• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x
Het doopsel van Jezus
Het begin Vgl. Lc. 3, 23 van het openbare leven van Jezus is zijn doopsel door Johannes in de Jordaan. Vgl. Hand. 1, 22 Johannes verkondigde "een doopsel van bekering tot vergeving van de zonden" (Lc. 3, 3). Een menigte zondaars, tollenaars en soldaten, Vgl. Lc. 3, 10-14 Farizeeën, Sadduceeën Vgl. Mt. 3, 7 en ontuchtige vrouwen Vgl. Mt. 21, 32 komt zich door hem laten dopen. "Dan verschijnt Jezus". De Doper aarzelt, maar Jezus dringt aan: Hij ontvangt het doopsel. Dan komt de heilige Geest in de gedaante van een duif over Jezus en een stem uit de hemel verkondigt: "Dit is mijn welbeminde Zoon" Vgl. Mt. 3, 13-17 . Dit is de openbaring ("Epifanie") van Jezus als Messias van Israël en Zoon van God.
Met het doopsel aanvaardt en begint Jezus zijn zending als lijdende Dienaar. Hij laat zich bij de zondaars rekenen. Vgl. Jes. 53, 12 Hij is al "het Lam Gods dat de zonde van de wereld wegneemt" (Joh. 1, 29). Hij loopt al vooruit op het "doopsel" van zijn bloedige dood. Vgl. Mc. 10, 38 Vgl. Lc. 12, 50 Hij komt reeds "de gerechtigheid volledig vervullen" (Mt. 3, 15), d.w.z. Hij onderwerpt zich geheel aan de wil van zijn Vader: uit liefde stemt Hij in met dit doopsel van de dood tot vergeving van onze zonden. Vgl. Mt. 26, 39 Op deze aanvaarding antwoordt de stem van de Vader die heel zijn welbehagen vindt in zijn Zoon. Vgl. Lc. 3, 22 Vgl. Jes. 42, 1 De Geest die Jezus vanaf zijn ontvangenis in volheid bezit, komt op Hem "rusten" Vgl. Joh. 1, 32-33 Vgl. Jes. 11, 2 Hij zal voor heel de mensheid de bron van deze Geest zijn. Bij zijn doop "ging de hemel open" (Mt. 3, 16), die de zonde van Adam gesloten had; en het water wordt door de afdaling van Jezus en de Geest geheiligd, een begin van de nieuwe schepping.

Door het Doopsel wordt de Christen sacramenteel gelijkvormig gemaakt aan Jezus, die in zijn Doopsel vooruitloopt op zijn dood en verrijzenis; de Christen moet in dit mysterie van deemoedige vernedering en berouw binnengaan, afdalen in het water samen met Jezus om met Hem hieruit weer omhoog te stijgen, wedergeboren worden uit water en Geest om in de Zoon welbeminde zoon van de Vader te worden en "een nieuw leven te leiden" (Rom. 6, 4).

Laten wij ons met Christus door het doopsel begraven om met Hem te verrijzen; laten wij met Hem afdalen om met Hem verheven te worden; laten wij met Hem weer omhoog stijgen om ook met Hem verheerlijkt te worden. H. Gregorius van Nazianze, Orationes theologicae. 40,9, vert. uit Gr.

Al wat in Christus volbracht is, laat ons zien dat na het waterbad de heilige Geest vanaf de poorten van de hemel over ons komt (...) en dat wij, door de stem van de Vader aangenomen, kinderen van God worden. H. Hilarius van Poitiers, Commentaar op het Evangelie van Matteüs, Commentarius in Evangelium Matthei. 2, vert. uit Lat.

De bekoring van Jezus
De Evangelies spreken over een tijd van eenzaamheid van Jezus in de woestijn onmiddellijk na zijn doop door Johannes: "Gedreven door de Geest" naar de woestijn, verblijft Jezus daar veertig dagen zonder te eten; Hij leeft er met de wilde dieren en de engelen dienen Hem. Vgl. Mc. 1, 12-13 Aan het einde van deze tijd stelt Satan hem driemaal op de proef, waarbij hij probeert de houding van Jezus als Zoon tegenover God ter discussie te stellen. Jezus slaat deze aanvallen af, die de bekoringen van Adam in het paradijs en die van Israël in de woestijn samenvatten, en de duivel verwijdert zich van Hem "tot de vastgestelde tijd" (Lc. 4, 13).

