vestiging van het nieuwe tijdperk dat op Paasmorgen begonnen is. Als getuigen van de Verrezene blijven zij de fundamenten waarop zijn kerk gegrondvest is. Het geloof van de eerste gemeenschap van gelovigen is gebaseerd op het getuigenis van concrete mensen, die de christenen kenden en die voor het merendeel nog onder hen leefden. Deze "getuigen van de verrijzenis van Christus" Vgl. Hand. 1, 22 zijn vooral Petrus en de Twaalf, maar zij niet alleen: Paulus zegt duidelijk dat Jezus behalve aan Jakobus én aan alle apostelen ook nog aan meer dan vijfhonderd personen tegelijk verschenen is. Vgl. 1 Kor. 15, 4-8
Geconfronteerd met deze getuigenissen is het onmogelijk de verrijzenis van Christus te interpreteren als iets dat buiten de fysieke orde valt en haar niet te erkennen als een historisch feit. Uit de feiten blijkt dat het geloof van de leerlingen door het lijden en de kruisdood van hun Meester, door Hem van tevoren aangekondigd, radicaal op de proef gesteld is. Vgl. Lc. 22, 31-32 De schok die het lijden teweegbracht, was zo groot dat de leerlingen (of tenminste sommigen onder hen) niet onmiddellijk het bericht over de verrijzenis geloofden. Verre van ons een gemeenschap te tonen die gegrepen is door een mystieke vervoering, laten ons de evangelies leerlingen zien die terneergeslagen ("met een bedrukt gezicht") (Lc. 24, 17) en bang zijn. Vgl. Joh. 20, 19 Daarom geloofden zij de heilige vrouwen niet, toen zij van het graf terugkeerden, en "leek dat verhaal hun beuzelpraat" (Lc. 24, 11). Vgl. Mc. 16, 11.13 Wanneer Jezus op de avond van Pasen aan zijn leerlingen verschijnt, "maakt Hij hun een verwijt van hun hardnekkig ongeloof, omdat zij geen geloof hadden geschonken aan diegenen die Hem gezien hadden, nadat Hij verrezen was" (Mc. 16, 14).
Zelfs wanneer de leerlingen geconfronteerd worden met de werkelijkheid van de verrezen Jezus, twijfelen zij nog, Vgl. Lc. 24, 39 zo onmogelijk komt hun de zaak voor: zij menen een geest te zien. Vgl. Lc. 24, 39 "Van vreugde en verbazing kunnen zij niet geloven" (Lc. 24, 41). Thomas zal dezelfde beproeving van de twijfel kennen Vgl. Joh. 20, 24-27 en bij de laatste verschijning in Galilea, zoals die door Matteüs verteld wordt, "twijfelden sommigen echter" (Mt. 28, 17). Daarom is de hypothese dat de verrijzenis een "product" van het geloof (of van de lichtgelovigheid) van de apostelen zou zijn geweest, ongegrond. Integendeel: hun geloof in de verrijzenis is onder de werking van de goddelijke genade voortgekomen uit de directe ervaring met de werkelijkheid van de verrezen Jezus.
De toestand van de verrezen menselijke natuur van Christus
Jezus treedt na zijn verrijzenis rechtstreeks in contact met zijn leerlingen door hen aan te raken Vgl. Lc. 24, 39 Vgl. Joh. 20, 27 en de maaltijd met hen te gebruiken. Vgl. Lc. 24, 30.41-43 Vgl. Joh. 21, 9.13-15 Hij nodigt hen uit daardoor te erkennen dat Hij geen geest is, Vgl. Lc. 24, 39 maar vooral om daardoor vast te stellen dat het verrezen lichaam waarin Hij hun verschijnt, hetzelfde lichaam is dat gefolterd en gekruisigd is, aangezien het nog de sporen draagt van het lijden. Vgl. Lc. 24, 40 Vgl. Joh. 20, 20.27 Dit authentieke, werkelijke lichaam heeft echter tegelijkertijd de nieuwe kenmerken van een verheerlijkt