• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x
De schepping heeft haar eigen goedheid en volmaaktheid, maar ze is niet geheel voltooid uit de handen van de Schepper gekomen. Ze is geschapen in een staat van op-weg-zijn ("in statu viae") naar een nog te verwachten, uiteindelijke voltooiing, waartoe God haar bestemd heeft. Wij noemen de beschikkingen waarmee God zijn schepping naar deze volmaaktheid leidt, goddelijke voorzienigheid.
God bewaakt en bestuurt in zijn voorzienigheid alles wat Hij geschapen heeft "door machtig van het ene einde tot het andere te reiken en alles op voortreffelijke wijze te besturen" (Wijsh. 8, 1). Want "alles ligt open en bloot voor zijn ogen" (Heb. 4, 13), zelfs wat door het vrije handelen van de schepselen zal gebeuren. 1e Vaticaans Concilie, 3e Zitting - Dogmatische Constitutie over het Katholieke Geloof, Dei Filius (24 apr 1870), 4. vert uit Lat.

Het getuigenis van de Schrift is unaniem in deze: de zorg van de goddelijke voorzienigheid is "concreet" en "onmiddellijk"; zij zorgt voor alles, van de kleinste dingen tot de grote gebeurtenissen in de wereld en de geschiedenis. De Schrift bevestigt met klem de absolute soevereiniteit van God in de loop van de gebeurtenissen: "De God van Israël is in de hemel, Hij handelt zoals Hij verkiest" (Ps. 115, 3); en van Christus wordt gezegd: "Als Hij opent, sluit niemand en als Hij sluit, opent niemand" (Openb. 3, 7); "In het hart van een man gaan veel plannen om, maar wat Jahwe besluit, dat komt tot stand" (Spr. 19, 21).