De evangelisten wijzen op de heilzame betekenis van dit mysterieus gebeuren. Jezus is de nieuwe Adam, die waar de eerste Adam bezweken is voor de bekoring, trouw gebleven is. Jezus vervult op volmaakte wijze de roeping van Israël: in tegenstelling tot hen die eertijds gedurende veertig jaar God tartten in de woestijn, Vgl. Ps. 95, 10 openbaart Christus zich als de dienaar Gods, die geheel gehoorzaam is aan de goddelijke wil. Daarin overwint Jezus de duivel: Hij heeft "de sterke gebonden" om hem zijn buit weer af te nemen. Vgl. Mc. 3, 27 De overwinning van Jezus op de verleider in de woestijn loopt vooruit op de overwinning van het lijden, de hoogste vorm van gehoorzaamheid van zijn kinderlijke liefde voor de Vader.

De bekoring van Jezus laat zien hoe Gods Zoon - in tegenstelling tot wat de Satan Hem voorstelt en de mensen Vgl. Mt. 16, 21-23 Hem willen toeschrijven - Messias is. Daarom heeft Christus de verleider voor ons overwonnen: "Want wij hebben een hogepriester die in staat is mee te voelen met onze zwakheden. Hij werd zelf op allerlei manieren op de proef gesteld, precies zoals wij, afgezien dan van de zonde" (Heb. 4, 15). De Kerk verenigt zich ieder jaar gedurende de veertig dagen van de grote vasten met het mysterie van Jezus in de woestijn.
"Het rijk Gods is nabij"
"Nadat Johannes was gevangen genomen, ging Jezus naar Galilea en verkondigde er Gods Blijde Boodschap. Hij zei: 'De tijd is vervuld en het Rijk Gods is nabij; bekeert u en gelooft in de Blijde Boodschap"' (Mc. 1, 15). "Om de wil van de Vader te vervullen heeft Christus het koninkrijk der hemelen op aarde doen beginnen". 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk, Lumen Gentium (21 nov 1964), 3. vert. uit Lat. Wel, de wil van de Vader houdt in "de mensen [te] verheffen tot deelname aan het goddelijk leven". 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk, Lumen Gentium (21 nov 1964), 2. vert. uit Lat. Hij doet dit door de mensen rondom zijn Zoon, Jezus Christus, te verzamelen. Deze verzameling is de Kerk, die op aarde "het zaad en het begin van het koninkrijk van God" 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk, Lumen Gentium (21 nov 1964), 5. vert. uit Lat. is.
Christus staat in het midden van deze verzameling mensen in "Gods familie". Hij roept hen rondom zich samen door zijn woord, door zijn tekenen die het rijk van God zichtbaar maken, door het zenden van zijn leerlingen. Hij zal de komst van zijn rijk vooral verwezenlijken door het grote mysterie van zijn Pasen: zijn dood op het kruis en zijn verrijzenis. "En wanneer Ik van de aarde zal zijn omhooggeheven, zal Ik allen tot Mij trekken" (Joh. 12, 32). Alle mensen zijn tot deze vereniging met Christus geroepen. Vgl. 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk, Lumen Gentium (21 nov 1964), 3
De verkondiging van het rijk Gods
Alle mensen zijn geroepen binnen te gaan in het koninkrijk. Allereerst verkondigd aan de kinderen van Israël, Vgl. Mt. 10, 5-7 is dit Messiaanse koninkrijk bestemd om de mensen van alle volken op te nemen. Vgl. Mt. 8, 11 Vgl. Mt. 28, 19 Om binnen te treden moet men het woord van Jezus in zich opnemen.
Het woord van de Heer wordt immers vergeleken met het zaad dat op de akker gezaaid wordt; zij die het met geloof aanhoren en gerekend worden tot de kleine kudde van Christus, hebben het koninkrijk in zich opgenomen. Daarna ontkiemt het zaad uit eigen kracht en schiet het op tot de tijd van de oogst. 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk, Lumen Gentium (21 nov 1964), 5. vert. uit Lat.