lichaam: het is niet meer gebonden aan tijd en ruimte, maar Hij kan het laten verschijnen op welke wijze en wanneer Hij maar wil, Vgl. Mt. 28, 9.16-17 Vgl. Lc. 24, 15.36 Vgl. Joh. 20, 14.19.26 Vgl. Joh. 21,4 want zijn menselijke natuur kan op aarde niet meer vastgehouden worden en behoort alleen nog maar tot het goddelijk rijk van de Vader. Vgl. Joh. 20, 17 Daarom ook staat het Jezus na zijn verrijzenis volledig vrij te verschijnen, zoals Hij wil: in de gedaante van de tuinman Vgl. Joh. 20, 14-15 of "in andere gedaantes" (Mc. 16, 12) dan die welke aan de leerlingen bekend waren, juist om hun geloof op te wekken. Vgl. Joh. 20, 14.16 Vgl. Joh. 21, 4.7
De verrijzenis van Christus was geen terugkeer naar het aardse leven, zoals dat het geval was met de opwekkingen die Hij voor Pasen gedaan had: de dochter van Jaïrus, de jongeman uit Naïm en Lazarus. Deze feiten waren wonderbare gebeurtenissen, maar de door een wonder ten leven gewekte personen kregen door de macht van Jezus een "gewoon" aards leven terug. Op een gegeven ogenblik zullen zij opnieuw sterven. De verrijzenis van Christus is wezenlijk anders. In zijn verrezen lichaam gaat Hij van (de toestand van) de dood over naar een ander leven buiten tijd en ruimte, Het lichaam van Jezus is in de verrijzenis vervuld van de kracht van de heilige Geest; Hij deelt in het goddelijk leven door de staat van zijn heerlijkheid, en wel zo dat de heilige Paulus over Christus kan zeggen dat Hij "de hemelse mens" is. Vgl. 1 Kor. 15, 35-50
De verrijzenis als transcendent gebeuren
"O waarlijk heilige nacht", zingt het Exsultet, "de enige die tijd en uur mocht kennen waarop Christus uit de doden verrees!" Z. Paus Paulus VI, Apostolische Constitutie, ex Decr. Sacr. Oec. Conc. Vat. II instauratum, auctoritate Pauli PP. VI promulgatum, ed. typica, Missale Romanum (3 apr 1969). Tijdens de viering van de Paasnacht het "Exsultet" Niemand is immers ooggetuige geweest van de gebeurtenis zelf van de verrijzenis en geen enkele evangelist beschrijft haar. Niemand heeft kunnen zeggen hoe zij fysiek gezien tot stand gekomen is. En het diepste wezen ervan, de overgang naar een ander leven, was nog minder zintuiglijk waarneembaar. Hoewel de verrijzenis een historische gebeurtenis is, die door het teken van het lege graf en de werkelijkheid van de ontmoetingen van de apostelen met de verrezen Christus vast te stellen is, blijft ze, in zoverre ze de geschiedenis te boven gaat en daarboven uitstijgt, ten diepste een geloofsmysterie. Daarom toont de verrezen Christus zich niet aan de wereld, Vgl. Joh. 14, 22 maar wel aan zijn leerlingen, "aan degenen die Hem van Galilea naar Jeruzalem hadden vergezeld, juist aan degenen die nu getuigen van Hem zijn voor het volk" (Hand. 13, 31).

Document

Naam: CATECHISMUS VAN DE KATHOLIEKE KERK
Soort: Catechismus-Compendium
Datum: 15 augustus 1997
Copyrights: © 1997, Libreria Editrice Vaticana
waarin verwerkt niet officiële aanpassing aan de "editio typica"
Bewerkt: 19 juni 2017

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Inhoudsopgave van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
Trefwoordenlijst voor dit document
 
|
Pagina delen: 
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2017, Stg. InterKerk, Schiedam