Zo zien wij de heilige Geest, de belangrijkste auteur van de heilige Schrift, vaak handelingen aan God toeschrijven zonder tweede oorzaken te vermelden. En dat is niet een primitieve "manier van spreken", maar een diepzinnige manier om Gods primaatschap en absolute heerschappij over geschiedenis en wereld Vgl. Jes. 10, 5-15 Vgl. Jes. 45, 5-7 Vgl. Deut. 32, 39 Vgl. Sir. 11, 14 in herinnering te roepen en zo op te voeden tot vertrouwen in Hem. Het psalmgebed is de grote school van dit vertrouwen. Vgl. Ps. 22
Jezus vraagt een kinderlijke overgave aan de voorzienigheid van de hemelse Vader, die zorgt voor de kleinste noden van zijn kinderen: "Maakt u dus geen zorgen over de vraag: wat zullen wij eten of wat zullen wij drinken (...) Uw hemelse Vader weet wel dat gij al deze dingen nodig hebt. Maar zoekt eerst het koninkrijk en zijn gerechtigheid: dan zal dat alles u erbij gegeven worden" (Mt. 6, 31-33). Vgl. Mt. 10, 29-31
De voorzienigheid en de tweede oorzaken
God is de soevereine Meester van zijn heilsplan. Maar om dit te verwezenlijken bedient Hij zich ook van de medewerking van zijn schepselen. Dit is geen teken van de zwakheid, maar van de grootheid en de goedheid van de almachtige God. Want God schenkt zijn schepselen niet alleen het bestaan, maar ook de waardigheid zelf te handelen, elkaars oorzaak en grondbeginsel te zijn en zo mee te werken aan de voltooiing van zijn heilsplan.
God staat het de mensen zelfs toe vrijelijk deel te hebben aan zijn voorzienigheid door hen de verantwoordelijkheid toe te vertrouwen de aarde "te onderwerpen" en haar te beheersen. Vgl. Gen. 1, 26-28 God vertrouwt het de mens ook toe een intelligente en vrije oorzaak te zijn om het werk van de schepping te voltooien en de harmonie ervan te vervolmaken ten bate van het eigen welzijn en dat van de naasten. Als medewerkers, vaak onbewust, van de goddelijke wil kunnen de mensen welbewust deelnemen aan het goddelijk heilsplan door hun handelen, door hun gebed, maar ook door hun lijden. Vgl. Kol. 1, 24 Zij worden zo ten volle "medewerkers van God" (1 Kor. 3, 9) Vgl. 1 Tess. 3, 2 en van zijn koninkrijk. Vgl. Kol. 4, 11
Met het geloof in God de Schepper is onlosmakelijk de waarheid verbonden dat God in elk handelen van zijn schepselen handelt. Hij is de eerste oorzaak die in en door de tweede oorzaken werkzaam is: "God is het immers die zowel het willen als het doen bij u tot stand brengt om zijn heilsplan te verwezenlijken" (Fil. 2, 13) Vgl. 1 Kor. 12, 6 Door deze waarheid wordt de waardigheid van het schepsel verre van verminderd, integendeel, ze verleent haar meer luister Door de macht, de wijsheid en de goedheid van God uit het niet geschapen, kan het schepsel niets, als het van zijn oorsprong is afgesneden, want "zonder de Schepper verzinkt het schepsel in het niet"; 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk in de wereld van deze tijd, Gaudium et Spes (7 dec 1965), 36. §3, vert. uit Lat. en nog minder kan het zijn uiteindelijk doel bereiken zonder de hulp van de genade. Vgl. Mt. 19, 26 Vgl. Joh. 15, 5 Vgl. Fil. 4, 13
De voorzienigheid en de aanstoot van het kwaad
Als God de almachtige Vader, Schepper van de geordende en goede wereld, voor al zijn schepselen zorgt, waarom bestaat dan het kwaad? Op deze even klemmende als onvermijdelijke, deze even smartelijke als mysterieuze vraag kan niet vlug een afdoend antwoord gegeven worden. Het geheel van het christelijk geloof vormt het antwoord op deze vraag: de goedheid van de schepping, het drama van de zonde, de geduldige liefde van God die de mens tegemoet komt door verbintenissen die Hij telkens met hem sluit, door de verlossende menswording van zijn Zoon, door de gave van de Geest, door de gemeenschap van de kerk, door de kracht van de sacramenten, door de roeping tot een gelukzalig leven waarmee de vrije schepselen op uitnodiging van God van tevoren hun instemming kunnen betuigen, maar waaraan zij zich ook door een verschrikkelijk mysterie, van meet af aan kunnen onttrekken. Er is geen enkel aspect van de christelijke boodschap dat niet voor een gedeelte een antwoord is op het probleem van het kwaad.
Waarom heeft God geen wereld geschapen die zo volmaakt is dat er geen kwaad in kan bestaan? Overeenkomstig zijn oneindige macht zou God te allen tijde iets beters kunnen scheppen. Vgl. H. Thomas van Aquino, Summa Theologiae. I,25,6 Toch heeft Hij in zijn oneindige wijsheid en goedheid uit vrije wil een wereld willen scheppen "in staat van op 'weg' zijn" naar haar uiteindelijke volmaaktheid. Dit wordend karakter brengt in Gods heilsplan met zich mee dat met het verschijnen van bepaalde wezens het verdwijnen van andere gepaard gaat, met het volmaaktere ook het minder volmaakte en met de opbouw in de natuur tevens afbraak. Met het fysieke goed is derhalve ook het fysieke kwaad gegeven, zolang de schepping niet haar voltooiing bereikt heeft. Vgl. H. Paus Johannes Paulus II, Encycliek, Over kerkelijke moraalleer, Veritatis Splendor (6 aug 1993). 3,71
Engelen en mensen, met rede begaafde en vrije schepselen, moeten naar hun uiteindelijke bestemming voortgaan uit een vrije keuze en op liefde gebaseerde voorkeur. Zij kunnen derhalve van de rechte weg afdwalen. Zij hebben in feite gezondigd. Zó is het morele kwaad in de wereld gekomen, een kwaad dat onmetelijk veel erger is dan het fysieke kwaad. God is op geen enkele manier, direct noch indirect, de oorzaak van het morele kwaad. H. Augustinus, De Libero Arbitrio (1 jan 388). 1.1.1 H. Thomas van Aquino, Summa Theologiae. 1-2,79,1 Hij laat het wel toe, omdat Hij de vrijheid van zijn schepsel respecteert en op mysterieuze wijze er het goede weet uit te halen:
Immers, aangezien de almachtige God (...) oneindig goed is, zou Hij op geen enkele manier enig kwaad in zijn werken laten voortbestaan, als Hij niet zo almachtig en goed was om ook uit het kwade het goede te laten ontstaan. H. Augustinus, Enchiridion ad Laurentium de fide et spe et caritate. 11,3