Het koninkrijk behoort aan de armen en de kleinen, d.w.z. aan hen die het met een deemoedig hart in zich opgenomen hebben. Jezus is gezonden "om aan de armen de Blijde Boodschap te brengen" (Lc. 4, 18). Vgl. Lc. 7, 22 Hij noemt hen zalig "omdat aan hen het rijk der hemelen behoort (Mt. 5, 3); aan de "kleinen" heeft de Vader willen openbaren wat verborgen blijft voor de wijzen en de verstandigen. Vgl. Mt. 11, 25 Jezus deelt van kribbe tot kruis in het leven van de armen; Hij kent honger, Vgl. Mc. 2, 23-26 Vgl. Mt. 21, 18 dorst Vgl. Joh. 4, 6-7 Vgl. Joh. 19, 28 en gebrek. Vgl. Lc. 9, 58 Wat meer is: Hij vereenzelvigt zich met armen van allerlei slag en maakt van de daadwerkelijke liefde jegens hen een voorwaarde om in zijn koninkrijk binnen te treden. Vgl. Mt. 25, 31-46

Jezus nodigt de zondaars uit aan de tafel van het koninkrijk: "Ik ben niet gekomen om rechtvaardigen te roepen, maar zondaars" (Mc. 2, 17). Vgl. 1 Tim. 1, 15 Hij nodigt hen uit tot bekering, zonder welke men het koninkrijk niet kan binnengaan, maar Hij toont hun ook in woord en daad hoe grenzeloos de barmhartigheid van zijn Vader is jegens hen Vgl. Lc. 15, 11-32 en hoe immens de "vreugde in de hemel over " een zondaar die zich bekeert" (Lc. 15, 7). Het uiterste bewijs van deze liefde zal het offer zijn van zijn eigen leven "tot vergeving van zonden" (Mt. 26, 28).
Door middel van zijn parabels, die heel typerend zijn voor zijn onderricht, roept Jezus mensen op zijn koninkrijk binnen te gaan. Vgl. Mc. 4, 33-34 Hiermee nodigt Hij uit tot het feestmaal van zijn koninkrijk, Vgl. Mt. 22, 1-14 en vraagt Hij tevens een radicale keuze: om het koninkrijk te verwerven moet men alles geven; Vgl. Mt. 13, 44-45 woorden zijn niet voldoende, er zijn daden nodig. Vgl. Mt. 21, 28-32 De parabels zijn als spiegels voor de mens: neemt hij als een rotsgrond of als een goede aarde het woord in zich op? Vgl. Mt. 13, 3-9 Wat doet hij met de ontvangen talenten? Vgl. Mt. 25, 14-30 Jezus en de tegenwoordigheid van het koninkrijk in deze wereld staan, zij het verborgen centraal in de parabels. Men moet het koninkrijk binnengaan, d.w.z. leerling worden van Christus om "de geheimen van het rijk der hemelen te kennen" (Mt. 13, 11). Voor hen die "erbuiten staan" (Mc. 4, 11), blijft alles raadselachtig. Vgl. Mt. 13, 10-15
De tekenen van het rijk Gods
Jezus laat zijn parabels vergezeld gaan van talrijke "machtige daden, wonderen en tekenen" (Hand. 2, 22), die tonen dat het koninkrijk in Hem aanwezig is. Zij getuigen van het feit dat Jezus de aangekondigde Messias is. Vgl. Lc. 7, 18-23
De tekenen die Jezus heeft verricht getuigen ervan dat de Vader Hem gezonden heeft. Vgl. Joh. 5, 36 Vgl. Joh. 10, 25 Zij nodigen ertoe uit in Hem te geloven. Vgl. Joh. 10, 38 Aan hen die zich in geloof tot Hem richten, geeft Hij wat zij vragen. Vgl. Mc. 5, 25-34 Vgl. Mc. 10, 52 Dan versterken de wonderen het geloof in Hem die de werken van zijn Vader doet: zij getuigen dat Hij de Zoon van God is. Vgl. Joh. 10, 31-38 Zij kunnen echter ook "aanstoot geven" Vgl. Mt. 11, 6 . Ze willen de nieuwsgierigheid en het verlangen naar magie niet bevredigen. Ondanks zijn zo duidelijke wonderen wordt Jezus door sommigen toch verworpen; Vgl. Joh. 11, 47-48 men beschuldigt Hem er zelfs van dat Hij werkt met (de hulp van) demonen. Vgl. Mc. 3, 22
Door sommige mensen te verlossen van aardse ellende, zoals honger, Vgl. Joh. 6, 5-15 onrecht, Vgl. Lc. 19, 8 ziekte en dood Vgl. Mt. 11, 5 heeft Jezus Messiaanse tekenen gesteld; Hij is echter niet gekomen om alle kwaad op aarde op te heffen, Vgl. Lc. 12, 13.14 Vgl. Joh. 18,36 maar om de mensen te bevrijden uit de ergste slavernij, die van de zonde: Vgl. Joh. 8, 34-36 zij belemmert hen immers in hun roeping kinderen van God te zijn en is oorzaak van alle mogelijke vormen van slavernij onder de mensen.
De komst van het koninkrijk van God betekent de nederlaag van het rijk van de Satan: Vgl. Lc. 8, 26-39 "Maar als Ik door de geest Gods de duivels uitdrijf, dan is inderdaad het rijk Gods tot u gekomen" (Mt. 12, 28). De duiveluitdrijvingen (exorcismen) van Jezus bevrijden mensen uit de macht van de demonen. Vgl. Lc. 8, 26-39 Zij lopen vooruit op de grote overwinning van Jezus op "de vorst dezer wereld" Vgl. Joh. 12, 31 . Het is door het kruis van Christus dat het rijk Gods definitief gevestigd zal worden, dat "God vanaf het hout regeert". Hymne "Vexilla regis", vert. Getijdenboek blz. 743-745
"De sleutels van het koninkrijk"
Vanaf het begin van zijn openbaar leven kiest Jezus twaalf mannen uit om met Hem te zijn en aan zijn zending deel te hebben. Vgl. Mc. 3, 13-19 Hij liet hen delen in zijn macht en gezag "en Hij zond hen uit om het rijk Gods te verkondigen en genezingen te verrichten" (Lc. 9, 2). Zij blijven voor altijd verbonden met het koninkrijk van Christus, want door hen leidt Hij de kerk:
"Ik verleen u het koninkrijk, zoals mijn Vader het Mij heeft verleend, om in mijn koninkrijk aan mijn tafel te eten en te drinken en op tronen te zetelen en de twaalf stammen van Israël te oordelen" (Lc. 22, 29-30).
In het college van de twaalf neemt Petrus de eerste plaats in. Vgl. Mc. 3, 16 Vgl. Mc. 9, 2 Vgl. Lc. 24, 34 Vgl. 1 Kor. 15, 5 Jezus heeft hem een unieke zending toevertrouwd. Dankzij een openbaring die van de Vader kwam, had Petrus beleden: "Gij zijt de Christus, de Zoon van de levende God". Onze Heer had hem toen gezegd: "Gij zijt Petrus; en op deze steenrots zal Ik mijn Kerk bouwen en de poorten der hel zullen haar niet overweldigen" (Mt. 16, 16). Christus, "de levende steen" Vgl. 1 Pt. 2, 41 geeft zijn op Petrus gebouwde kerk de verzekering van de overwinning op de macht van de dood. Omwille van het geloof dat Petrus heeft beleden, zal hij de onwankelbare rots van de kerk blijven. Hij zal de zending hebben, dit geloof te behoeden voor iedere tekortkoming en zijn broeders erin te bevestigen. Vgl. Lc. 22, 32
Jezus heeft Petrus een bijzondere macht verleend: "Ik zal u de sleutels geven van het rijk der hemelen en wat gij zult binden op aarde, zal ook in de hemel gebonden zijn en wat gij zult ontbinden op aarde, zal ook in de hemel ontbonden zijn" (Mt. 16, 19). De "macht der sleutels" wijst op het gezag om te heersen over het huis van God, dat de kerk is. Jezus, "de goede herder", (Joh. 10, 11) heeft deze opdracht na zijn verrijzenis bevestigd. "Weid mijn schapen" (Joh. 21, 15-17). De macht om "te binden en te ontbinden" betekent de bevoegdheid om zonden te vergeven, om beslissingen op leerstellig gebied af te kondigen en binnen de Kerk disciplinaire maatregelen te nemen. Jezus heeft deze bevoegdheid aan de Kerk gegeven via het ambt van de apostelen Vgl. Mt. 18, 18 en vooral dat van Petrus, de enige aan wie Hij uitdrukkelijk de sleutels van het koninkrijk heeft toevertrouwd.
Een voorproef van het koninkrijk: de gedaanteverandering