Zo kan men mettertijd ontdekken dat God in zijn almachtige voorzienigheid iets goeds kan laten voortkomen uit de gevolgen van een kwaad, zelfs van een moreel kwaad, veroorzaakt door zijn schepselen: "Niet jullie hebben mij hier gebracht", zegt Jozef tegen zijn broers, "maar God zelf; (...) jullie hebben kwaad tegen mij beraamd, maar God heeft het ten goede gekeerd, om (...) het behoud van een talrijk volk te bewerken" (Gen. 45, 8)(Gen. 50, 20). Vgl. Tobit 2, 12-18. vulg. Uit het grootste morele kwaad dat ooit bedreven is, het afwijzen en het vermoorden van de Zoon van God, veroorzaakt door de zonden van alle mensen, heeft God door de overvloed van zijn genade Vgl. Rom. 5, 20 het allergrootste goed laten voortkomen: de verheerlijking van Christus en onze verlossing. Daarmee wordt het kwaad echter nog geen goed.

"God bevordert in alles het heil van die Hem liefhebben" (Rom. 8, 28). Het getuigenis van de heiligen houdt niet op deze waarheid te bevestigen:

Zo zegt de heilige Catharina van Siëna tot "hen die aanstoot nemen aan en in opstand komen tegen hetgeen hun overkomt": "Alles komt voort uit de liefde, alles is besloten tot het heil van de mens, God doet alles slechts met dit doel." H. Catharina van Siëna, Dialoog van de Goddelijke Voorzienigheid, Dialogi. 138, vert. uit It.

En de heilige Thomas More troost vlak voor zijn marteldood zijn dochter als volgt: "Er kan niets gebeuren tenzij dat wat God wil. En ik ben er vast van overtuigd dat dit, wat het ook moge zijn, ook al lijkt het nog zo erg, in feite het beste zal zijn". H. Thomas More, Brief van Margaret Roper aan Alice Alington. augustus 1534, vert. Getijdenboek, Lect. II,5,205

Juliana van Norwich zegt: "Ik heb dus door de genade van God geleerd dat ik mij aan het geloof moet vastklampen en niet minder standvastig moet geloven dat alles goed zal zijn (...). En jij zult zelf zien dat alles goed zal zijn." ("Thou Shalt see thyself that all manner of thing shall be well"). Juliana van Norwich, Zestien openbaringen van de Goddelijke Liefde. 13, 32

Wij geloven stellig dat God de heer van de wereld en van de geschiedenis is. Maar de wegen van zijn voorzienigheid zijn ons vaak onbekend. Alleen op het einde, wanneer er een einde zal komen aan onze gedeeltelijke kennis, wanneer wij God "van aangezicht tot aangezicht" (1 Kor. 13, 12) zullen zien, zullen de wegen ons volledig bekend zijn, waarlangs God, zelfs door het drama van het kwaad en de zonde heen, zijn schepping geleid zal hebben naar de rust van die definitieve sabbat Vgl. Gen. 2, 2 waartoe Hij hemel en aarde geschapen heeft.

Document

Naam: CATECHISMUS VAN DE KATHOLIEKE KERK
Soort: Catechismus-Compendium
Datum: 15 augustus 1997
Copyrights: © 1997, Libreria Editrice Vaticana
waarin verwerkt niet officiële aanpassing aan de "editio typica"
Bewerkt: 22 oktober 2019

Referenties naar dit document

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Inhoudsopgave van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
Trefwoordenlijst voor dit document
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2019, Stg. InterKerk, Schiedam