Vanaf de dag dat Petrus heeft beleden dat Jezus de Christus is, de Zoon van de levende God, de Meester, "begon Hij zijn leerlingen duidelijk te maken dat Hij naar Jeruzalem moest gaan, dat Hij daar veel zou moeten lijden (...) en dat Hij na ter dood gebracht te zijn op de derde dag zou verrijzen" (Mt. 16, 21). Petrus wijst deze aankondiging af, Vgl. Mt. 16, 22-23 de anderen begrijpen ze evenmin. Vgl. Mt. 17, 23 Vgl. Lc. 9, 45 Het is in deze context dat de mysterieuze episode plaatsvindt van de gedaanteverandering van Jezus, Vgl. Mt. 17, 1-8. par. Vgl. 2 Pt. 1, 16-18 boven op een hoge berg, voor de ogen van drie door Hem gekozen getuigen: Petrus, Jakobus en Johannes. Het gelaat en de kleding van Jezus worden stralend wit, Mozes en Elia verschijnen, en zij "spreken tot Hem over zijn heengaan, dat Hij in Jeruzalem zou voltrekken" (Lc. 9, 31). Een wolk omhult hen en een stem uit de hemel zegt: "Dit is mijn Zoon, de Uitverkorene, luistert naar Hem" (Lc. 9, 35).

Eén ogenblik toont Jezus zijn goddelijke heerlijkheid en bevestigt zo de belijdenis van Petrus. Hij toont ook dat Hij om "in zijn glorie binnen te gaan" (Lc. 24, 26) het kruis in Jeruzalem niet kan ontlopen. Mozes en Elia hadden de heerlijkheid van God op de berg gezien; de Wet en de profeten hadden het lijden van de Heer aangekondigd. Vgl. Lc. 24, 27 Het lijden van de Heer is zeker de wil van de Vader. de Zoon handelt als Dienaar van God. Vgl. Jes. 42, 1 De wolk duidt op de aanwezigheid van de heilige Geest: "Heel de Drieëenheid verscheen: de Vader in de stem, de Zoon in de mens, de heilige Geest in de lichtende wolk". H. Thomas van Aquino, Summa Theologiae. 3,45,4 ad 2, vert. uit Lat.
Gij hebt een andere gedaante aangenomen op de berg en, voor zover zij daartoe in staat waren, hebben uw leerlingen de heerlijkheid aanschouwd van U, Christus, God, opdat zij, wanneer zij U gekruisigd zouden zien, zouden begrijpen dat Uw lijden vrijwillig was en zij aan de wereld zouden verkondigen dat Gij werkelijk de uitstraling van de Vader zijt. Byzantijnse liturgie, Kontakion van het feest van de Gedaanteverandering
Op de drempel van zijn openbare leven: het doopsel; op de drempel van Pasen: de gedaanteverandering. Door het doopsel van Jezus "werd het mysterie van onze eerste wedergeboorte geopenbaard": ons doopsel; de gedaanteverandering "is het sacrament van de tweede wedergeboorte": onze eigen verrijzenis. H. Thomas van Aquino, Summa Theologiae. 3,45,4 ad 2, vert. uit Lat. Voortaan hebben wij deel aan de verrijzenis van de Heer door de heilige Geest die werkzaam is in de sacramenten van het Lichaam van Christus. De gedaanteverandering geeft ons een voorproef van de komst in heerlijkheid van Christus "die ons armzalig lichaam zal herscheppen en het gelijkvormig zal maken aan zijn verheerlijkt lichaam" (Fil. 3, 21). Maar zij herinnert ons ook eraan dat "wij door vele kwellingen het rijk Gods moeten binnengaan" (Hand. 14, 22):
Dat had Petrus nog niet begrepen, toen hij met Christus wilde leven op de berg. Vgl. Lc. 9, 33 Hij bewaarde dat, Petrus, voor u tot na de dood. Maar nu zegt Hij zelf: daal af om op aarde te zwoegen, om op aarde veracht, gekruisigd te worden. Het Leven daalt af om zich te laten doden; het Brood daalt af om honger te hebben; de Weg daalde neer om onderweg vermoeid te raken; de Bron daalt af om dorst te hebben; en gij weigert te zwoegen? H. Augustinus, Sermones. 78,6, vert uit Lat.
De opgang van Jezus naar Jeruzalem

"Toen de dagen van zijn verheffing hun vervulling tegemoet gingen, aanvaardde Jezus vastberaden de reis naar Jeruzalem" (Lc. 9, 51). Vgl. Joh. 13, 1 Door deze beslissing gaf Hij te kennen dat Hij naar Jeruzalem opging, omdat Hij bereid was er te sterven. Driemaal had Hij zijn lijden en verrijzenis aangekondigd. Vgl. Mc. 8, 31-33 Vgl. Mc. 9, 31-32 Vgl. Mc. 10, 32-34 Wanneer Hij op weg gaat naar Jeruzalem, zegt Hij: "Het past niet dat een profeet buiten Jeruzalem omkomt" (Lc. 13, 33).

Jezus herinnert aan de marteldood van de profeten die in Jeruzalem ter dood waren gebracht. Vgl. Mt. 23, 37. a Niettemin blijft Hij Jeruzalem ertoe oproepen zich rondom Hem te verzamelen: "Hoe dikwijls heb Ik uw kinderen willen verzamelen, zoals een kloek haar kuikens verzamelt onder haar vleugels, maar gij hebt niet gewild" (Mt. 23, 37, b). Wanneer Jeruzalem in zicht komt, weent Hij over de stad en brengt nogmaals zijn hartenwens tot uitdrukking: "Mocht ook gij op deze dag inzien, wat u tot vrede strekt. Maar nu is dat voor Uw ogen verborgen" (Lc. 19, 42).

De Messiaanse intocht van Jezus in Jeruzalem

Hoe gaat Jeruzalem zijn Messias ontvangen? Hoewel Jezus zich altijd onttrokken had aan de pogingen van het volk om Hem tot koning te maken, Vgl. Joh. 6, 15 kiest Hij wel het tijdstip uit van zijn Messiaanse intocht in de stad van "zijn vader David" (Lc. 1, 32) Vgl. Mt. 21, 1-11 en bereidt deze intocht tot in de details voor. Hij wordt toegejuicht als de zoon van David, Hij die het heil brengt (Hosanna wil zeggen: "red toch!", "geef het heil!"). De "koning der glorie" (Ps. 24, 7-10) gaat nu zijn stad binnen, "gezeten op een ezel" (Zach. 9, 9): Hij verovert de dochter van Sion, een voorafbeelding van zijn Kerk, niet met list of geweld, maar met een nederigheid die getuigt van de waarheid. Vgl. Joh. 18, 37 Daarom zijn de onderdanen van zijn koninkrijk op die dag, de kinderen Vgl. Mt. 21, 15-16 Vgl. Ps. 8, 3 en de "armen van God" die Hem toejuichen, zoals de engelen Hem verkondigden aan de herders. Vgl. Lc. 19, 38 Vgl. Lc. 2, 14 Hun toejuiching "Gezegend Hij die komt in de naam des Heren" (Ps. 118, 26) wordt door de Kerk in het "Sanctus" van de Eucharistieviering herhaald aan het begin van de herdenking van het Pasen van de Heer.

De intocht van Jezus in Jeruzalem toont de komst van het koninkrijk die de Koning-Messias zal verwezenlijken door het Pasen van zijn dood en verrijzenis. Het is met de viering van Palmzondag dat de Liturgie van de Kerk de Goede Week begint.

Document

Naam: CATECHISMUS VAN DE KATHOLIEKE KERK
Soort: Catechismus-Compendium
Datum: 15 augustus 1997
Copyrights: © 1997, Libreria Editrice Vaticana
waarin verwerkt niet officiële aanpassing aan de "editio typica"
Bewerkt: 10 november 2017

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Inhoudsopgave van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
Trefwoordenlijst voor dit document
 
|
Pagina delen: 
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2017, Stg. InterKerk, Schiedam